ECLI:NL:GHARL:2025:8655

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
Wahv 200.354.742/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 5.18.4 Regeling voertuigen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor rijden met onvoldoende zicht door beslagen voorruit en zijruiten

De betrokkene werd bij beschikking gesanctioneerd met een boete van €280 wegens het rijden met onvoldoende zicht door beslagen voorruit en voorste zijruiten op 12 februari 2024 in Zoetermeer. De betrokkene voerde aan dat de ruiten tijdens de staandehouding vrij waren van condens en overhandigde videobeelden en foto’s ter onderbouwing.

De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. In hoger beroep bevestigde het gerechtshof deze beslissing. Het hof oordeelde dat de ambtenaar de overtreding op een andere wijze dan vanuit de bestuurderspositie kon vaststellen en dat de overgelegde beelden geen twijfel opriepen over de juistheid van de waarnemingen.

De ambtenaar had geconstateerd dat zowel de voorruit als de voorste zijruiten beslagen waren, waardoor het zicht onvoldoende was. De beelden waren gemaakt na de staandehouding en toonden deels beslagen ruiten, wat logisch was gezien het tijdsverloop en het gebruik van een raamwisser en ventilator. Het hof bevestigde dat de gedraging had plaatsgevonden en wees het beroep af.

Uitkomst: De boete voor rijden met onvoldoende zicht door beslagen voorruit en voorste zijruiten wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.354.742/01
CJIB-nummer
: 264188924
Uitspraak d.d.
: 30 december 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 19 maart 2025, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 280,- voor: “als bestuurder van een voertuig rijden terwijl er onvoldoende zicht is door voorruit en/of voorste zijruiten”. Deze gedraging zou zijn verricht op 12 februari 2024 om 07:56 uur op de Franklinstraat in Zoetermeer met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat zowel de voorruit als de zijruiten tijdens de staandehouding vrij waren van condens. Ter ondersteuning hiervan heeft de betrokkene direct een video-opname gemaakt, waarop duidelijk te zien is dat het zicht door deze ruiten niet belemmerd werd. In een situatie met vocht in het voertuig kan het voorkomen dat ramen opnieuw beslaan maar de betrokkene had hierop geanticipeerd en ervoor gezorgd dat het zicht telkens hersteld werd. Van structureel onvoldoende zicht was geen sprake. De verbalisant heeft zelf bovendien verklaard dat het raam aan de bestuurderszijde geopend was, wat uitsluit dat aan die kant sprake was van een belemmering van het zicht door condens of vocht. Bovendien heeft de verbalisant geen waarnemingen gedaan vanuit de bestuurderspositie, zodat niet objectief vastgesteld is of het zicht vanaf die plek werkelijk onvoldoende was. Enkel de achterruit bood beperkt zicht, maar daar ziet deze feitcode niet op.
Ter onderbouwing van zijn verklaring heeft de gemachtigde foto’s van de voorruit en bijrijderszijruit alsmede de genoemde videobeelden overgelegd.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens: ik zag een grijze Chevrolet Kalos rijden over de Aletta Jacobslaan en was gaande in de richting van de Willem Dreeslaan in Zoetermeer. Ik zag op de rotonde Aletta Jacobslaan en de Peursumstraat in Zoetermeer dat de bestuurder met het eerder genoemde voertuig zijn raam aan de bestuurderskant open had staan. Ik kon op dat moment de bestuurder goed zien. Ik zag dat de rest van het raam aan de bestuurderskant beslagen was en ik zag dat de bestuurder met een witte raamwisser zijn voorraam aan de binnenzijde van zijn voertuig aan het vegen was, terwijl hij over de rotonde reed. Vervolgens heb ik de bestuurder weten stil te houden en ik zag dat aan de bestuurderskant en aan de bijrijderskant van het voertuig de zijramen beslagen waren. Ik had op dat moment moeite om in het voertuig te kijken.
Overtreden artikel: 5.18.4 aanhef en onder a RV. (…)
