ECLI:NL:GHARL:2025:8667

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
200.355.483/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot ontzegging van de vader het recht op omgang met de kinderen

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 30 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de zorgregeling tussen de ouders van twee minderjarige kinderen. De moeder, verzoekster in hoger beroep, heeft verzocht om ontzegging van de vader het recht op omgang met de kinderen. De vader, verweerder in hoger beroep, heeft verweer gevoerd en verzocht om afwijzing van het verzoek van de moeder. De rechtbank Noord-Nederland had eerder een voorlopige zorgregeling vastgesteld, maar de moeder heeft deze regeling niet nageleefd, wat leidde tot een dwangsom. Het hof heeft vastgesteld dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, maar heeft geen aanleiding gezien om de vader het recht op omgang te ontzeggen. Het hof oordeelt dat de zorgen van de moeder over de omgang niet zijn onderbouwd door de betrokken instanties en dat het in het belang van de kinderen is om contact met hun vader te behouden. De moeder wordt aangespoord om hulp te zoeken om haar houding te veranderen, zodat de kinderen onbelast contact met beide ouders kunnen hebben. Het hof bekrachtigt de eerdere beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.483/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 191610)
beschikking van 30 december 2025
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. S. Vaupell te Wolvega,
en
[verweerder](de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. J. Oosterhof te Heerenveen.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Regiecentrum Bescherming en Veiligheid(de GI),
kantoorhoudende te Leeuwarden.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 10 november 2023 en 3 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 3 maart 2025 zal hierna ook worden aangeduid als de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 26 mei 2025;
- een journaalbericht namens de moeder van 15 juli 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 29 juli 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een brief van de GI van 21 november 2025 met bijlage(n);
- een brief van de GI van 25 november 2025 met bijlage(n);
- een brief van de GI van 3 december 2025 met bijlage(n).
2.2.
[minderjarige1] en [minderjarige2] hebben op 3 december 2025 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij hebben verteld wat zij vinden van de zorgregeling.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft op 4 december 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- twee vertegenwoordigers van de raad.
Namens de GI zijn pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen.

3.De feiten

3.1.
De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De relatie is eind 2021 geëindigd.
3.2.
De moeder en de vader zijn de ouders van:
- [minderjarige1] , geboren [in1] 2014;
- [minderjarige2] , geboren [in2] 2016.
De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de kinderen.
3.3.
[minderjarige1] en [minderjarige2] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
3.4.
De vader woont samen met zijn huidige partner. Zijn partner heeft twee minderjarige kinderen die ook bij hen wonen.
3.5.
De ouders hebben na het beëindigen van hun relatie afgesproken dat de kinderen eens
per veertien dagen van vrijdag 16.30 uur tot maandag naar school en eens per veertien dagen
op woensdag van 12.15 uur tot 17.30 uur bij de vader verblijven.
3.6.
Vanaf maart 2023 hebben de ouders de volgende zorgregeling uitgevoerd, telkens over een periode van twee weken:
- week 1: de kinderen verblijven van vrijdag uit school tot dinsdag naar school bij de vader;
- week 2: de kinderen verblijven op woensdag uit school tot het sporten van [minderjarige1] start dan wel tot 18.30 uur bij de vader.
3.7.
Van begin september 2023 tot medio november 2023 heeft de moeder geen uitvoering gegeven aan de zorgregeling en zijn de kinderen niet bij de vader geweest.
3.8.
Bij beschikking van 10 november 2023 heeft de rechtbank:
ten aanzien van de voorlopige voorzieningen:
- bepaald dat voorlopig - totdat een nadere rechterlijke beslissing over de zorgregeling van kracht wordt - de volgende zorgregeling geldt, telkens over een periode van twee weken:
