De vader en moeder hebben gezamenlijk gezag over hun in 2013 geboren kind, die sinds september 2025 bij de vader woont onder een ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht de kinderrechter om een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader, welke door de rechtbank werd verleend tot 7 januari 2026.
De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing en wilde de machtiging beperken of ongedaan maken, terwijl de vader en GI de beslissing steunden. Het hof ontving diverse schriftelijke stukken en sprak met de minderjarige, die spanningen en beschuldigingen jegens de moeder uitte.
Het hof oordeelt dat de machtiging terecht is gegeven vanwege grote zorgen over de thuissituatie bij de moeder. De minderjarige toont spanningen in het contact met de moeder en spreekt zorgwekkend over haar, maar het hof kan niet beoordelen wat waar is. De situatie bij de vader lijkt veilig en de minderjarige ontspant zich daar.
Het hof benadrukt dat de GI een taak heeft om contactherstel tussen moeder en kind te bevorderen en de moeder te ondersteunen, wat tot nu toe onvoldoende is gebeurd. Het lopende zedenonderzoek bij de politie blijft onzeker voor de toekomst. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd en het hof zal de minderjarige schriftelijk informeren over de uitkomst.