ECLI:NL:GHARL:2025:8665

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
200.354.906/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve ontslag van halfzus als bewindvoerder en benoeming van een professionele bewindvoerder in hoger beroep

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 30 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep betreffende de bewindvoering van een rechthebbende, geboren in 1995, die verstandelijk beperkt is. De rechthebbende had eerder een bewindvoerder, zijn halfzus [belanghebbende5], maar deze werd ambtshalve ontslagen door de kantonrechter. De rechthebbende heeft hoger beroep ingesteld, maar het hof heeft geoordeeld dat hij niet-ontvankelijk is in zijn verzoek. Dit oordeel is gebaseerd op het feit dat de advocaat, mr. R. Kaya, de rechthebbende niet persoonlijk heeft gesproken en niet heeft kunnen verifiëren of het instellen van hoger beroep met instemming van de rechthebbende was. De advocaat had de opdracht van halfzus [belanghebbende5] gekregen, die op dat moment niet meer als bewindvoerder was aangesteld. Het hof heeft vastgesteld dat de rechthebbende niet in staat is om zelfstandig beslissingen te nemen en dat er twijfels zijn over zijn vermogen om zijn wensen en gevoelens adequaat te uiten. Het hof heeft ook overwogen dat de benoeming van een professionele bewindvoerder gerechtvaardigd is, gezien de complexe situatie rondom het beheer van het vermogen van de rechthebbende en de lopende rechtszaken over zijn Persoonsgebonden Budget (PGB).

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.906/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11027627)
beschikking van 30 december 2025
in de zaak van
[Appellant](de rechthebbende),
die woont op een bij het hof bekend adres,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. R. Kaya te Enschede.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
1) [belanghebbende1](de moeder),
die woont op een bij het hof bekend adres,
2) [belanghebbende2](de vader),
die woont in [woonplaats1] ,
3) [belanghebbende3](broer [belanghebbende3] ),
die woont op een bij het hof bekend adres,
4) [belanghebbende4](halfbroer [belanghebbende4] ),
die volgens de Basisregistratie Personen is geëmigreerd,
5) [belanghebbende5](halfzus [belanghebbende5] , de voormalig bewindvoerder),
die woont in [woonplaats2] ,
6) [belanghebbende6](halfzus [belanghebbende6] ),
die woont in [woonplaats3 1] ,
7) [belanghebbende7](halfzus [belanghebbende7] ),
die woont in [woonplaats3 2] ,
8) [belanghebbende8](halfzus [belanghebbende8] ),
die woont op een bij het hof bekend adres,
9) Annunziata Cattalini Dulder, h.o.d.n. Beschermingsbewind A. Dulder(de bewindvoerder),
die kantoorhoudt in Almere.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 23 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. De procedure in hoger beroep
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 23 april 2025;
- een journaalbericht namens de rechthebbende van 8 juli 2025 met bijlage(n).
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 4 december 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- mr. Kaya;
- broer [belanghebbende3] ;
- de bewindvoerder.
Ter zitting hebben mr. Kaya en de bewindvoerder met toestemming van het hof nog nadere stukken overgelegd.

3.De feiten

3.1.
De rechthebbende is geboren [in] 1995.
3.2.
Bij beschikking van 1 juli 2014 is op verzoek van de moeder over alle goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende een bewind ingesteld op grond van zijn lichamelijke en/of geestelijke toestand. Broer [belanghebbende3] is destijds tot bewindvoerder benoemd.
Sinds 2022 is halfzus [belanghebbende5] de bewindvoerder van de rechthebbende geweest.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter halfzus [belanghebbende5] met ingang van de dag na de uitspraak ambtshalve ontslagen als bewindvoerder van de rechthebbende en met ingang van die dag A.C. Dulder, h.o.d.n. Beschermingsbewind A. Dulder, tot opvolgend bewindvoerder benoemd.
4.2.
De rechthebbende komt met drie grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De rechthebbende verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zo heeft mr. Kaya het verzoek ter zitting aangevuld, primair broer [belanghebbende3] en subsidiair halfzus [belanghebbende5] weer tot bewindvoerder te benoemen.
4.3.
De bewindvoerder heeft ter zitting haar standpunt kenbaar gemaakt.

