Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:8635

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
200.356.163
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afgewezen wegens onvoldoende inzicht in reëel inkomen voor wijziging kinderalimentatie

De man en vrouw zijn ouders van twee minderjarige kinderen en hebben afspraken gemaakt over kinderalimentatie. De man verzocht bij de rechtbank om verlaging van de alimentatie, wat werd afgewezen. In hoger beroep stelde hij dat zijn inkomen was gedaald en dat de alimentatie daarom moest worden aangepast.

Het hof oordeelt dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn actuele financiële situatie. Ondanks het overleggen van enkele inkomensgegevens ontbraken belangrijke stukken, zoals de aangifte inkomstenbelasting over 2024 en belastingaanslagen van voorgaande jaren. Ook gaf hij geen inzicht in de resultaten van zijn ondernemingen, waarvan er meerdere op zijn adres zijn ingeschreven.

De man heeft bovendien onvoldoende onderbouwd dat hij daadwerkelijk heeft gesolliciteerd bij andere bedrijven en kon geen duidelijkheid verschaffen over zijn ondernemingsactiviteiten. Hierdoor kon het hof zijn draagkracht niet berekenen en beoordelen of de alimentatie aanpassing vereist was.

Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af, waarmee de bestaande kinderalimentatie ongewijzigd blijft.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af wegens onvoldoende inzicht in het reële inkomen van de man, waardoor de kinderalimentatie ongewijzigd blijft.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.163
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 577687
beschikking van 30 december 2025
in de zaak van
[verzoeker](de man),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. M.T. Maanicus,
en
[verweerster](de vrouw),
die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. E. van de Burgwal.

1.Samenvatting

De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft op 25 maart 2025 de verzoeken van de man om wijziging (verlaging) van de kinderalimentatie afgewezen. Het hof beslist dat de man ook in hoger beroep onvoldoende duidelijk heeft gemaakt wat zijn reële inkomen is en laat daarom de beschikking van de rechtbank in stand.

2.De feiten

2.1.
De man en de vrouw hebben een relatie gehad. Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige1] , geboren [in] 2015 en
- [minderjarige2] , geboren [in] 2016.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen. De kinderen staan ingeschreven bij de vrouw.
2.3.
Op 30 oktober 2019 heeft de rechtbank bepaald dat de man een bedrag van € 224,- per kind per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (kinderalimentatie) van [minderjarige1] en [minderjarige2] , met ingang van de dag dat de vrouw zelfstandige woonruimte heeft.
2.4.
In het door de ouders ondertekende ouderschapsplan van februari 2020 en hebben zij afgesproken dat de man aan kinderalimentatie € 225,- per kind per maand aan de vrouw zal betalen. Deze afspraak is ook opgenomen in de meest recente versie van het ouderschapsplan van februari 2021.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De man heeft de rechtbank verzocht om de kinderalimentatie te wijzigen en te bepalen dat hij aan kinderalimentatie € 96,- per kind per maand aan de vrouw moet betalen, met ingang van 1 mei 2024. Daarnaast heeft de man verzocht om de kinderalimentatie die hij vanaf 1 mei 2024 te veel heeft betaald, te verrekenen met de toekomstige termijnen.
3.2.
De rechtbank heeft op 25 maart 2025 de verzoeken van de man afgewezen.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. De man wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en bepaalt dat hij aan kinderalimentatie € 15,- per kind per maand aan de vrouw moet betalen, met ingang van 1 juni 2024 of een bedrag aan kinderalimentatie dat het hof juist vindt.
Daarnaast heeft de man verzocht om de kinderalimentatie die hij teveel heeft betaald, te kunnen verrekenen met de toekomstige termijnen.
4.2.
De vrouw is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Zij vraagt het hof de beslissing van de rechtbank in stand te laten.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift, ingekomen op 24 juni 2025;
- het verweerschrift;
- een bericht namens de man van 18 november 2025, met producties;
- een bericht namens de vrouw van 19 november 2025, met producties;
- een bericht namens de vrouw van 21 november 2025, met producties;
- een bericht namens de vrouw van 25 november 2025, met een productie;
- een bericht namens de man van 26 november 2025, met een productie.
4.4.
De zitting bij het hof was op 28 november 2025. Aanwezig waren:
-de man met zijn advocaat;
- de vrouw met haar advocaat.

