ECLI:NL:GHARL:2025:8546

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
200.360.369/01 en 200.360.369/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Brussel II-terArt. 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging uithuisplaatsing kinderen bij vader wegens emotionele mishandeling door moeder

De kinderrechter heeft op 12 september 2025 met spoed de uithuisplaatsing van twee kinderen bevolen, gevolgd door een machtiging voor vijf maanden. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissingen, maar het hof oordeelt dat de kinderrechter terecht heeft gehandeld.

De kinderen verblijven sinds de uithuisplaatsing bij de vader in een gezinsgerichte accommodatie. De GI en hulpverleners constateerden ernstige zorgen over de thuissituatie bij de moeder, die ondanks hulpverlening weerstand bood. De moeder en haar netwerk oefenden druk uit op de kinderen en de GI om het contact met de vader te beperken, wat het hof kwalificeert als emotionele mishandeling.

De situatie escaleerde zodanig dat politie-assistentie nodig was tijdens een begeleid contactmoment. Het hof stelt vast dat er direct en ernstig gevaar was voor de kinderen bij terugkeer naar de moeder. De machtigingen tot uithuisplaatsing zijn daarom terecht verleend en worden bekrachtigd. Het contact tussen vader en kinderen verloopt inmiddels goed en onbelast.

Het hof verklaart het verzoek van de moeder tot schorsing van de uitvoerbaarheid niet-ontvankelijk en wijst het meer of anders verzochte af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader en wijst het hoger beroep van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.360.369/01 en 200.360.369/02
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 248128)
beschikking van 23 december 2025
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. J. Sinnema te Heerenveen.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen(de GI),
gevestigd te Groningen,
en
[naam1](de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. J.G. Brands te Drieborg.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft [naam2] en [naam3] (met spoed) uit huis geplaatst met ingang van 12 september 2025 tot
10 oktober 2025. Daarna is aan de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend in een gezinsgerichte accommodatie voor de duur van vijf maanden. Het hof beslist dat de kinderrechter een juiste beslissing heeft genomen en dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben twee kinderen, [naam2] en
[naam3] . [naam2] is geboren [in] 2019. [naam3] is geboren [in] 2020.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
2.3.
De kinderen staan onder toezicht van de GI. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de moeder. De kinderen wonen nu met de vader in een gezinsgerichte accommodatie.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht de kinderen (met spoed) uit huis te mogen plaatsen.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen. De kinderrechter heeft de GI eerst gemachtigd om de kinderen met spoed uit huis te plaatsen met ingang van 12 september 2025 tot 10 oktober 2025. Daarna heeft de kinderrechter de GI gemachtigd om de kinderen, aansluitend op de spoedmachtiging, uit huis te plaatsen voor de duur van vijf maanden.
3.3.
De kinderrechter heeft ook beslist dat de machtiging uithuisplaatsing mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard).
3.4.
De beslissingen zijn vastgelegd in beschikkingen van 12 september 2025 (de spoedmachtiging) en 8 oktober 2025 (de daaropvolgende uithuisplaatsing).

