In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 24 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, dat op 14 februari 2025 werd gewezen. De verdachte, geboren in 1976, was veroordeeld voor ontucht met zijn minderjarige dochter, die op het moment van de feiten tussen de 6 en 12 jaar oud was. De rechtbank had de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden opgelegd en de vorderingen van de benadeelde partijen volledig toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof heeft de zaak behandeld op basis van de stukken en de zitting van 10 december 2025. De advocaat-generaal heeft een vordering gedaan, en zowel de verdachte als zijn raadsman, mr. E. van der Meer, hebben hun standpunten naar voren gebracht. Het hof heeft vastgesteld dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist, maar dat het bewijs in het vonnis nog aangevuld moest worden. Het hof heeft de verklaringen van het slachtoffer en aanvullende bewijsmiddelen, zoals medische informatie van de huisarts, in overweging genomen.
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd, met de aanvulling dat de informatie van de huisarts over vaginaal bloedverlies als steunbewijs wordt toegevoegd. De rechtbank had eerder al een juiste afweging gemaakt met betrekking tot de bewezenverklaring en de strafmaat. Het hof is van oordeel dat de opgelegde gevangenisstraf van 12 maanden passend is en bevestigt het vonnis met de aangebrachte aanvullingen.