Op 17 juni 2024 stelde de kantonrechter in de rechtbank Gelderland een bewind in over de goederen van de rechthebbende vanwege haar geestelijke of lichamelijke toestand. De bewindvoerders werden toen aangesteld om haar financiële belangen te behartigen.
De rechthebbende verzocht op 3 maart 2025 bij de kantonrechter om opheffing van het bewind, stellende dat zij cognitief in staat is haar eigen belangen te behartigen en dat het bewind niet langer noodzakelijk is. Zij wilde zonder bewind verder en gaf aan binnenkort naar Istanbul te vertrekken om bij haar vriend, een orthopedisch chirurg, te gaan wonen.
De kantonrechter wees dit verzoek af, waarna de rechthebbende in hoger beroep ging. Het hof ontving stukken van beide partijen en hield op 28 november 2025 een zitting waar de rechthebbende en haar advocaat aanwezig waren.
Het hof oordeelde dat het bewind nog steeds noodzakelijk is. De rechthebbende had schulden en een betalingsregeling via de bewindvoerders. Er was risico op nieuwe schulden bij beëindiging van het bewind. Ook gaf zij regelmatig geld aan haar vriend, waardoor haar eigen leefgeld tekortschiet. Haar stellingen waren onvoldoende onderbouwd en inconsistent. Daarom bekrachtigde het hof de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek tot opheffing af.