ECLI:NL:GHARL:2025:8482

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
20 december 2025
Zaaknummer
21-002600-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een docent voor ontucht met een leerling, met gevangenisstraf en schadevergoeding

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 24 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Gelderland. De verdachte, een docent, is veroordeeld voor ontucht met een leerling, die op het moment van de feiten nog niet de leeftijd van zestien jaar had bereikt. Het hof heeft de gevangenisstraf vastgesteld op 40 maanden, met een schadevergoeding van € 15.871,71 aan de benadeelde partij. De rechtbank had eerder een gevangenisstraf van 48 maanden opgelegd, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, en een beroepsverbod van 5 jaar. Het hof heeft het beroepsverbod niet opgelegd, omdat het van mening is dat de geschiktheid van de verdachte voor het docentschap in de toekomst beoordeeld zal worden bij de aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). De zaak kwam aan het licht toen de aangeefster, die in een moeilijke privésituatie verkeerde, contact zocht met de verdachte voor hulp. Dit contact leidde tot een vertrouwensband en uiteindelijk tot seksuele handelingen. Het hof heeft de verklaringen van de aangeefster als geloofwaardig beoordeeld en de verdediging van de verdachte verworpen. De vordering van de benadeelde partij is volledig toegewezen, waarbij het hof de immateriële schade op € 15.000,- heeft vastgesteld. De wettelijke rente is vanaf specifieke datums toegewezen. Het hof heeft de beslissing van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd en opnieuw recht gedaan, waarbij het de straffen en maatregelen heeft aangepast op basis van de ernst van de feiten en de omstandigheden van de verdachte.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002600-24
Uitspraakdatum: 24 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 10 juni 2024 met parketnummer 05-316898-21 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat is besproken op de zitting van het hof van 12 december 2025 en op de zittingen van de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Ook heeft het hof kennisgenomen van wat is aangevoerd door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.A.M.J. Heffels.
Verder heeft het hof kennisgenomen van de verklaring van benadeelde partij [aangeefster] en van wat is aangevoerd door haar advocaat, mr. P.M. Breukink.

Vonnis rechtbank

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en heeft die feiten juridisch gekwalificeerd als:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam en
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige.
Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een eendaadse samenloop van die twee feiten.
De rechtbank heeft de verdachte voor die feiten de volgende straffen en maatregel opgelegd:
‒ een gevangenisstraf van 48 maanden (met aftrek van de duur van het voorarrest), waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en met (naast de algemene voorwaarde) een aantal bijzondere voorwaarden;
‒ een beroepsverbod van 5 jaar dat betrekking heeft op het beroep van docent, waarin de verdachte in contact komt met minderjarigen;
‒ de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen telefoon.
Verder heeft de rechtbank de vordering van benadeelde partij [aangeefster] toegewezen en de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Oordeel hof
Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank wat betreft de bewezenverklaring, met overneming van de gronden voor die bewezenverklaring, met uitzondering van de overweging onder het kopje ‘Eendaadse samenloop’ op pagina 8 van het vonnis. Daarnaast vult het hof de gronden van de rechtbank voor de bewezenverklaring aan met de bewijsoverwegingen die verderop in dit arrest staan.
Voor het overige vernietigt het hof het vonnis van de rechtbank en doet het hof opnieuw recht. Dit betreft de volgende beslissingen van de rechtbank:
‒ de juridische kwalificatie van het bewezenverklaarde;
‒ de opgelegde gevangenisstraf;
‒ het opgelegde beroepsverbod;
‒ de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen telefoon;
‒ de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
Het hof komt tot andere beslissingen dan de rechtbank wat betreft de juridische kwalificatie van het bewezenverklaarde, de op te leggen straffen en de in beslag genomen telefoon.
Wat betreft de vordering van de benadeelde partij komt het hof grotendeels tot dezelfde beslissingen als de rechtbank, maar het hof baseert die beslissingen op gedeeltelijk andere gronden dan de rechtbank. Daarnaast bepaalt het hof andere aanvangsdatums van de verhoging van de betaalverplichting met de wettelijke rente.

