Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1072

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
200.356.129
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag en afwijzing wijziging omgangsregeling in belang van kinderen

Het huwelijk van de ouders is ontbonden en de kinderen verblijven hoofdzakelijk bij de moeder. De kinderen zijn onder toezicht gesteld vanwege eerdere mishandeling en bedreiging door de vader, die ook een contactverbod heeft opgelegd gekregen. De vader verzocht om wijziging van het gezag en de omgangsregeling, maar het hof oordeelt dat het gezamenlijk gezag beëindigd moet blijven en de moeder het gezag alleen moet uitoefenen.

Het hof stelt vast dat er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem raken tussen de ouders, mede door de strafrechtelijke veroordeling van de vader en zijn starre opvoedingsvisie. De moeder kan zelfstandig in het belang van de kinderen beslissen, wat rust en stabiliteit brengt. De omgangsregeling wordt niet gewijzigd omdat contactherstel pas mogelijk is na afronding van traumabehandeling en erkenning van de schade door de vader.

De gecertificeerde instelling blijft regie houden over het contact, dat in het tempo van de kinderen moet verlopen. Het hof bekrachtigt de eerdere beschikking van de rechtbank en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het eenhoofdig gezag van de moeder en wijst het verzoek van de vader tot wijziging van de omgangsregeling af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.129
(zaaknummers rechtbank 445128 en 448996)
beschikking van 24 februari 2026
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.M. Bissumbhar.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 7 mei 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 26 juni 2025;
- het verweerschrift;
- een brief van mr. De Gruijl van 18 augustus 2025 met productie;
- een journaalbericht van mr. Bissumbhar van 15 januari 2026 met producties;
- een mailbericht van mr. De Gruijl van 16 januari 2026 met producties;
- een mailbericht van mr. De Gruijl van 21 januari 2026 met productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 27 januari 2026 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland (hierna: de GI) als informant;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).

