ECLI:NL:GHARL:2025:8517

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
200.354.923
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging van partneralimentatie in hoger beroep met betrekking tot behoeftigheid en draagkracht

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 23 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de wijziging van partneralimentatie. De man, verzoeker in hoger beroep, heeft het hof verzocht om de partneralimentatie te verlagen, terwijl de vrouw, verweerster, verzocht om de bestreden beschikking van de rechtbank Gelderland te bekrachtigen. De rechtbank had eerder, op 24 februari 2025, het verzoek van de man om de partneralimentatie te wijzigen afgewezen. De man heeft aangevoerd dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, onder andere door de meerderjarigheid van hun dochter en zijn terugval in inkomen door ziekte. Het hof heeft vastgesteld dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw niet in geschil is en dat de man, ondanks zijn terugval in inkomen, in staat is om een aangepaste partneralimentatie te betalen. Het hof heeft besloten dat de man met ingang van 1 januari 2026 een partneralimentatie van € 1.169,- bruto per maand moet betalen, en met ingang van 1 juni 2026 een bedrag van € 1.482,- bruto per maand. De beslissing van het hof houdt rekening met de behoeftigheid van de vrouw en de draagkracht van de man, waarbij het hof ook de gevolgen van de alimentatieverplichting voor beide partijen in overweging heeft genomen. De proceskosten zijn gecompenseerd, wat betekent dat elke partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.923
(zaaknummer rechtbank Gelderland 440781)
beschikking van 23 december 2025
inzake
[verzoeker],
wonende in [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. C. Simmelink,
en
[verweerster],
wonende in [woonplaats1] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. E.C. Schurink.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (hierna ook: de rechtbank), van 24 februari 2025, uitgesproken onder het hiervoor gemelde zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 22 mei 2025;
- het verweerschrift met producties;
- een journaalbericht namens de vrouw van 31 oktober 2025 met een begeleidende brief met producties;
- een journaalbericht namens de man van 4 november 2025 met een ‘Akte in het geding brengen producties’ met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 14 november 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de man en zijn advocaat;
- de vrouw en haar advocaat.

3.De feiten

3.1
Het huwelijk van de man en de vrouw is op 16 november 2015 ontbonden door echtscheiding.
3.2
Bij beschikking van 31 juli 2018 heeft de rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in haar kosten van levensonderhoud (hierna: partneralimentatie) € 860,- per maand moet betalen.
3.3
In het convenant van 3 juni 2020 zijn de man en de vrouw overeengekomen dat de man met ingang van 1 juni 2020 aan de vrouw aan partneralimentatie € 1.476,- per maand moet betalen. Deze afspraak is neergelegd in een beschikking van de rechtbank van 19 juni 2020. Geïndexeerd is de partneralimentatie in 2024 € 1.701,- per maand en in 2025 € 1.812,- per maand.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man de partneralimentatie te wijzigen, afgewezen.
4.2
De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank en komt daarvan in hoger beroep. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de partneralimentatie per 30 november 2023 wordt gewijzigd, subsidiair per 4 september 2024, meer subsidiair per 24 februari 2025, nog meer subsidiair op een datum die het hof juist acht, naar een partneralimentatie in 2024 van € 465,- per maand en in het jaar 2025 van € 497,- per maand, dan wel een partneralimentatie die het hof juist acht.
Subsidiair verzoekt de man dat de partneralimentatie wordt afgebouwd naar € 439,- per 1 december 2025, subsidiair per 1 juni 2026, meer subsidiair naar 1 december 2026, nog meer subsidiair naar een bedrag en een datum als het hof juist acht.
4.3
De vrouw voert verweer en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

wijziging van omstandigheden
5.1
De man heeft in eerste aanleg gesteld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden omdat de dochter van de man en de vrouw meerderjarig is geworden, de behoefte van de vrouw is verwaterd en veranderd, de vrouw haar inspanningsverplichting om in eigen levensonderhoud te voorzien niet nakomt en het inkomen van de vrouw is gewijzigd. In hoger beroep is daarbij gekomen dat de man per 21 mei 2025 52 weken ziek is en zijn inkomen is teruggevallen naar 70% van zijn laatstgenoten inkomen.