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moederis het niet eens met de beslissingen van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissingen van de kinderrechter ongedaan maakt. De moeder heeft tijdens de zitting het verzoek om de beslissing van 8 oktober jl. te schorsen in afwachting van de procedure bij het hof ingetrokken.
4.2.
De vaderis het wel eens met de beslissingen van de kinderrechter. Hij wil dat het hof de beslissingen van de kinderrechter in stand laat.
4.3.
De GIwil dat de beslissingen in stand blijven.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift;
  • de stukken van de moeder, ingediend op 20 oktober 2025, 30 oktober 2025,
  • de brief van de raad van 28 oktober 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting.
4.5.
De zitting bij het hof was op 10 december 2025. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de GI;
  • de vader met zijn advocaat.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een (spoed)machtiging geven om de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen. Een machtiging om de kinderen met spoed uit huis te plaatsen kan alleen worden gegeven als de behandeling van het verzoek ter zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de kinderen.
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
Omdat de vader de Ghanese nationaliteit heeft, moet het hof eerst beoordelen of de Nederlandse rechter mag beslissen over de uithuisplaatsing van [naam2] en [naam3] . Nu de gewone verblijfplaats van [naam2] en [naam3] in Nederland is, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 Brussel Pro II-ter rechtsmacht toe en kan de rechter op dit verzoek beslissen.
5.3.
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is in deze zaak. Op grond van artikel 15 lid 1 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht van toepassing op het verzoek, omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.
5.4.
De machtiging voor de spoeduithuisplaatsing van de kinderen liep tot 10 oktober 2025 en is dus al verlopen. Toch moet het hof nog toetsen of de machtiging wel mocht worden gegeven.
5.5.
De kinderrechter heeft terecht de machtiging aan de GI gegeven. De kinderen konden tot 10 oktober 2025 niet thuis wonen. De beslissing van de kinderrechter zal in stand blijven (worden bekrachtigd).
5.6.
De GI heeft al langere tijd zorgen over de thuissituatie en de opvoedvaardigheden van de moeder. Hulp is ingezet, maar komt niet goed van de grond door weerstand van de moeder. Ook wordt door de GI en diverse hulpverleningsinstanties gewerkt aan de opbouw van het contact tussen de vader, [naam2] en [naam3] . Het is in het belang van [naam2] en [naam3] dat zij op een fijne en onbelaste wijze contact kunnen hebben met de vader. Door de GI is veel gedaan om rekening te houden met de bezwaren en zorgen van de moeder. Zo is de omgang met de vader door verschillende professionele instanties begeleid en heeft de GI contact opgenomen met de politie voor een risicotaxatie. Ondanks dat er geen zorgen over of risico’s voor onveiligheid zijn geconstateerd, blijft de weerstand bij de moeder onverminderd hoog. De weerstand bij de moeder en haar netwerk maakt de contactmomenten een grote bron van strijd en conflict, wat uitermate schadelijk is voor de kinderen. Niet alleen maakt de moeder het haast onmogelijk om een contactmoment te plannen, maar uit zij zich voorafgaand en tijdens de contactmomenten ook dreigend richting de GI en de vader. [naam2] en [naam3] zijn daar getuige van geweest en zijn door de moeder en de oma van moederzijde onder druk gezet om zich te verzetten tegen de omgang. Het hof is van oordeel dat de druk afkomstig vanuit de moeder (en haar netwerk) gekwalificeerd kan worden als emotionele mishandeling. Tijdens het laatste begeleide omgangsmoment is de situatie dermate ernstig geëscaleerd dat de politie assistentie heeft verleend. Net als de kinderrechter is het hof van oordeel dat er direct en ernstig gevaar was voor de kinderen als zij weer terug zouden gaan naar de moeder (en haar netwerk) waar op dat moment een ernstige dreiging en druk van uitging. Het was in het belang van [naam2] en [naam3] noodzakelijk dat zij uit huis zouden worden geplaatst om hen uit de voor hen belastende situatie te halen.
5.7.
De daaropvolgende machtiging voor de uithuisplaatsing van de kinderen loopt tot
10 maart 2025.
5.8.
Ook deze machtiging is terecht aan de GI gegeven, omdat de kinderen nog niet thuis kunnen wonen. De beslissing van de kinderrechter zal in stand blijven (worden bekrachtigd).
5.9.
Sinds de uithuisplaatsing verblijven [naam2] en [naam3] met de vader, die samen met de moeder met het gezag over de kinderen is belast, doordeweeks in een gezinsgerichte accommodatie van Zorg Anders. Sinds kort verblijven ze met de vader in het weekend in de woning van de vader. Het gaat goed met [naam2] en [naam3] sinds de uithuisplaatsing. Gezien wordt dat de kinderen plezier hebben en vrolijk zijn. De vader geeft [naam2] en [naam3] emotionele toestemming voor het contact met de moeder. Het contact loopt goed en onbelast. Tijdens de mondelinge behandeling is door de GI verklaard dat er op korte termijn een eindevaluatie van het traject bij Zorg Anders zal volgen. Het eindverslag zal voor de GI belangrijk zijn bij de beslissing over waar [naam2] en [naam3] zouden moeten opgroeien. Het is aan de GI om dan ook te beoordelen of de huidige machtiging tot uithuisplaatsing nog passend is.

6.De beslissing

Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 8 oktober 2025;
bekrachtigt de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 12 september 2025 en 8 oktober 2025 over de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [naam2] en [naam3]
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. M.A.F. Veenstra en mr. M. Kemmers, bijgestaan door mr. S. van der Meer als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op
23 december 2025.