3.De feiten

3.1
Het huwelijk van de vader en de moeder is op 12 juli 2024 ontbonden door echtscheiding.
3.2
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2018 (hierna: [de minderjarige1] );
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2020 (hierna: [de minderjarige2] );
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2022 (hierna: [de minderjarige3] ).
De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de moeder.
3.3
De kinderen zijn in de beschikking van 1 februari 2024 onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. Deze ondertoezichtstelling is inmiddels verlengd tot 1 augustus 2026.
3.4
De vader is bij vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 13 januari 2025 veroordeeld voor mishandeling, begaan tegen de moeder en de kinderen, en bedreiging van de moeder en de kinderen met een misdrijf tegen het leven gericht. Aan de vader is een gevangenisstraf opgelegd van 60 dagen, waarvan 58 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de moeder en de kinderen zolang de reclassering dit nodig vindt.
Ook is een taakstraf opgelegd van 120 uren.
Daarnaast is de vader veroordeeld tot betalen van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de moeder ter hoogte van € 1.003,- materiële schade en smartengeld, ten behoeve van [de minderjarige1] € 1.500,- smartengeld en ten behoeve van [de minderjarige2] € 1.500,- aan smartengeld.
De vader is in hoger beroep gegaan van dit vonnis. De strafzaak is door dit hof op 26 januari 2026 inhoudelijk behandeld.
3.5
Bij beschikking van 15 mei 2024, hersteld bij beschikking van 6 juni 2024, heeft de rechtbank het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag over de kinderen, afgewezen. Verder is er een zorgregeling vastgesteld tussen de vader en de kinderen die inhoudt dat het contact tussen hen onder regie van de GI zal worden vormgegeven, waarbij de frequentie, duur en wijze van begeleiding zal worden bepaald door de jeugdbeschermer.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, het gezamenlijk gezag van de ouders over de kinderen beëindigd en is de moeder alleen belast met het gezag over de kinderen. Verder heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot wijziging van de zorg-/omgangsregeling afgewezen.
4.2
De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste grief ziet op het niet wijzigen van de zorg-/omgangsregeling en de tweede grief ziet op het beëindigen van het gezag van de vader.
De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze ziet op de omgangsregeling en het gezag en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de vader tot wijziging van de zorgregeling alsnog toe te wijzen en het verzoek van de moeder tot wijziging van het gezamenlijk gezag alsnog af te wijzen.
4.3
De moeder voert verweer en zij vraagt het hof de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel zijn verzoeken af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Gezag
5.1
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Wijziging van omstandigheden
5.2
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden na de beschikking van 15 mei 2024, zodat het verzoek van de moeder opnieuw kan worden beoordeeld. De vader heeft namelijk vanaf augustus 2024 geen contact meer gehad met de kinderen en de vader is op 13 januari 2025 strafrechtelijk veroordeeld voor mishandeling en bedreiging van de moeder en de kinderen.
Inhoudelijk oordeel
5.3
Het hof is net als de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen en dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Ter aanvulling overweegt het hof dat ook in hoger beroep blijkt dat de vader geen inzicht heeft in de ernst van zijn eerdere gedragingen en de grote impact hiervan op de kinderen en ook op de moeder. De vader blijft vasthouden aan zijn eigen visie dat een autoritaire opvoeding van de kinderen past bij zijn geloofsovertuiging. De raad heeft op de mondelinge behandeling gezegd dat deze visie schadelijk is voor de kinderen en niet strookt met de algemene normen en waarden hoe in de hedendaagse maatschappij wordt omgegaan met de opvoeding van kinderen. Het hof volgt de raad hierin en ziet hierin dat een wijziging van het gezag noodzakelijk is in het belang van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . Anders dan de vader aanvoert, acht het hof zijn handelen niet in het belang van de kinderen maar juist schadelijk voor de kinderen.
Mede door de starre houding van de vader hebben de ouders een groot verschil van inzicht in de wijze van opvoeden en in de hulpverlening die de kinderen nodig hebben. Zo heeft de vader ook geweigerd toestemming te geven voor de traumabehandeling die de kinderen nodig hebben om het verleden te verwerken of stelt hij daar zijn voorwaarden aan. Het hof is van oordeel dat de kinderen (verder) klem en verloren raken indien de ouders gezamenlijk belangrijke beslissingen over hen moeten blijven nemen. Gelet op de veroordeling van de vader voor mishandeling en bedreiging van de moeder en de kinderen en de mede daardoor ernstig verstoorde relatie tussen de ouders, kan niet van de moeder worden verwacht dat zij nog met de vader in overleg gaat over de kinderen. Nog daargelaten dat de vader een contactverbod met de moeder en de kinderen opgelegd heeft gekregen, dat ook door de advocaat-generaal in het hoger beroep van de strafzaak van de vader is geëist. Het hof verwacht dan ook niet dat er binnen afzienbare tijd voldoende verbetering is te verwachten.
5.4
Op de mondelinge behandeling is gebleken dat de kinderen inmiddels zijn gestart met traumabehandeling en dat zij baat hebben bij die behandeling.
Verder heeft de moeder onbestreden gesteld dat er sinds de bestreden beschikking meer rust en stabiliteit in het leven van de kinderen is omdat zij nu zelfstandig in staat is in het belang van de kinderen beslissingen te nemen.
Wijziging omgangsregeling
5.5
Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten (a) een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
Wijziging van omstandigheden
5.6
Tussen de ouders is niet in geschil dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, zodat de omgangsregeling opnieuw kan worden beoordeeld.
Inhoudelijk oordeel
5.7
Het hof zal net als de rechtbank – en op dezelfde gronden die het hof overneemt en tot de zijne maakt – het verzoek van de vader tot wijziging van de omgangsregeling afwijzen. Het hof acht wijziging niet in het belang van de kinderen. Gelet op de situatie waarbij de kinderen in hun jonge leven zowel tijdens als na de relatie van de ouders veel hebben meegemaakt, acht het hof het van belang dat de GI de regie houdt over de invulling van de omgang. De kinderen hebben momenteel al anderhalf jaar geen contact meer met de vader en zij zijn recent gestart met traumabehandeling. Naar het oordeel van het hof kan contactherstel pas plaatsvinden nadat de traumabehandeling is afgerond en nadat de vader bepaalde stappen heeft gezet, zoals de traumabehandelaar heeft aangegeven. Daarnaast is voor contactherstel belangrijk dat de vader de kinderen erkenning geeft voor de schade die zij door zijn toedoen hebben opgelopen, zoals de raad op de mondelinge behandeling heeft geadviseerd. Het hof is ook met de raad eens dat contactherstel pas kan plaatsvinden als de kinderen daarvoor weer ruimte hebben en dan in het tempo van de kinderen zal moeten verlopen op een manier die aansluit bij wat de kinderen nodig hebben. Verder is bij contactherstel belangrijk dat de vader open staat voor de adviezen die daarin worden gegeven en deze opvolgt.
5.8
Op de mondelinge behandeling kwam naar voren dat de ondertoezichtstelling voor een half jaar is verlengd en dat deze mogelijk wordt beëindigd indien het hof de bestreden beschikking in stand laat voor wat betreft het eenhoofdig gezag over de kinderen. Uit het vorenstaande blijkt echter dat het hof nog een taak weggelegd ziet voor de GI in het begeleiden van het contactherstel tussen de vader en de kinderen. Het hof heeft er, net als de vader, weinig vertrouwen in dat die taak in het vrijwillige kader afdoende kan worden opgepakt en onder deze omstandigheden volledig bij de moeder kan worden gelegd.
Het hof realiseert zich dat de GI bij het begeleiden van het contactherstel mede afhankelijk is van het al dan niet handhaven van het contactverbod tussen de vader en de kinderen in het te wijzen arrest in hoger beroep van de strafzaak van de vader.

6.De slotsom

6.1
Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking voor wat betreft het gezag en de omgangsregeling bekrachtigen.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren nu de ouders gewezen echtgenoten zijn.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 7 mei 2025 voor zover het betreft het gezag over de kinderen en de afwijzing van het verzoek van de vader tot wijziging van de omgangsregeling;
compenseert de kosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. Leentjes, R. Feunekes en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 24 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.