ECLI:NL:GHARL:2025:8553

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
200.360.697/01 en 200.360.697/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarig kind na zorgen over opvoedvaardigheden van de moeder

In deze zaak heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, op 3 oktober 2025 een machtiging verleend voor de uithuisplaatsing van het kind [naam1] tot 12 februari 2026. De moeder, die het niet eens is met deze beslissing, heeft hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof heeft op 23 december 2025 de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd, omdat de moeder zich niet aan afspraken met de hulpverlening houdt en er onvoldoende zicht is op haar opvoedvaardigheden. De moeder heeft een verleden van persoonlijke problematiek en heeft meerdere hulpverleningstrajecten niet succesvol doorlopen. Het hof oordeelt dat de belangen van [naam1] voorop staan en dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk blijft. De moeder heeft tijdens de zitting aangegeven open te staan voor een verblijf in een moeder- en kindhuis, maar het hof benadrukt dat er eerst zicht moet komen op haar opvoedvaardigheden voordat dit kan plaatsvinden. De beslissing van het hof houdt in dat de moeder niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van de kinderrechter, en dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.360.697/01 en 200.360.697/02
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 201810)
beschikking van 23 december 2025
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. I.W. van Dijk te Leeuwarden,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering(de GI),
gevestigd te Groningen,
verweerster in hoger beroep.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft een machtiging verleend om [naam1] uit huis te plaatsen tot 12 februari 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
[naam1] is het kind van de moeder. [naam1] is geboren [in] 2025. De moeder is sinds haar achttiende verjaardag belast met het ouderlijk gezag over [naam1] .
2.2.
[naam1] staat sinds zijn geboorte onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling duurt tot 12 februari 2026.
2.3.
[naam1] woonde tot de uithuisplaatsing met de moeder bij de oma moederszijde. [naam1] woont nu bij de pleegouders.
2.4.
De moeder heeft nog een zoon, [naam2] , die nu 2 jaar is. De GI is sinds 28 juli 2023 belast met de voogdij over [naam2] en hij verblijft sinds december 2023 in een pleeggezin.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht om [naam1] uit huis te mogen plaatsen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de GI gemachtigd om [naam1] uit huis te plaatsen tot 12 februari 2026.
3.3.
De kinderrechter heeft ook beslist dat de machtiging uithuisplaatsing mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard).
3.4.
Die beslissingen zijn vastgelegd in een beschikking van 3 oktober 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moederis het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. De moeder wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt. De moeder heeft tijdens de zitting het verzoek, om de beslissing van de kinderrechter te schorsen in afwachting van de procedure bij het hof, ingetrokken.
4.2.
De GIwil dat de beslissing van de kinderrechter in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift;
  • de stukken van de moeder, van 31 oktober 2025 en 6 november 2025;
  • het verweerschrift.
4.4.
De zitting bij het hof was op 10 december 2025. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat;
  • twee vertegenwoordigers van de GI;
  • [naam3] (de oma moederszijde), die door het hof in deze procedure als informant is aangemerkt.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan de GI een machtiging geven om [naam1] uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van [naam1] of voor onderzoek naar [naam1] .
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
De machtiging tot uithuisplaatsing is naar het oordeel van het hof terecht door de kinderrechter aan de GI gegeven, omdat [naam1] nog niet thuis kan wonen. De beslissing van de kinderrechter zal in stand blijven (worden bekrachtigd).
5.3.