5.2
Naar het oordeel van het hof leveren de gestelde omstandigheden een zodanige wijziging op dat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek tot wijziging van de partneralimentatie. Of deze omstandigheden zodanig zijn dat de overeengekomen alimentatie ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen zoals door de vrouw wordt betwist, zal het hof hierna beoordelen (artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek).
ingangsdatum
5.3
De man heeft in hoger beroep verzocht om de partneralimentatie te wijzigen per 30 november 2023 (datum meerderjarigheid dochter van partijen), subsidiair per 4 september 2024 (datum indiening verzoekschrift), meer subsidiair per 24 februari 2025 (datum bestreden beschikking) en nog meer subsidiair op een door het hof te bepalen datum.
5.4
De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat als ingangsdatum dient te worden gehanteerd de datum van de beschikking van het hof. Zij heeft namelijk geen enkele inkomsten gehad, is behoeftig en de ontvangen partneralimentatie is door haar gebruikt om te voorzien in haar kosten van levensonderhoud.
5.5
Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Als hoofdregel geldt dat een nieuwe bijdrage ingaat op de datum waarop de rechter beslist. Een eerdere ingangsdatum, bijvoorbeeld de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn of de datum van het inleidend processtuk, is mogelijk. De rechter kan een eerdere ingangsdatum vaststellen, maar dan dient hij - ambtshalve - rekening te houden met de gevolgen daarvan, met name als door die eerdere ingangsdatum een terugbetalingsverplichting ontstaat.
5.6
Omdat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw hoger is dan het bedrag dat de man haar maandelijks aan partneralimentatie tot nu toe heeft betaald, zal het hof de partneralimentatie niet eerder dan met ingang van 1 januari 2026 verminderen, zijnde de eerste van de maand volgend op de datum van de beschikking van het hof. De door de vrouw ontvangen partneralimentatie heeft zij uitgegeven voor haar levensonderhoud. Terugbetaling kan dan ook niet van de vrouw worden gevergd.
huwelijksgerelateerde behoefte
5.7
De in de beschikking van 31 juli 2018 vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw van € 2.132,- netto per maand is niet in geschil. Geïndexeerd is de behoefte van de vrouw in 2024 € 2.569,- netto per maand en in 2025 € 2.736,- netto per maand.
behoeftigheid
5.8
De man stelt de behoeftigheid van de vrouw ter discussie. Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft om volledig in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en die inkomsten ook niet redelijkerwijs kan verwerven.
5.9
De man stelt dat sprake is van verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw. De vrouw onderneemt alleen geen stappen om aan haar inspanningsverplichting te voldoen. Dit terwijl niet is gebleken, zoals de rechtbank heeft overwogen, dat zware psychische klachten het voor de vrouw onmogelijk maken om te werken. Verder heeft de vrouw meerdere opleidingen gevolgd en nog een herscholingstraject gedaan. Dat de vrouw inmiddels 60 jaar is, betekent niet dat zij niet aan haar inspanningsverplichting hoeft te voldoen. De zorg voor [jongmeerderjarige] van negentien jaar, die enige autistische kenmerken heeft, is ook niet zodanig dat de vrouw niet in staat is om te gaan werken. De man vindt dat daarom de vrouw vanaf 1 december 2025 haar verdiencapaciteit moet verzilveren.
5.1
Volgens de vrouw heeft zij geen verdiencapaciteit door de combinatie van de bestaande afstand tot de arbeidsmarkt, het traditionele rollenpatroon tijdens het huwelijk, haar beperkingen en klachten, het zorgen voor [jongmeerderjarige] én haar de leeftijd. De vrouw stelt dat geen sprake is van onwil, maar onmacht. Ook al zou uitgegaan worden van het uurloon dat staat vermeld in de door de man overgelegde vacatures van € 15,- bruto per uur bij een 24-urige werkweek, dan nog zou zij onvoldoende inkomen hebben om zelf in de huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien en dus behoeftig zijn.