5.De motivering van de beslissing

5.1.
Het hof moet ambtshalve beoordelen of de rechthebbende ontvankelijk is in zijn verzoek in hoger beroep. Het instellen van hoger beroep door een advocaat namens een persoon mag slechts plaatsvinden na instemming en in opdracht van die persoon.
Tijdens de zitting is gebleken dat mr. Kaya de rechthebbende in het geheel niet heeft gesproken en dat hij zich niet persoonlijk ervan heeft vergewist of het de wil was van de rechthebbende om hoger beroep in te stellen. Mr. Kaya heeft verklaard dat hij via halfzus [belanghebbende5] de opdracht heeft gekregen om hoger beroep in te stellen. Volgens mr. Kaya heeft halfzus [belanghebbende5] niet zelf hoger beroep ingesteld omdat het om de rechthebbende gaat.
De rechthebbende is, zo heeft broer [belanghebbende3] tijdens de zitting verteld, verstandelijk beperkt. Hij functioneert op het niveau van ongeveer een zesjarige, hij kan niet zelf beslissingen nemen en hij is voor derden moeilijk te verstaan, aldus broer [belanghebbende3] . Mr. Kaya heeft bevestigd dat de rechthebbende niet weet waar de procedure over gaat. Dit roept de vraag op waar de stellige verklaring in het beroepschrift, dat de rechthebbende geenszins tevreden is met de beslissing in de bestreden beschikking om halfzus [belanghebbende5] te ontslaan als zijn bewindvoerder en een andere bewindvoerder te benoemen, op is gebaseerd, nu mr. Kaya zich daarvan kennelijk zelf niet blijkt te hebben vergewist. Mr. Kaya heeft tijdens de zitting aangevoerd dat hij van broer [belanghebbende3] en halfzus [belanghebbende5] heeft begrepen dat de rechthebbende enigszins door heeft met wie hij te maken heeft en dat hij wel gevoelens en wensen kan uiten. Het hof acht dit onvoldoende om ervan te kunnen uitgaan dat de rechthebbende de wil heeft gehad om hoger beroep in te stellen. Het hof betrekt daarbij mede de verklaring van de bewindvoerder dat zij zich afvraagt of de rechthebbende zich kan uiten: zij heeft zelf met hem geprobeerd te praten, maar geconstateerd dat de rechthebbende alleen maar lachte.
Het hof volgt mr. Kaya ook niet in zijn standpunt dat halfzus [belanghebbende5] na de bestreden beschikking nog als bewindvoerder de beslissing namens de rechthebbende mocht nemen om namens hem hoger beroep in te stellen. Bij de bestreden beschikking is halfzus [belanghebbende5] met ingang van de dag na de uitspraak van die beschikking ontslagen als bewindvoerder. Het beroepschrift is op 23 april 2025, drie maanden na de bestreden beschikking, ingediend. Op dat moment was halfzus [belanghebbende5] dus niet meer de bewindvoerder van de rechthebbende en had zij niet meer de bevoegdheid om namens hem beslissingen te nemen.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat het hoger beroep door mr. Kaya is ingesteld met instemming en in opdracht van de rechthebbende. Daarom zal het hof de rechthebbende niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek in hoger beroep.
5.2.
Ten overvloede overweegt het hof het volgende. Het hof is van oordeel dat bij de bestreden beschikking terecht een professionele bewindvoerder is benoemd. De kantonrechter heeft overwogen dat het onmogelijk is om toezicht te houden op de wijze waarop de bewindvoering door halfzus [belanghebbende5] werd uitgevoerd. Dit beeld is door de bewindvoerder tijdens de zitting in hoger beroep bevestigd.
Voor het hof is op grond van het dossier en de toelichting tijdens de zitting nog veel onduidelijk over hoe de familie van de rechthebbende met het vermogen van de rechthebbende omgaat. Ook de rekening en verantwoording over het jaar 2022 en de op verzoek van de kantonrechter door halfzus [belanghebbende5] gegeven nadere toelichtingen roepen bij het hof nog de nodige vragen op. Bovendien is gebleken dat er rechtszaken lopen over het Persoonsgebonden Budget (PGB) van de rechthebbende. Het hof ziet, evenals de bewindvoerder en de kantonrechter, aanwijzingen in het dossier dat het PGB van de rechthebbende niet op de juiste wijze wordt beheerd en besteed.
Er is sprake van een dusdanig complexe situatie, dat het hof het aangewezen acht dat de bewindvoerderstaken door een onafhankelijke, professionele bewindvoerder worden uitgevoerd.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart de rechthebbende niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.B. Kamminga, mr. J.G. Knot en mr. C. Coster, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 30 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.