ECLI:NL:GHARL:2025:8671

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
21-005543-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis van de politierechter inzake diefstal en verduistering door verdachte met misbruik van vertrouwen

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 24 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. De verdachte is schuldig bevonden aan diefstal van geldbedragen door middel van een onrechtmatig verkregen pas en pincode, en aan de verduistering van een Volkswagen Polo. De verdachte heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen van zijn kwetsbare buurman, van wie hij de auto in bruikleen had en wiens bankrekening hij zonder toestemming heeft geplunderd. Het hof heeft de verklaring van de verdachte als onaannemelijk bestempeld en heeft een gevangenisstraf van zes maanden opgelegd, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De verdachte ontvangt hulp van de reclassering en het hof heeft de straf zwaarder gemaakt dan de politierechter had gedaan, om de verdachte te stimuleren het juiste pad te volgen. Daarnaast is er een schadevergoeding van €16.100,00 toegewezen aan de benadeelde partij, die door de verdachte moet worden vergoed, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005543-24
Uitspraakdatum: 24 december 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 9 december 2024 met parketnummer 18-222291-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-143234-23, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 10 december 2025 is besproken, en wat er op de zitting bij de rechtbank is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • het vernietigen van het vonnis van de politierechter;
  • het veroordelen van verdachte voor diefstal door middel van een valse sleutel en verduistering tot een gevangenisstraf van vier maanden;
  • het bevelen van de tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken;
  • het toewijzen van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van €16.100,00 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J. van Dijk, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft bij vonnis van 9 december 2024 verdachte veroordeeld voor diefstal door middel van een valse sleutel en verduistering tot een gevangenisstraf van vier maanden. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 16.100,00. Deze vordering is vermeerderd met de wettelijke rente en de politierechter heeft ter hoogte van datzelfde bedrag de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. In het meer gevorderde is de benadeelde partij
niet-ontvankelijk verklaard. Tot slot heeft de politierechter de tenuitvoerlegging bevolen van de eerder opgelegde gevangenisstraf van vier weken.
Omdat de politierechter een verkort proces-verbaal heeft opgemaakt en het hof aan verdachte een andere straf oplegt, vernietigt het hof het vonnis. Het hof doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 3 augustus 2023 tot en met 30 december 2023 te [plaats 1] , [gemeente 1] , althans in Nederland, (meermalen) een of meerdere geldbedragen (van in totaal ongeveer 21.450,00 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geld(bedrag) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door met een onrechtmatig verkregen pincode pintransacties te doen;
2.
hij in of omstreeks 28 november 2023 tot en met 2 april 2024 te [plaats 2] , [gemeente 2] opzettelijk een personenauto, te weten: een Volkswagen Polo met kenteken: [kenteken] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als gebruiker van het goed, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