5.11
Het hof overweegt als volgt. De huwelijksgerelateerde behoefte is dusdanig hoog dat zelfs als het hof uitgaat van een verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw, zij nog steeds behoefte heeft aan de door de man te betalen partneralimentatie, geïndexeerd in 2025 van € 1.812,- per maand. Op basis van de door de man overgelegde geschikte vacatures voor de vrouw, gaat het hof ervan uit dat de vrouw gemiddeld een uurloon van (afgerond) € 15,- bruto per maand zou kunnen verdienen. Indien het hof dan in redelijkheid zou uitgaan van een 24-urige werkweek zou dat betekenen dat de vrouw € 1.684,80 bruto per maand zou verdienen, inclusief 8% vakantietoeslag. Conform de aangehechte berekening komt dit neer op een inkomen van € 1.620,- netto per maand en een aanvullende behoefte van € 1.116,- netto per maand (€ 2.736,- minus € 1.620,-), zijnde € € 2.058,- bruto per maand. Dit bedrag is hoger dan de bijdrage die de man voldoet. Naar het oordeel van het hof valt daarnaast niet te verwachten dat de vrouw binnen afzienbare tijd geheel of gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De vrouw is inmiddels 60 jaar, heeft sinds 2006 nauwelijks gewerkt en beschikt alleen over verouderde diploma’s dan wel opleidingen zonder relevante werkervaring. Dit samen met de persoonlijke omstandigheden van de vrouw die te maken heeft met kwetsbaarheden zoals uit het door haar overgelegde diagnostisch onderzoek blijkt, is het niet te verwachten dat de vrouw binnen afzienbare tijd in staat is om te werken en in elk geval niet meer dan 24 uur per week.
draagkracht man
5.12
Vervolgens heeft het hof onderzocht in hoeverre de man kan bijdragen in de resterende aanvullende behoefte van de vrouw. Gelet op hetgeen onder 5.6 ten aanzien van de ingangsdatum wordt overwogen zal het hof de draagkracht beoordelen vanaf 1 januari 2026.
Het hof zal een splitsing maken in twee periodes:
  • periode I vanaf de ingangsdatum van 1 januari 2026 en
  • periode II vanaf 1 juli 2026.
De reden hiervoor is dat de man geacht wordt met ingang van 1 juni 2026 de huwelijkse schuld aan IB Krediet (hoogte schuld op 1 oktober 2025 € 2.074,19 en een theoretische looptijd van 7 maanden) te hebben afgelost waardoor de maandelijkse verplichting van
€ 311,- vervalt. Tot 1 juni 2026 houdt het hof wel met die verplichting rekening, want het betreft een huwelijkse schuld en de man betaalt daadwerkelijk iedere maand € 311,-.
Hoewel de man heeft aangevoerd dat met een hoger bedrag aan kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] rekening moet worden gehouden dan zijn huidige bijdrage, ziet het hof daarvoor geen aanleiding omdat een wijziging van de kinderalimentatie in deze procedure niet voorligt. Het hof zal dan ook rekening houden bij de draagkracht van de man met de huidige kinderalimentatie van € 740,- per maand.
5.13
Om de draagkracht van de man te berekenen gebruikt het hof de forfaitaire benadering voor de partneralimentatie, zoals deze wordt aanbevolen door de Expertgroep alimentatienormen.
Bij deze forfaitaire benadering wordt gerekend met een vast bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud. In plaats van de werkelijke woonlasten wordt in principe gerekend met een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen (NBI). Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van het forfaitaire systeem door rekening te houden met de werkelijke woonlasten van de man, zoals de vrouw stelt. Nu niet is betwist dat de man samenwoont met een nieuwe partner en niet is gebleken dat deze partner niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, zal het hof wel rekenen bij de helft van het woonbudget.
5.14
Omdat de tarieven per 1 januari 2026 nog niet bekend zijn, zal het hof in redelijkheid de door de man te betalen partneralimentatie berekenen aan de hand van de tarieven van 2025-II en de draagkrachtformule voor 2025. Vervolgens zal het hof de partneralimentatie indexeren naar 2026.
