ECLI:NL:GHARL:2025:8520

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
200.356.089
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Regeling van contact tussen moeder en minderjarige na wijziging van omstandigheden

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 23 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep inzake de zorgregeling tussen een moeder en haar minderjarige kind, [minderjarige1]. De moeder, die in hoger beroep was gekomen tegen een eerdere beschikking van de kinderrechter, verzocht om een ruimere omgangsregeling. De kinderrechter had eerder een zorgregeling vastgesteld waarbij de moeder en [minderjarige1] één keer per acht weken contact hadden onder begeleiding van een medewerker van de organisatie ‘Het Opstapje’. De moeder was het niet eens met deze regeling en stelde dat de omstandigheden gewijzigd waren, wat een andere regeling rechtvaardigde.

Het hof heeft vastgesteld dat de omstandigheden sinds de eerdere beschikking aanzienlijk zijn veranderd. De moeder was in september 2025 vermist geweest en had te maken met ernstige zorgen over haar welzijn, waaronder vermoedens van drugsverslaving. De GI had het contact tussen de moeder en [minderjarige1] tijdelijk stopgezet vanwege deze zorgen. Het hof oordeelde dat de eerder vastgestelde regeling niet langer in het belang van [minderjarige1] was en heeft besloten het contact tussen de moeder en [minderjarige1] stop te zetten totdat de moeder voldoet aan de voorwaarden die door de GI worden opgesteld voor contactherstel. De beslissing van het hof is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.089
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 587426)
beschikking van 23 december 2025
inzake
[moeder],
wonende te [woonplaats1] , gemeente De Ronde Venen,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F.R.G. Drenth,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd te Utrecht,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[vader],
wonende te [woonplaats2] ,
verder te noemen: de vader.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 20 maart 2025. Deze beschikking wordt verder ook genoemd: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 20 juni 2025;
- het verweerschrift van de GI met producties;
- een bericht van de GI van 11 november 2025.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 25 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
Namens de raad voor de kinderbescherming was, met bericht vooraf, niemand aanwezig.

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van [minderjarige1] , geboren [in] 2021, over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen.
De moeder heeft ook twee andere kinderen: [minderjarige2] (11 jaar) en [minderjarige3] (8 jaar). Zij hebben een andere vader.
3.2
De kinderrechter heeft [minderjarige1] bij beschikking van 17 augustus 2022 onder toezicht gesteld tot 17 augustus 2023. De ondertoezichtstelling is daarna verlengd, voor het laatst tot 17 augustus 2026.
3.3
De kinderrechter heeft bij beschikking van 5 september 2023 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] verleend tot 3 oktober 2023. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna verlengd, voor het laatst tot 17 augustus 2026. Sinds januari 2024 woont [minderjarige1] in een gezinshuis in [woonplaats3] (‘accommodatie jeugdhulpaanbieder’).
3.4
De GI heeft op 24 december 2024 in een schriftelijke aanwijzing aan de moeder de contacten tussen de moeder en [minderjarige1] beperkt, in die zin dat de moeder en [minderjarige1] één keer per acht weken omgang hebben met elkaar voor de duur van 45 tot 60 minuten in het gezinshuis, onder begeleiding van een medewerker van de organisatie ‘Het Opstapje’.