De diefstal van een geldbedrag door middel van een valse sleutel

Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte weliswaar geldbedragen van de rekening van [benadeelde partij] heeft gepind, maar dat hij dit heeft gedaan op verzoek van [benadeelde partij] en dat hij dit geldbedrag nadien telkens aan hem heeft afgegeven.
Oordeel van het hof
Het hof komt tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde diefstal door met een onrechtmatig verkregen pincode pintransacties te verrichten. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de redengevende bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
Aangever [benadeelde partij] doet op 4 januari 2024 en 3 april 2024 aangifte van diefstal van geldbedragen die met zijn bankpas zijn gepind in [plaats 1] . Aangever verklaart dat hij nooit geld heeft gepind bij een geldautomaat en dat hij niemand, ook verdachte niet, toestemming heeft gegeven om geldbedragen te pinnen.
Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard dat hij het ten laste gelegde geldbedrag heeft gepind op verzoek van aangever en dat hij de geldbedragen daarna aan hem heeft afgegeven. Aangever zou het geld vervolgens verpakt in een kaart naar anderen in het buitenland hebben gestuurd.
Het hof acht deze verklaring van verdachte onaannemelijk.
De verklaring van verdachte vindt op geen enkele wijze steun in het dossier en verdachte heeft op meerdere onderdelen inconsequent verklaard, onder meer over de gepinde geldbedragen. [verbalisant] is op 3 januari 2024 met aangever naar de woning van verdachte gegaan om hem te vragen of hij iets afwist van de gepinde geldbedragen. Verdachte bekeek de bankafschriften en vertelde aangever toen dat hij van niets wist. Tegenover de politie heeft verdachte op 6 juni 2024 daarentegen verklaard dat hij die geldbedragen wel heeft gepind. Hij gaf het geld af aan aangever, die het volgens verdachte opstuurde naar vrouwen.
Op de zitting van het hof heeft verdachte het voorgaande herhaald en heeft hij daarbij verklaard het vermoeden te hebben gehad dat aangever werd opgelicht door vrouwen in het buitenland. Ook dit onderdeel van zijn verklaring vindt geen steun in het dossier.
Daarbij komt dat verdachte richting de wijkagent wel zijn zorgen heeft geuit over de gezondheid van aangever, maar niet over een mogelijke oplichting. Als dit het geval was geweest, had het voor de hand gelegen dat verdachte hierin ook zijn zorgen had geuit.
Gelet op het vorenstaande, ook gezien de regelmaat waarmee grote geldbedragen werden gepind en de onwaarschijnlijke wijze waarop deze stapels bankbiljetten vervolgens in een kaart naar het buitenland zouden zijn gestuurd, schuift het hof de verklaring van verdachte als onaannemelijk terzijde. Ook hiervoor ziet het hof geen enkele ondersteuning in het dossier. Het hof acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1.