5.15
Wat betreft het inkomen van de man overweegt het hof als volgt. Uit de stukken blijkt dat de man per 21 mei 2025 een jaar ziek is en hij vanaf dat moment 70% van zijn laatst verdiende inkomen ontvangt. Verder blijkt uit de stukken dat het de bedoeling is dat de werkgever van de man [bedrijfsnaam1] met ingang van 1 januari 2026 onderdeel wordt van de gemeente [gemeente1] en dat op basis van die situatie inmiddels duidelijk is geworden dat de man niet in zijn huidige functie kan terugkeren bij [bedrijfsnaam1] (of haar rechtsopvolger). Wat dit op termijn gaat betekenen voor de man en wat de (financiële) consequenties hiervan zijn, is nog onduidelijk. Wel is duidelijk dat de man op dit moment nog niet aan het re-integreren is en ook niet te voorzien is wanneer de man wel weer aan het werk kan. Het hof zal daarom uitgaan van het inkomen dat de man daadwerkelijk verdient. Dit inkomen blijkt uit de salarisspecificatie van oktober 2025 en op basis van dit inkomen bedraagt het NBI van de man € 4.730,- per maand (zie aangehechte draagkrachtberekeningen).
5.16
Het hof houdt vervolgens rekening met een woonbudget van afgerond € 710,- per maand (15% van het NBI van de man). Daarnaast houdt het hof rekening met het forfaitaire bedrag van de kosten van levensonderhoud in 2025 van € 1.310,- per maand en in periode I met de aflossing van € 311,- per maand aan IB Krediet.
5.17
Van het netto besteedbaar inkomen, verminderd met de hiervoor genoemde bedragen, is 60% beschikbaar als draagkracht voor partneralimentatie.
5.18
Uit de aangehechte draagkrachtberekeningen volgt dat de man in periode I een draagkracht heeft van € 699,- per maand, na aftrek van zijn aandeel in de kosten van [jongmeerderjarige] van € 740,- per maand en in periode II van € 886,- per maand.
5.19
Als de man partneralimentatie betaalt, dan mag hij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Als gevolg daarvan hoeft minder belasting te worden betaald. Dit belastingvoordeel telt het hof op bij de draagkracht en dan kan meer partneralimentatie worden betaald. Inclusief het belastingvoordeel komt de draagkracht van de man in periode I op € 1.118,- bruto per maand en in periode II op € 1.417,- bruto per maand.
conclusie
5.2
Gelet op het voorgaande dient de man aan de vrouw aan partneralimentatie te betalen met ingang van 1 januari 2026 afgerond € 1.169,- bruto per maand (€ 1.118,- vermeerderd met de wettelijke indexering per 1 januari 2026 van 4,6%) en met ingang van 1 juni 2026 afgerond € 1.482,- bruto per maand (€ 1.417,- vermeerderd met de wettelijke indexering per 1 januari 2026 van 4,6%).
afbouwen alimentatie
5.21
Voor zover de man het hof verzoekt om de door hem te betalen partneralimentatie af te bouwen overweegt het hof als volgt. Daarvoor is slechts aanleiding als reeds met voldoende mate van zekerheid is vast te stellen dat de vrouw binnen de door de man voorgestelde termijn in staat zal zijn om grotendeels in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Dat is, gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van de behoeftigheid van de vrouw is overwogen, niet het geval. Het hof zal het verzoek van de man daarom afwijzen.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna onder 8. vermeld.
6.2
Het hof ziet in de aard van de zaak (partneralimentatie) aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

7.Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft een berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw en twee draagkrachtberekeningen van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 24 februari 2025 en opnieuw beschikkende:
wijzigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 19 juni 2020 en het convenant van 3 juni 2020 en bepaalt dat de man aan de vrouw een partneralimentatie zal betalen:
  • met ingang van 1 januari 2026 € 1.169,- bruto per maand en
  • met ingang van 1 juni 2026 € 1.482,- bruto per maand,
de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, P.B. Kamminga en M.E.L. Klein, en is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.