- week 1: de kinderen verblijven van vrijdag uit school tot dinsdag naar school
bij de vader;
- week 2: de kinderen verblijven op woensdag uit school tot het sporten van [minderjarige1] start dan wel tot 18.30 uur bij de vader;
- een zorgregeling voor tijdens de kerstvakantie van het jaar 2023 en de voorjaarsvakantie van het jaar 2024 bepaald;
- bepaald dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag dat zij voornoemde voorlopige zorgregeling geheel of gedeeltelijk niet nakomt, met een maximum van
€ 5.000,-;
- de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- de meer of anders verzochte voorlopige voorzieningen afgewezen;
ten aanzien van de bodemzaak, voor zover hier van belang:
- de raad verzocht om onderzoek te verrichten naar de vraag welke hoofdverblijfplaats en welke zorgregeling het meest in het belang zijn van [minderjarige1] en [minderjarige2] , en de rechtbank hierover te rapporteren en te adviseren;
- iedere verdere beslissing over de hoofdverblijfplaats en de definitieve zorgregeling aangehouden.
3.9.
Vanaf april/mei 2024 heeft de moeder (opnieuw) de zorgregeling enige tijd niet uitgevoerd.
3.10.
Bij mondelinge uitspraak van 9 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter naar aanleiding van een door de vader gestarte kort geding-procedure:
- bepaald dat de moeder per 12 juli 2024 haar medewerking moet verlenen aan de uitvoering van de zorgregeling zoals bepaald in de beschikking van de rechtbank van 10 november 2023, een en ander op straffe van toevertrouwing van de kinderen aan de vader voor de duur van de bodemprocedure;
- de vader gemachtigd om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van deze uitspraak te bewerkstelligen, indien de moeder in gebreke blijft aan het in het hiervoor genoemde punt bepaalde te voldoen;
- een zorgregeling voor de zomervakantie van 2024 bepaald;
- de uitspraak tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
3.11.
[minderjarige1] en [minderjarige2] staan sinds 24 oktober 2024 onder toezicht van de GI. De termijn van de ondertoezichtstelling geldt nu tot 24 oktober 2026.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
- de bij beschikking van 10 november 2023 bepaalde voorlopige zorgregeling gewijzigd en bepaald dat vanaf nu de volgende zorgregeling geldt:
- als reguliere zorgregeling (telkens over een periode van twee weken):
week 1: de kinderen verblijven van vrijdag uit school tot dinsdag naar school bij de
vader;
week 2: de kinderen verblijven op woensdag uit school tot het sporten start dan wel tot 18.30 uur bij de vader;
- de kinderen verblijven in de meivakantie van het jaar 2025 aaneensluitend één week bij dezelfde ouder. Het is aan de GI om te bepalen welke week de kinderen bij hun vader zijn, en welke week bij hun moeder. Daarbij vindt de rechtbank het belangrijk dat waar mogelijk de zorgregeling doorloopt, zodat er zo weinig mogelijk wisselmomenten zijn;
- in de zomervakanties verblijven de kinderen in week twee en week drie bij de vader, en in week vier en week vijf bij de moeder. In week één en week zes zal de reguliere zorgregeling doorlopen;
- de overige vakanties en feestdagen worden bij helfte verdeeld, waarbij de GI de regie
heeft over de verdeling hiervan;
- de GI heeft de regie over het wijzigen van de zorgregeling (met uitzondering van de
zomervakantie);
- bepaald dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag of dagdeel dat zij de zorgregeling geheel of gedeeltelijk niet nakomt, met een maximum van € 5.000,-;
- de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het verzoek van de vader ten aanzien van de hoofdverblijfplaats afgewezen;
- het meer of anders verzochte ook afgewezen.
4.2.
De moeder komt met acht grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen (zo begrijpt het hof) voor zover deze ziet op de beslissingen over de zorgregeling, de verdeling van de feestdagen en de dwangsom en, in zoverre opnieuw rechtdoende, te bepalen dat aan de vader het recht op omgang met [minderjarige1] en [minderjarige2] wordt ontzegd.
4.3.
De vader voert verweer en verzoekt het hof het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen, kosten rechtens.

