ECLI:NL:GHARL:2025:8576

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
200.356.789
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over ontruiming van transformatorstation in verband met nieuwbouwplannen

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 23 december 2025 uitspraak gedaan in een hoger beroep dat was ingesteld door Stichting DSV tegen Liander N.V. DSV, een organisatie die diensten verleent op het gebied van wonen, welzijn en zorg, had een kort geding aangespannen om Liander te dwingen een transformatorstation te ontruimen dat zich bevond op een terrein dat DSV wilde slopen voor nieuwbouw. DSV had eerder een melding gedaan voor de verplaatsing van het transformatorstation, maar Liander gaf aan dat dit niet voor 2027 kon worden uitgevoerd. DSV vorderde dat Liander het transformatorstation binnen 30 dagen na het vonnis zou ontruimen, maar de voorzieningenrechter had deze vordering afgewezen. In hoger beroep heeft het hof geoordeeld dat DSV geen redelijke opzegtermijn in acht had genomen en dat de belangenafweging in het voordeel van Liander uitviel. Het hof bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelde DSV tot betaling van de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.356.789
zaaknummer rechtbank 451764
arrest in kort geding van 23 december 2025
in de zaak van
Stichting DSV
die is gevestigd in Katwijk
hierna: DSV
advocaat: mr. P.D. van der Kooi
tegen
Liander N.V.
die is gevestigd in Arnhem
hierna: Liander
advocaat: mr. R.L. Fabritius.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
DSV heeft een appeldagvaarding tevens memorie van grieven genomen, en Liander een memorie van antwoord. Op 10 december 2025 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal (een verslag) gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd. Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De achtergrond van de zaak

2.1
DSV verleent diensten op het gebied van wonen, welzijn en zorg binnen de gemeente Katwijk en Lisse. Liander is een netbeheerder. DSV is in 2006 eigenaar geworden van een pand waarin een (verouderd) verzorgingstehuis was gevestigd. DSV wil nieuwbouw realiseren en heeft de bewoners van het verzorgingstehuis in tijdelijke huisvesting ondergebracht. In het najaar van 2025 is het pand gesloopt, behalve een transformatorstation van Liander dat zich in het pand bevond. Het transformatorstation voorziet, naast (indertijd) het verzorgingstehuis, ook 68 omliggende woningen van elektriciteit.
2.2
DSV is in 2023 in gesprek gegaan met Liander over de afsluiting en verplaatsing van het transformatorstation in verband met de sloop van het pand, en heeft op 18 juni 2024 een melding op het webportaal ‘Mijnaansluiting.nl’ gedaan dat het transformatorstation moet worden verplaatst in verband met sloopwerkzaamheden en dat de verwachte startdatum van de werkzaamheden 1 april 2025 was. In oktober 2024 heeft Liander laten weten dat het om een wijktrafo gaat (een algemeen voedingspunt mede voor panden/woningen in de omgeving) en, na een opname van het pand, dat de werkzaamheden in het eerste kwartaal van 2027 kunnen worden uitgevoerd. Bij e-mailbericht van 20 november 2024 heeft de adviseur van DSV aan Liander aangezegd dat het pand op 30 april 2025 wordt gesloopt en dat Liander het transformatorstation diende af te sluiten met verwijdering van haar eigendommen. In december 2024 heeft DSV Liander aansprakelijk gesteld voor de schade die voortvloeit uit het niet tijdig verplaatsen van het transformatorstation. In februari 2025 heeft Liander bericht dat zij geen prioriteit kan geven aan de door DSV gewenste versnelde uitvoering van de werkzaamheden.
2.3
DSV heeft bij de voorzieningenrechter – kort gezegd – gevorderd dat Liander wordt veroordeeld om het transformatorstation af te sluiten en te ontruimen binnen 30 dagen na het te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom, en tot betaling van € 25.000 als voorschot op de schadevergoeding wegens niet tijdige ontruiming. De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. DSV heeft haar eis in hoger beroep gewijzigd in de zin dat afsluiting en ontruiming moet plaatsvinden binnen 30 dagen dan wel een door het hof te bepalen termijn.