De verduistering van een Volkswagen Polo

Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte de ten laste gelegde auto heeft verkocht met toestemming van [benadeelde partij] .
Oordeel van het hof
Het hof komt tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde verduistering van de Volkswagen Polo. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de redengevende bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
Aangever [benadeelde partij] doet op 21 februari 2024 aangifte van de verduistering van zijn Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] . Aangever verklaart dat zijn auto met zijn toestemming is gebruikt door verdachte, zijn toenmalige buurman. Verdachte heeft zijn auto echter niet teruggebracht en laat aangever niet weten waar de auto is en/of wie gebruik maakt van zijn auto. Aangever verklaart hiervoor geen toestemming aan verdachte te hebben gegeven.
Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard dat hij die toestemming wel heeft gekregen. Hij mocht van aangever de auto verkopen.
Het hof acht deze verklaring van verdachte echter onaannemelijk.
De verklaring van verdachte vindt geen steun in het dossier. Integendeel. Verdachte had het kentekenbewijs niet in zijn bezit en heeft die niet verstrekt aan de koper van de Volkswagen Polo. In geval van toestemming aan de kant van aangever had het voor de hand gelegen dat aangever de benodigde papieren aan verdachte had verstrekt. Daarbij komt dat verdachte inconsequent heeft verklaard, onder meer over de locatie van de auto van aangever. Tegenover [verbalisant] heeft verdachte op 3 januari 2024 verklaard dat hij de exacte locatie van de auto niet meer wist, maar dat hij de auto in [plaats 3] had achtergelaten omdat de auto het niet meer deed. Tegenover de politie heeft verdachte op 6 juni 2024 verklaard dat een zekere [naam] de auto had achtergelaten en dat hij op een later moment van haar te horen heeft gekregen waar de auto stond. Op de zitting van het hof heeft verdachte daarentegen verklaard dat hij wel wist waar de auto stond en dat hij, nadat hij met pech in [plaats 3] stilstond, de auto op een later moment heeft opgehaald.
Gelet op het vorenstaande, schuift het hof de verklaring van verdachte als onaannemelijk terzijde. Het hof acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 2. Verdachte had de ten laste gelegde Volkswagen Polo in bruikleen en heeft deze zonder de toestemming van aangever verkocht.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten:
1.
hij in de periode van 3 augustus 2023 tot en met 30 december 2023 te [plaats 1] , [gemeente 1] , meermalen een geldbedrag dat aan [benadeelde partij] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door met een onrechtmatig verkregen pincode pintransacties te doen;
2.
hij in de periode van 28 november 2023 tot en met 2 april 2024 te [plaats 2] , [gemeente 2] opzettelijk een personenauto, te weten: een Volkswagen Polo met kenteken: [kenteken] , toebehorende aan [benadeelde partij] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als gebruiker van het goed, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
verduistering.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van geldbedragen door met een onrechtmatig verkregen pas en pincode pintransacties te verrichten en aan verduistering van een Volkswagen Polo. Verdachte heeft hierbij misbruik gemaakt van zijn kwetsbare, hulpbehoevende buurman. Verdachte deed weleens boodschappen voor of met hem en heeft hem ook geholpen, maar heeft ondertussen over een langere periode grote geldbedragen gepind van de rekening van het slachtoffer. Het geld heeft hij vervolgens kennelijk in eigen zak gestoken. Daarnaast heeft verdachte de Volkswagen Polo, die verdachte in bruikleen had van zijn buurman, verkocht, zonder daarvoor toestemming te hebben van het slachtoffer. Met zijn handelen heeft verdachte niet alleen een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de het slachtoffer, maar ook het vertrouwen van het slachtoffer ernstig geschaad. Dergelijke feiten veroorzaken financiële schade en overlast. Verdachte geeft geen blijk van inzicht in zijn handelen en neemt hiervoor geen enkele verantwoordelijkheid.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van verdachte van 5 november 2025, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten. Kennelijk hebben die eerdere veroordelingen geen indruk gemaakt op verdachte. Dit weegt het hof in strafverzwarende zin mee. Daarnaast blijkt uit het strafblad dat verdachte na de bewezenverklaarde feiten is veroordeeld wegens het plegen van andere strafbare feiten.
Verder neemt het hof in aanmerking de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting door verdachte naar voren zijn gebracht en zoals deze ook blijken uit het dossier. Verdachte heeft op de zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat hij sinds vier weken hulp ontvangt vanuit de reclassering. Hij is met behulp van [organisatie]
gestopt met blowen. Verdachte heeft een zoon van negen jaar oud die hij in het weekend ziet. Na onderhavige strafzaak gaat verdachte op zoek naar werk en een andere woning.
Rekening houdend met het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Het hof legt daarmee een hogere straf op dan de politierechter heeft gedaan.
Verdachte ontvangt inmiddels hulp vanuit de reclassering. Het hof wil met het opleggen van een kortere onvoorwaardelijke gevangenisstraf verdachte de mogelijkheid bieden het juiste pad te gaan en te blijven bewandelen. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient daarbij als een stevige stok achter de deur, om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Gelet op de recidive van verdachte, acht het hof een proeftijd van drie jaren noodzakelijk.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 26.700,00 ingediend, bestaande uit materiële schade. De politierechter heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 16.100,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep niet aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof kan daarom alleen een beslissing nemen over de gevorderde schadevergoeding voor het deel dat door de rechtbank is toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij onduidelijkheden bevat omdat sprake is van verschillende optellingen.
Oordeel van het hof
Uit het onderzoek op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij, [benadeelde partij] , rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De benadeelde partij heeft rekeningafschriften overgelegd waaruit blijkt dat binnen de tenlastegelegde periode minstens € 16.100,00 is opgenomen.
Dat de benadeelde partij ten gevolge van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van € 16.100,00 is, gelet op het vorenstaande en in het licht van de gegeven onderbouwing, door de verdediging onvoldoende betwist. Verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen.
Wettelijke rente
Het hof zal de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade bepalen op 29 december 2023, de dag van de laatste geldopname door verdachte.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze.
Proceskosten
Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Vordering tot tenuitvoerlegging

In de zaak met parketnummer 18-143234-23 is verdachte op 18 augustus 2023 door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 4 weken, met een proeftijd van twee jaren. Het Openbaar Ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, gelet op de bepleite vrijspraak.
Oordeel van het hof
Verdachte heeft een nieuw strafbaar feit gepleegd voor het einde van de proeftijd. Het hof acht daarom de tenuitvoerlegging aangewezen en beveelt de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 311 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 16.100,00 (zestienduizend honderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 16.100,00 (zestienduizend honderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 115 (honderdvijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 december 2023.
Vordering tot tenuitvoerlegging
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 18 augustus 2023, parketnummer 18-143234-23, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van: een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) weken.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. Fuhler, mr. J. Hielkema en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier mr. S.A. van der Zwaag en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 december 2025.