5.Het oordeel van het hof

Wat in de wet staat
5.1.
De man en de vrouw verschillen van mening over de vraag of er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), waardoor de kinderalimentatie ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen en moet worden gewijzigd.
De standpunten van de man en de vrouw
5.2.
De man voert aan dat het inkomen van beide partijen is gewijzigd ten opzichte van 2018, waardoor een herberekening kan worden gemaakt. Met de ingediende stukken had de rechtbank het verzoek van de man inhoudelijk kunnen beoordelen. In hoger beroep heeft de man zijn inkomensgegevens over meerdere jaren, waaronder die van 2024, overgelegd. Er zijn ook in hoger beroep voldoende financiële gegevens door hem verstrekt op basis waarvan een herberekening van zijn draagkracht kan worden gemaakt. Uit een herberekening volgt dat de geldende kinderalimentatie niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet en verlaagd moet worden.
5.3.
De vrouw voert aan dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er onvoldoende inkomensstukken aanwezig waren en dat het daarom niet mogelijk was om een alimentatieberekening te maken. Hoewel de man in hoger beroep wat meer inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie over de afgelopen jaren, ontbreken nog altijd relevante inkomensstukken en gegevens die zien op de (ook nog sinds de bestreden beschikking nieuw gestarte) ondernemingen van de man.
Het oordeel van het hof
5.4.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat niet kan worden beoordeeld of de wijziging van omstandigheden zodanig is dat de huidige kinderalimentatie niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Het hof sluit aan bij de overwegingen van de rechtbank en voegt daar het volgende aan toe.
5.5.
De man heeft aangevoerd dat het inkomen van de vrouw is gestegen en dat daarom een herberekening van de kinderalimentatie moet worden gemaakt. Daarnaast stelt de man dat zijn draagkracht zodanig is verminderd dat hij niet langer aan zijn kinderalimentatieverplichting kan voldoen. De man heeft in hoger beroep een aantal stukken ingediend: de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2021 tot en met 2023, een aantal uitkerings- en salarisspecificaties, de jaaropgaven over 2023 en 2024 en schuldenoverzichten. De man heeft echter de aangifte inkomstenbelasting over 2024 niet aangeleverd, zodat geen volledig beeld wordt gegeven van de inkomsten situatie van de man.
Belastingaanslagen over de afgelopen jaren ontbreken. Waarom die niet zijn overgelegd, heeft de man niet toegelicht. Er is voorts geen enkele inzage in het resultaat van zijn ondernemingen. De man heeft geen stukken ingediend over de verschillende ondernemingen die op het adres van de man staan ingeschreven. Het is de vrouw geweest die een uittreksel van de Kamer van Koophandel over de vele ondernemingen van de man heeft aangeleverd. De man heeft zelf geen inzage gegeven in de activiteiten van de ondernemingen en heeft geen uitleg gegeven over de structuur van deze ondernemingen. Hij heeft deze informatie kennelijk welbewust achtergehouden, terwijl het geschil tussen de partijen met name gaat over de (neven)inkomsten van de man. Gelet op het verzoek van de man had het op zijn weg gelegen om deze informatie aan te leveren en te onderbouwen waarom hij geen draagkracht heeft. Op grond van artikel 21 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is hij ook verplicht om dat te doen.
5.6.
De man voert aan dat hij de afgelopen maanden bij verschillende bedrijven heeft gesolliciteerd, maar heeft dit niet onderbouwd. De enige onderbouwing is een e-mail van de advocaat van de man aan zichzelf, met daarin de namen van de bedrijven en bijbehorende functie waarop de man zou hebben gesolliciteerd. Er zijn geen stukken van het UWV over de sollicitaties overgelegd of bevestigingen van sollicitatiegesprekken. Het hof kan hieruit niet afleiden dat de man daadwerkelijk bij bedrijven heeft gesolliciteerd. Daar komt bij dat de man heeft verklaard dat de vier ondernemingen die hij dit jaar, en ook na de bestreden beschikking, heeft opgericht, zijn gestart met het oog op de toekomst. Een businessplan ontbreekt en de man kon over zijn ondernemingsactiviteiten bij de zitting weinig duidelijkheid verschaffen. Het draaiende houden van vier nieuwe ondernemingen, naast drie andere ondernemingen waarvan de man (indirect) eigenaar is, laat zich - nu een nadere toelichting daarop door de man ontbreekt - moeilijk rijmen met werken bij een organisatie in loondienst. De zeer summiere, en niet onderbouwde, verklaring daarover van zijn (volgens de man nieuwe) financieel adviseur maakt dit niet anders.
5.7.
De man heeft - zowel bij de rechtbank als in hoger beroep - nagelaten om voldoende duidelijkheid te geven over zijn reële inkomen en de activiteiten van zijn ondernemingen. Het hof kan daarom de draagkracht van de man niet berekenen en niet beoordelen of de huidige kinderalimentatie niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Het hof wijst daarom de verzoeken van de man af.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van
25 maart 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os - ten Have, M.H.F. van Vugt en
C.M. Schönhagen, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025.