3.Het oordeel van het hof

3.1
Het hof zal oordelen dat het hoger beroep niet slaagt, en zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Dat wordt hierna uitgelegd. De grieven (bezwaren) zullen daarbij thematisch worden behandeld.
Spoedeisend belang
3.2
Om een kort geding te kunnen voeren is spoedeisendheid vereist. Het hof is van oordeel dat de vordering van DSV ook in hoger beroep voldoende spoedeisend is. Zolang het transformatorstation niet is afgesloten en ontruimd (zodat het kan worden gesloopt) kan DSV niet op die plaats starten met de nieuwbouw. Volgens DSV betekent (verder) uitstel ook dat zij met stijgende bouwkosten wordt geconfronteerd en inkomsten zal mislopen.
Redelijke opzegtermijn?
3.3
Tussen partijen is ook in hoger beroep niet in geschil dat het gebruik van de transformatorruimte door Liander plaatsvindt op basis van een (mondelinge) duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan, waarbij niet is voorzien in een regeling voor beëindiging of opzegging. Partijen zijn het er ook over eens dat deze overeenkomst in beginsel opzegbaar is, [1] en dat DSV een zwaarwegende grond heeft voor opzegging. Het geschil spitst zich toe op de vraag of DSV een redelijke opzegtermijn in acht heeft genomen, gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder of Liander in staat is gesteld zich voor te bereiden op het eindigen van de overeenkomst.
3.4
Met de voorzieningenrechter vindt het hof voldoende aannemelijk dat DSV de overeenkomst met Liander op 20 november 2024 heeft opgezegd. Of de melding op het webportaal ‘Mijnaansluiting.nl’ van 18 juni 2024 heeft te gelden als een opzegging kan het hof in het midden laten. Want ook als dat zo is, heeft DSV naar voorlopig oordeel van het hof geen redelijke opzegtermijn in acht genomen. Die termijn – of deze nu ongeveer vijf maanden (opzegging op 20 november 2024 tegen 30 april 2025) of ongeveer 9,5 maanden (opzegging op 18 juni 2024 tegen 1 april 2025) is geweest – houdt onvoldoende rekening met het gebruik als wijktrafo en met het feit dat Liander de werkzaamheden niet eerder dan gepland kan (laten) uitvoeren. Dat legt het hof hierna uit.
3.5
Tussen partijen is niet in geschil dat in geval van afsluiting en verwijdering van het transformatorstation, de continuïteit van de elektriciteitsvoorziening van de omliggende 68 woningen moet worden gewaarborgd. Voldoende aannemelijk is dat daarom eerst een nieuw transformatorstation zal moeten worden geplaatst en aangesloten, voordat kan worden overgegaan tot afsluiting en ontruiming van het huidige transformatorstation. DSV verwijt Liander dat zij haar pas in oktober 2024 op de hoogte heeft gesteld van het feit dat het niet om een klanttrafo gaat, maar om een wijktrafo. Het hof kan dit verwijt echter niet goed plaatsen. Toen DSV opzegde op 20 november 2024 en op dat moment hoe dan ook wist van de wijktrafo, heeft zij tegenover Liander vastgehouden aan slopen in april 2025 (zij het tegen eind april in plaats van begin april zoals in de melding op het webportaal). Daarbij volgt uit de stellingen van beide partijen dat het transformatorstation in ieder geval sinds 1984 feitelijk de functie vervult van wijktrafo. Toen werden de eerste zorgwoningen gebouwd die destijds behoorden bij de zorginstelling en zijn aangesloten op het inpandige transformatorstation. Daar zijn in het begin van de jaren negentig nog meer zorgwoningen bijgekomen. In 2002 zijn alle zorgwoningen van de hand gedaan aan een woningcorporatie, zonder dat de functie van het transformatorstation is gewijzigd. Dat bleef zo nadat DSV in 2006 het pand verwierf. Het (enkele) feit dat de bewoners van de zorgwoningen sinds 2002 eigen energiecontracten hebben, betekent niet dat DSV geen enkel idee had of had kunnen hebben van wat zich in de transformatorruimte bevond.
3.6
Sinds 2018 heeft DSV plannen voor sloop en nieuwbouw. Het gaat om een omvangrijk project, waarbij (na de sloop) 110 wooneenheden speciaal voor bewoners met dementie, een hospice met zes wooneenheden, dagbesteding voor vijftien cliënten en het hoofdkantoor van DSV zullen worden gerealiseerd. Volgens DSV vraagt het hele project om een strakke planning, aangezien de nieuwbouw uiterlijk eind 2027 moet worden opgeleverd. Tegen die tijd vervalt de vergunning voor de tijdelijke wooneenheden waarin (sinds 2019) alle bewoners zijn opgevangen, en ook garandeert de gemeente na 2027 geen financiering meer, aldus DSV. Het hof is voorshands van oordeel dat tegen deze achtergrond van DSV een meer proactieve houding verwacht had mogen worden, in de zin dat DSV in een vroeg, althans eerder stadium informatie had moeten inwinnen bij Liander over het inpandige transformatorstation. DSV wist immers dat dit moest worden verplaatst en tot die tijd aan haar sloop- en nieuwbouwplannen in de weg stond, en zij heeft daar zelf geen toegang toe. Daargelaten of aan de buitenkant zichtbaar is dat het een wijktrafo betreft (partijen verschillen daarover van mening), ziet het hof niet in waarom Liander eerder uit eigen beweging contact had moeten opnemen met DSV over het transformatorstation.