4.De omvang van het geschil

4.1
In de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing van 24 december 2024 vervallen verklaard omdat die naar het oordeel van de kinderrechter onvoldoende was gemotiveerd.
De kinderrechter heeft, eveneens in de bestreden beschikking, op grond van artikel 1:265f lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige1] vastgesteld, inhoudende dat:
[minderjarige1] en de moeder één keer per acht weken omgang hebben voor de duur van 45 tot 60 minuten in het gezinshuis onder begeleiding van een medewerker van Het Opstapje.
Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen. Deze zorgregeling is identiek aan de regeling in de schriftelijke aanwijzing.
4.2
De moeder is het niet eens met die beslissing en is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de daarin vastgestelde omgangsregeling te vernietigen, en de door de moeder in het beroepschrift opgenomen gefaseerde omgangsregeling vast te stellen, dan wel een omgangsregeling vast te stellen die ruimer is dan de in de bestreden beschikking vastgestelde regeling.
4.3
De GI voert verweer en vraagt het hof het verzoek van de moeder af te wijzen.
Bij bericht van 11 november 2025 heeft de GI het hof verzocht om, gezien de recente ontwikkelingen rondom de zorgregeling en de toegenomen zorgen over (het welzijn en de bereikbaarheid van) de moeder, het contact tussen de moeder en [minderjarige1] stop te zetten.
4.4
De advocaat van de moeder heeft tegen het door de GI (bij bericht van 11 november 2025) gedane verzoek verweer gevoerd, omdat het te laat en voor eerst in hoger beroep is gedaan, en omdat de moeder bij het toelaten daarvan dus een (gerechtelijke) instantie zou missen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
In artikel 1:265f lid 2 BW staat dat de kinderrechter ambtshalve een zodanige regeling van het contact tussen ouder en kind kan vaststellen als de kinderrechter in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Het hof merkt op dat de rechter daarbij de vrijheid heeft om per geval te bepalen welke regeling het meest in het belang van de minderjarige is en daarbij aan te sluiten bij de (mogelijk inmiddels) gewijzigde omstandigheden van het geval. Het beperken van contact tussen ouder en kind vormt een inbreuk op het ‘family life’ en mag daarom niet verder gaan dan in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
5.2
Uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat de omstandigheden sinds de bestreden beschikking aanzienlijk zijn gewijzigd. Sinds september 2025 is er geen contact geweest tussen de moeder en [minderjarige1] . De moeder is van 12 tot 22 september 2025 vermist geweest. Een vriendin van de moeder heeft haar op 22 september 2025 opgehaald bij de politie in [plaats1] . De moeder heeft verteld dat zij was ondergedoken omdat ze werd bedreigd. In het huis waar zij door de politie is aangetroffen zijn veel drugs gevonden. Op 23 september 2025 was de moeder opnieuw vermist.
Het hof vindt dit uiterst zorgelijk. Op 26 september 2025 heeft de GI per mail aan de moeder laten weten dat het contact (zowel fysiek als telefonisch) tussen haar en [minderjarige1] (en de andere kinderen) wordt stilgelegd en dat – alvorens enig contact weer kan worden opgestart – afspraken gemaakt moeten worden. De moeder heeft op 15 oktober 2025 contact opgenomen met de GI en op 3 november 2025 gevraagd een afspraak te maken.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling verteld dat de afspraak met de moeder op 18 november 2025 was gepland. De moeder heeft deze afspraak, aldus de GI, de avond ervoor afgezegd. De GI heeft op de zitting verteld dat ze het vermoeden had dat dit mailbericht niet van de moeder zelf afkomstig was. De moeder zou ook nog in gesprek gaan met haar WMO-begeleider, maar ook die afspraak is niet doorgegaan. De GI heeft verteld dat zij zich ernstig zorgen maakt over het welzijn van de moeder en dat zij, mede op basis van informatie van de politie en van de vader van [minderjarige1] , vreest dat de moeder drugsverslaafd is.
5.3
[minderjarige1] heeft, zo blijkt uit de stukken en de toelichting van de GI, in zijn vroegere jaren onvoldoende kunnen profiteren van een beschikbare, sensitieve volwassene, als gevolg waarvan er vermoedens van trauma zijn bij [minderjarige1] . Voor [minderjarige1] is inmiddels hulpverlening ingezet gericht op klachten zoals trauma en onveilige hechting. Op dit moment is er een rustpauze ingelast om te kijken of verdere behandeling nodig is. Uit de stukken blijkt [minderjarige1] teleurgesteld is als het de moeder niet lukt om de omgangsafspraken consequent na te komen. Voor het hof is voldoende duidelijk dat [minderjarige1] gelet op wat hij in zijn vroegere jaren heeft meegemaakt, nog meer dan andere kinderen, behoefte heeft aan een betrouwbare moeder die haar afspraken nakomt en dat de moeder dat, op dit moment, niet biedt.
5.4
Het hof is van oordeel dat de in de bestreden beschikking vastgestelde regeling, gezien het voorgaande, niet (langer) in het belang van [minderjarige1] is. Het hof zal daarom op grond van artikel 1:265f lid 2 BW ambtshalve een regeling voor het contact tussen de moeder en [minderjarige1] vaststellen die het hof in zijn belang noodzakelijk vindt en waarbij wordt aangesloten bij de gewijzigde omstandigheden.
5.5
Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de daarin vastgestelde zorgregeling vernietigen en ambtshalve bepalen dat het contact tussen de moeder en [minderjarige1] wordt stopgezet tot het moment dat de moeder voldoet aan de door de GI op te stellen voorwaarden voor contactherstel. Het hof verwacht in dat kader van de GI dat zij zal overgaan tot het opstellen van concrete, duidelijke voorwaarden waaronder het contactherstel kan plaatsvinden, deze zo gauw mogelijk met de moeder zal bespreken en, zodra aan de gestelde voorwaarden is voldaan, het contact tussen de moeder en [minderjarige1] op een voor [minderjarige1] veilige en verantwoorde wijze weer zal opstarten.
5.6
De GI heeft bij bericht van 11 november 2025 verzocht om het contact tussen de moeder en [minderjarige1] (voorlopig) stop te zetten, tegen welk verzoek de advocaat van de moeder zich heeft verweerd.
Omdat het hof ambtshalve een beslissing neemt over de zorgregeling – welke beslissing gelijkluidend is aan het verzoek van de GI – zal het hof (de toelaatbaarheid van) het bij bericht van 11 november 2025 gedane verzoek van de GI niet bespreken.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 20 maart 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat het contact tussen de moeder en [minderjarige1] wordt stopgezet tot het moment dat de moeder voldoet aan de door de GI op te stellen voorwaarden voor contactherstel;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, P.B. Kamminga en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier, en is op 23 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.