Verklaring betrokkene: het is niet anders.”
5. De gemachtigde heeft meerdere foto’s overgelegd. Eén foto laat een deel van het stuur en het dashboard van de auto zien, alsmede het onderste deel van de voorruit, tot zo’n 20 centimeter boven het stuur. Door dit deel van de voorruit, dat op dat moment niet beslagen is, is een politieauto te zien. Verder is een foto van de voorste zijruit aan de bijrijderszijde overgelegd. Het onderste deel van deze zijruit is beslagen, met sporen van condensdruppels Het zicht door de bovenste helft van deze zijruit lijkt op dat ogenblik redelijk. Op andere door de gemachtigde overgelegde foto’s zijn de achterste zijruiten te zien, die volledig beslagen zijn.
6. Op de door de gemachtigde overgelegde videobeelden is te zien dat de voorruit niet beslagen is, dat de voorste zijruiten voor een deel beslagen zijn en dat de achterste zijruit aan de bestuurderskant geheel beslagen is, terwijl te horen is dat de interieurluchtventilator hard blaast. Niet blijkt op welk tijdstip deze foto's en videobeelden zijn gemaakt.
7. De verweten gedraging is een overtreding van artikel 5.18.4, aanhef, onder a van de Regeling voertuigen (Rv). Dit artikel luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“De bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen moet:
a. voldoende zicht naar voren en opzij hebben door de voorruit en de voorste zijruiten (…)”
8. De toelichting op voornoemde regeling (gepubliceerd in Staatscourant 2011, 19193) houdt ten aanzien van dit artikel onder meer in:
“Dit artikel bepaalt dat het gezichtsveld van de bestuurder niet mag worden beperkt. Deze gebruikseis bepaalt niet in welke gevallen er nog sprake is van voldoende zicht, aangezien dit te zeer afhankelijk is van de omstandigheden van het concrete geval. Dit betekent dat het artikel met name zal worden toegepast in die gevallen waarin ernstige twijfel rijst omtrent het uitzicht van de bestuurder. Voorheen had deze gebruikseis betrekking op de lading als zichtbelemmerende factor. Het artikel is nu zodanig geformuleerd dat het ziet op elke vorm van belemmering van het zicht. Dit betekent dat het zicht van de bestuurder naast lading, ook niet beperkt mag worden door verwisselbare uitrustingsstukken, sneeuw, ijs, modder, etc.”
9. Het hof ziet in hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. Anders dan de gemachtigde stelt, kan deze gedraging ook op een andere wijze worden geconstateerd dan door plaats te nemen in het voertuig. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat hij heeft waargenomen dat zowel de voorruit als de voorste zijruiten beslagen waren, waardoor er onvoldoende zicht was. Toen de ambtenaar het voertuig voor het eerst zag, stond het raam open en kon de ambtenaar de bestuurder goed zien, bij staandehouding had de ambtenaar moeite om in het voertuig te kijken. De door gemachtigde overgelegde foto’s en videobeelden vormen evenmin aanleiding voor twijfel aan de verklaring van de ambtenaar. Op deze beelden, die na de staandehouding zijn gemaakt (volgens de berekening van de advocaat-generaal ongeveer 1,5 kilometer vanaf de plaats waar de ambtenaar het voertuig voor het eerst zag), is te zien dat een deel van de ruiten op dat moment beslagen is en dat de voorruit op dat moment vrij is van condens. Dat dit laatste het geval is, is een logisch gevolg van hetgeen de ambtenaar verklaard heeft, namelijk dat hij zag dat de bestuurder tijdens het rijden met een raamwisser de voorruit schoon veegde, de in werking zijnde interieurluchtventilator en het tijdsverloop tussen de eerste waarneming van de verbalisant, de daaropvolgende staandehouding en vervolgens het moment waarop de beelden zijn gemaakt. Het hof is dan ook van oordeel dat de gedraging is verricht.
10. Het voorgaande brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter zal worden bevestigd. Voor het toekennen van een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.