3.7
Bovendien heeft DSV, tegenover de gemotiveerde betwisting van Liander, in het kader van dit kort geding onvoldoende toegelicht dat het plaatsen van een nieuw transformatorstation en het afsluiten en ontruimen van het huidige station technisch en organisatorisch veel sneller kan worden uitgevoerd dan volgens de planning van Liander. De e-mailberichten van andere aannemers, waar DSV naar verwijst, overtuigen niet. Daarin worden slechts algemene indicaties van doorlooptijden genoemd, met slagen om de arm, en zonder dat op de kenmerken van het onderhavige project wordt ingegaan. Liander heeft genoegzaam toegelicht dat hier sprake is van een combiproject (gas, water en elektra) waarvoor een combi-aannemer is aangesteld om te voorkomen dat de grond telkens op andere momenten moet worden opengehaald. Deze combi-aannemer had als eerste plek in de planning. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met (een termijn voor) engineering, die niet enkel tijdens de voorbereiding, maar ook tijdens de daadwerkelijke uitvoering van het werk plaatsvindt. Verder heeft Liander een grote stapel andere projecten liggen, die eveneens van belang zijn en die Liander niet zomaar anders kan prioriteren. Het hof is voorshands van oordeel dat DSV overvraagt, waar zij in wezen van Liander verwacht om speciaal voor haar een andere aannemer in te schakelen in een combiproject.
3.8
Daar komt nog bij dat Liander in september 2025, na een positief bericht van de constructeur en (interne) beoordeling bij de afdeling schadepreventie, onder voorwaarden alsnog akkoord is gegaan met gefaseerde sloopmaatregelen, die in overleg tussen partijen zijn uitgevoerd. Dat heeft DSV tijdwinst opgeleverd. Het mag zo zijn dat voor DSV de meer principiële of juist meer rekkelijke opstelling van Liander soms moeilijk is te doorgronden, maar dat betekent nog niet dat minder gewicht moet toekomen aan de belangen van Liander waar het gaat om de redelijkheid van de door DSV gehanteerde opzegtermijn.
Belangenafweging
3.9
Op grond van al het voorgaande valt ook de belangenafweging uit in het voordeel van Liander. Daar komt nog bij dat Liander heeft betwist dat DSV belang heeft bij versnelling van de planning omdat zij nog helemaal niet met bouwen kan beginnen. Het hof constateert dat DSV geen toelichting of onderbouwing heeft gegeven over de (huidige) status van de bouw. Ter zitting bij het hof heeft DSV gesteld: “
meervoudige onderhandse aanbesteding gehouden, selectie aannemer en gunning in januari/februari, dan palen de grond in”. Die bewering is niet onderbouwd. Dat er al een aannemer zou zijn geselecteerd die klaarstaat om in januari 2026 met heien te beginnen, zoals de adviseur van DSV nog heeft verklaard ter zitting bij het hof, is evenmin onderbouwd en valt niet te rijmen met selectie en gunning in januari/februari. Uitgaande van de planning die Liander inmiddels bestendig aan DSV heeft afgegeven om in week 11 van 2026 te beginnen met de werkzaamheden – waarvan de uitvoering naar verwachting ongeveer drie weken in beslag zal nemen, zoals is bevestigd ter zitting – is het hof niet duidelijk welk (concreet en voldoende zwaarwegend) belang DSV op dit moment heeft bij het naar voren halen van die planning.
3.1
Wat verder nog is aangevoerd door partijen behoeft geen bespreking. Aan bewijslevering komt het hof niet toe, omdat dit kort geding zich naar zijn aard daarvoor niet leent. Een uitzondering hierop is niet aan de orde.
3.11
De slotsom luidt dat Liander niet gehouden is om binnen 30 dagen na arrestdatum over te gaan tot afsluiting en ontruiming van het huidige transformatorstation. Bij gebrek aan een redelijke opzegtermijn en een onderbouwd belang aan de kant van DSV ziet het hof ook geen aanleiding of ruimte om zelf een (andere) termijn te stellen. De vordering van een voorschot op schadevergoeding strandt in het kielzog van het voorgaande.
De conclusie
3.12
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat DSV in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof DSV tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.

4.De beslissing

Het hof:
4.1
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 18 juni 2025;
4.2
veroordeelt DSV tot betaling van de volgende proceskosten van Liander:
€ 2.255 aan griffierecht
€ 3.142 aan salaris van de advocaat van Liander (2 procespunten x appeltarief III)
4.3
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.R. den Dekker, H.L. Wattel en N.M. Brouwer, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.

Voetnoten

1.Vgl. o.a. Hoge Raad 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141 (r.o. 3.6.2).