Voordat [naam1] uit huis werd geplaatst, waren er veel zorgen over de moeder en de opvoedsituatie van [naam1] bij haar. De moeder heeft persoonlijke problematiek op het gebied van emotieregulatie en een turbulente relatie met de oma moederszijde (bij wie zij woont). Daarnaast heeft de moeder in haar jonge leven al erg veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt, waardoor zij trauma’s heeft opgelopen. Er zijn zorgen over de invloed van deze trauma’s op de emotionele beschikbaarheid van de moeder voor [naam1] . Om zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de moeder en haar thuissituatie zijn vanaf de geboorte van [naam1] verschillende vormen van intensieve ambulante hulpverlening ingezet. Direct na de geboorte was BabythuisZorg actief om te onderzoeken in hoeverre het de moeder lukte om zelf voor [naam1] te zorgen. Dit traject is voortijdig beëindigd, omdat de moeder zich niet aan de vooraf gemaakte afspraken hield, vaak in bed bleef liggen op de momenten dat BabythuisZorg bij haar langs kwam en maar beperkt in contact was met de zorgverleners. Vervolgens raakte Kort & Krachtig betrokken om onderzoek te doen naar de opvoedsituatie. Ook Kort & Krachtig is voortijdig beëindigd. Het traject is niet van de grond gekomen, omdat de moeder veel afspraken afzegde en niet in staat was om tijdens de afspraken die wel doorgingen te doen wat het traject en de coaches van Kort & Krachtig van haar verlangden. Anders dan de moeder ter zitting van het hof heeft verklaard, is gebleken dat ook het huidige traject bij Feel Jeugd en Gezin om dezelfde redenen uiterst moeizaam verloopt. Uit de verslagen van de trajecten volgt dat het niet of nauwelijks lukt om een samenwerkingsrelatie met de moeder op te bouwen. De moeder zegt geregeld afspraken af of blijft tijdens een huisbezoek boven in haar slaapkamer. Tijdens de afspraken, waarbij de moeder wel aanwezig is, lukt het haar niet om zich open te stellen en voldoende gemotiveerd met de geboden hulp aan de slag te gaan. Daarnaast laat de moeder in de hulpverleningstrajecten zelfbepalend gedrag zien: ze wil alleen op haar eigen manier en onder haar eigen voorwaarden meewerken aan de hulpverlening. De moeder lijkt daarmee niet in te zien dat [naam1] vanwege zijn jonge leeftijd voor zijn veiligheid en verzorging volledig afhankelijk is van zijn opvoeder en dat er daarom zicht moeten komen of de moeder zelf voor [naam1] kan zorgen. Niet de wensen van de moeder, maar de belangen van [naam1] moeten centraal staan bij de hulpverlening.
5.4.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder verklaard dat zij inmiddels open staat voor een verblijf in een moeder- en kindhuis, zodat volgens haar een machtiging tot uithuisplaatsing niet langer nodig is. Zij heeft verklaard dat zij naar een moeder- en kindhuis in Groningen wil en dat zij daar in de zelfstandige groep wil wonen. Het hof deelt het standpunt van de GI dat een plaatsing in het moeder-kindhuis in eerste instantie via de gezamenlijke zorggroep moet. Er is namelijk nog altijd geen zicht op de opvoedvaardigheden van de moeder en dit moet worden verkregen op de gezamenlijke zorggroep, voordat de moeder kan doorgroeien naar een zelfstandige groep. Ook zal de moeder in de aankomende periode behandeling moeten krijgen voor haar traumagerelateerde klachten. Dat zal haar extra kwetsbaar maken. Ook dat maakt dat het van groot belang is dat er voldoende zicht blijft op [naam1] en de moeder, en dat kan alleen via de gezamenlijke zorggroep. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder duidelijk gemaakt dat zij dat niet wil. Nu uit het voorgaande blijkt dat [naam1] nu niet bij de moeder thuis kan wonen en het maar de vraag is of er een verblijf in een moeder- en kindhuis zal komen, is een machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk. Overigens staat de machtiging tot uithuisplaatsing er niet aan in de weg dat de moeder alsnog met [naam1] in een moeder- en kindhuis wordt geplaatst, maar het hof benadrukt dat een verblijf van de moeder met [naam1] in een moeder- en kindhuis wel moet plaatsvinden onder de voorwaarden die de GI in het belang van [naam1] daaraan stelt.

6.De beslissing

Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 3 oktober 2025;
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 3 oktober 2025 over de machtiging tot uithuisplaatsing van
[naam1];
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.F. Veenstra, mr. C. Coster en mr. M. Kemmers, bijgestaan door mr. S. van der Meer als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op
23 december 2025.