5.De motivering van de beslissing

5.1.
Ingevolge artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten, voor zover hier van belang, een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a lid 3 BW een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.
5.2.
Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.3.
Tussen de ouders is niet in geschil dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
5.4.
Het hof ziet geen aanleiding om de vader het recht op omgang met [minderjarige1] en [minderjarige2] te ontzeggen, zoals de moeder verzoekt. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
5.5.
Om tot ontzegging van de omgang te komen moet aan zware eisen zijn voldaan. Het is aan de moeder om die ontzeggingsgronden aannemelijk te maken, omdat zij daar een beroep op doet. De moeder is daarin niet geslaagd. Zij heeft allereerst aangevoerd dat er tijdens de omgangsmomenten sprake is van (fysieke en emotionele) mishandeling van de kinderen door de vader. De vader heeft dit betwist. Het hof stelt vast dat de moeder deze zorgen al een aantal jaren benoemt. Verschillende hulpverleners en instanties, waaronder Veilig Thuis en de politie, hebben deze zorgen van de moeder onderzocht en hebben gesprekken gevoerd met de kinderen. [minderjarige1] en [minderjarige2] hebben tijdens deze gesprekken, en ook in het gesprek bij het hof, hun ervaringen gedeeld over de contacten met de vader. Tijdens deze onderzoeken en gesprekken zijn de zorgen van de moeder niet bevestigd en is niet vastgesteld dat sprake is van kindermishandeling. Integendeel, verschillende professionele hulpverleners hebben geconcludeerd dat het juist in het belang van de kinderen is om wel omgang met hun vader te hebben en dat het schadelijk voor deze twee kinderen is wanneer er een periode geen contact is. Tijdens het gesprek bij het hof is ook niet gebleken dat de kinderen uit angst voor hun vader absoluut niet meer naar hem toe zouden willen. Wat de moeder hierover stelt, is niet objectief vast komen te staan. Deze zorg van de moeder vormt derhalve geen contra-indicatie voor omgang tussen de vader en de kinderen.
5.6.
De andere zorgen die de moeder heeft aangevoerd, bijvoorbeeld over de reacties van de kinderen na een omgangsmoment, waaronder nachtmerries, rechtvaardigen naar het oordeel van het hof niet een beslissing om de vader geen omgang meer te laten hebben met de kinderen. Niet staat vast dat deze door de moeder gestelde reacties te wijten (zouden) zijn aan omgang met de vader. De door de moeder geuite zorgen worden bovendien door de verschillende betrokken instanties niet herkend. Ook de GI, die de afgelopen tijd de thuissituaties van beide ouders heeft onderzocht, heeft - net als de raad tijdens het raadsonderzoek - geen dusdanige zorgen over de situatie bij de vader geconstateerd, dat het niet in het belang van de kinderen zou zijn om omgang te hebben met de vader. Desondanks volhardt de moeder in haar zorgen, haar eigen visie en haar standpunt dat de kinderen geen omgang met de vader moeten hebben. Het hof acht deze houding van de moeder, die de afgelopen tijd door verschillende betrokken instanties is geconstateerd en waarbij de moeder onvoldoende inzicht toont in haar eigen aandeel in de ontstane situatie en het haar onvoldoende lukt om bepaalde kwesties vanuit een ander perspectief te bekijken, uitermate zorgelijk. De kinderen kampen mede hierdoor met een ernstig loyaliteitsconflict. De moeder lijkt geen oog te hebben voor de gevolgen die haar houding heeft voor de kinderen. Kinnik, die sinds begin 2023 bij het gezin betrokken is, heeft in februari 2025 in het verslag over de beeldvormende fase van het behandeltraject onder meer het volgende over de moeder geconcludeerd. Bij de moeder is sprake van een gegeneraliseerde angststoornis. Dit lijkt de oplossing van het conflict behoorlijk in de weg te staan. Bij de moeder is er geen (emotionele) ruimte om naar een andere oplossing te zoeken, dan die van het veroordelen van de vader voor zijn gedrag. Dit gaat gepaard met haar mening dat de kinderen daarom ook niet bij hun vader kunnen zijn. Bij de moeder bestaat een grote hindernis, die haar niet in de gelegenheid stelt om te kijken naar - laat staan om te werken aan - de door Kinnik bij haar geconstateerde drie forse hindernissen die de ouderschapsreorganisatie belemmeren en de kinderen bekneld houden tussen de problemen van de ouders. In deze situatie kan de behandeling van de kinderen door Kinnik niet starten. Het hof onderschrijft, evenals de raad, deze visie van Kinnik. Gelet op de bevindingen van Kinnik tot op heden, ziet het hof net als de rechtbank geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van het eindverslag van Kinnik. Weliswaar heeft Kinnik ten aanzien van de vader ook een aantal hindernissen geconstateerd, maar gebleken is dat de vader erkent dat hij bepaalde gebeurtenissen anders had moeten aanpakken, deze nu ook anders aanpakt en hierbij openstaat voor adviezen.
Naar het oordeel van het hof is de oplossing voor de problematiek binnen dit gezin dan ook niet gelegen in het ontzeggen aan de vader van zijn recht op omgang met de kinderen en/of om, zoals de moeder wenst, de kinderen meer een stem te geven. Het hof deelt de visie van de raad en de GI, zoals ter zitting gegeven, dat het noodzakelijk is dat de moeder haar grondhouding gaat veranderen, dat ze haar manier van denken over en kijken naar de situatie verandert. De moeder heeft daar hulp bij nodig en het hof adviseert haar dan ook dringend om die hulp te accepteren en zich daarvoor in te zetten. Hoewel ook de vader moet werken aan de door Kinnik geconstateerde hindernissen, is het op dit moment vooral de moeder die aan de slag moet gaan om tot verandering van de situatie te komen en ervoor te zorgen dat de kinderen met beide ouders fijn en onbelast contact kunnen hebben.
5.7.
De moeder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat na de zomervakantie van het jaar 2025 de feestdagen bij helfte moeten worden verdeeld en dat, indien de ouders zelf geen afspraken kunnen maken, de GI hierin de regie moet nemen en een beslissing moet nemen. Gelet op wat het hof hiervoor heeft overwogen over de reguliere zorgregeling, volgt het hof de moeder niet in dit standpunt. Het hof zal daarom de bestreden beschikking ook bekrachtigen voor zover het de beslissing over de regeling voor de feestdagen betreft.
5.8.
Het hof is tot slot van oordeel dat, anders dan door de moeder is betoogd, bij de bestreden beschikking terecht een dwangsom is verbonden aan de zorgregeling. Namens de moeder is ter zitting verklaard, en dit heeft de moeder ook bij Kinnik verteld, dat zij de bij de bestreden beschikking bepaalde zorgregeling heeft uitgevoerd, mede vanwege de opgelegde dwangsom, maar dat ze dit met veel moeite heeft gedaan. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de moeder ondanks alle bevindingen van de betrokken instanties haar standpunt handhaaft dat de kinderen niet naar de vader hoeven. Gelet hierop heeft het hof er geen vertrouwen in dat de moeder de zorgregeling zal blijven uitvoeren wanneer er geen dwangsom meer aan verbonden is. Het hof zal daarom de beslissing in de bestreden beschikking over de dwangsom in stand laten.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 3 maart 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. J.G. Knot en mr. P.B. Kamminga, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 30 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.