Aanvullende bewijsoverwegingen

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken. Volgens de verdachte heeft hij alleen telefoonseks gehad met aangeefster [aangeefster] en heeft tussen hen geen fysiek seksueel contact plaatsgevonden. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de aangeefster heeft verklaard dat haar telefoon automatisch verbinding maakte met het wifinetwerk in de woning van de verdachte en dat zij altijd haar telefoon bij zich had wanneer zij in de woning van de verdachte was. Uit het onderzoek van de politie blijkt echter dat de telefoon van de aangeefster slechts op twee datums verbinding heeft gemaakt met het wifinetwerk van de verdachte. Voor beide datums is daarvoor een andere verklaring dan dat de aangeefster in de woning van de verdachte was. Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat de aangeefster in de woning van de verdachte is geweest, aldus de raadsvrouw.
Het hof verwerpt dit verweer en onderbouwt dit als volgt.
Aangeefster heeft verklaard dat zij bij herhaling in de woning(en) van de verdachte is geweest. [1] De verklaring van de aangeefster vindt op dat punt steun in de volgende vaststellingen van de rechtbank.
‒ De aangeefster heeft gedetailleerde verklaringen afgelegd over het leven van de verdachte, over zijn echtgenote en over zijn twee dochters die destijds enkele maanden oud waren.
‒ De aangeefster heeft gedetailleerd verklaard over zowel de woning van de verdachte in [plaats 1] en het atelier van de verdachte bij die woning, als over de woning van de verdachte in [plaats 2] .
‒ De aangeefster heeft een plattegrond getekend van die woning in [plaats 2] . Ook door de politie is een plattegrond gemaakt van die woning. De politie heeft die plattegronden met elkaar vergeleken en geconcludeerd dat ze globaal met elkaar overeenkomen. [2]
Verder vindt de verklaring van de aangeefster steun in de omstandigheid dat zij omstreeks 22 februari 2024 bij het opruimen van haar fotogalerij een afbeelding van de ov-chipkaart-app is tegengekomen. Uit die afbeelding blijkt dat zij op 2 mei 2019 in de ochtend heeft gereisd van Nijmegen naar [plaats 2] (waar zij om 09.35 uur heeft uitgecheckt) en dat zij dezelfde dag in de middag weer van [plaats 2] naar Nijmegen heeft gereisd, waarbij zij om 15.07 uur heeft ingecheckt in [plaats 2] . De aangeefster heeft die reisbewegingen toegelicht met de opmerking dat zij uit die reisbewegingen concludeert dat ze die dag in het huis van de verdachte is geweest, omdat zij geen enkele andere reden had om naar [plaats 2] te gaan. [3]
De omstandigheid dat niet is gebleken dat de telefoon van de aangeefster vaker dan twee keer verbinding heeft gemaakt met het wifinetwerk van de verdachte, vormt naar het oordeel van het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de aangeefster op dit punt, aangezien de aangeefster niet stellig was, toen zij verklaarde dat haar telefoon automatisch verbinding maakte met het wifinetwerk van de verdachte. Tijdens het politieverhoor van 30 juli 2021 heeft de aangeefster daarover het volgende verklaard: ‘Ik denk dat als ik met mijn telefoon naar zijn woning ga dat ik dan gelijk verbonden ben’. Daarnaast is ook niet gericht onderzocht hoe vaak een verbinding tot stand is gekomen tussen de telefoon van de aangeefster en het wifinetwerk van de verdachte.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat niet is gebleken dat de telefoon van de aangeefster vaker die dan twee keer verbinding heeft gemaakt met het wifinetwerk van de verdachte, geen reden vormt om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de aangeefster dat zij bij herhaling in de woning(en) van de verdachte is geweest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: ontucht plegen met een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.
De verdachte heeft op verschillende dagen met de aangeefster ontuchtige handelingen gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. Om die reden stelt het hof vast dat de verdachte beide feiten meermalen heeft gepleegd.
Voor zover feit 1 in dezelfde periode is gepleegd als feit 2, is sprake van een eendaadse samenloop. In zoverre gaat het namelijk om ontuchtige handelingen die strafbaar zijn op grond van zowel (feit 1) artikel 245 (oud) als (feit 2) artikel 249 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, terwijl de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt. De eendaadse samenloop heeft in dit geval geen gevolgen voor het toepasselijke strafmaximum, maar het hof houdt er wel rekening mee bij het bepalen van de op te leggen straf.

Oplegging van straf en/of maatregel

Vordering advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot:
‒ een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar (zonder bijzondere voorwaarden), en
‒ een beroepsverbod zoals opgelegd door de rechtbank voor de duur van 5 jaar.
Standpunt verdediging
Voor als het hof tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsvrouw bepleit dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf van 240 uur, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een beroepsverbod. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsvrouw onder meer aangevoerd dat de verdachte naar aanleiding van zijn seksueel grensoverschrijdende contact met aangeefster [aangeefster] in behandeling is gegaan bij een pedagogische polikliniek. Verder heeft de raadsvrouw gewezen op de gevolgen van detentie voor het contact en de band met zijn kinderen.
Oordeel hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht met aangeefster [aangeefster] , die op dat ogenblik dat dit begon nog niet de leeftijd van zestien jaar had bereikt. De verdachte en de aangeefster kenden elkaar van een middelbare school, waar de verdachte docent was en de aangeefster leerling. De aangeefster benaderde de verdachte voor hulp in verband met haar moeilijke privésituatie, waaronder een moeilijke thuissituatie met fysiek geweld. Dit contact groeide uit tot een band met seksueel contact. In een periode van meer dan anderhalf jaar hebben de verdachte en de aangeefster niet alleen telefoonseks gehad, maar ook regelmatig fysieke seksuele handelingen met elkaar verricht.
Artikel 245 (oud) en 249 (oud) van het Wetboek van Strafrecht beschermen jeugdige personen en minderjarigen in een afhankelijke positie tegen de schadelijke gevolgen die seksuele handelingen op een jonge leeftijd en in een ongelijke verhouding kunnen hebben voor hun (seksuele) ontwikkeling en geestelijk welzijn. Deze bescherming strekt zich uit tot seksuele contacten die plaatsvinden met instemming van de jeugdige, om jeugdigen ook bescherming te bieden tegen onverstandige keuzes die zij zelf maken.
De verdachte had zich om meerdere redenen van de seksuele contacten moeten onthouden: zowel vanwege de jonge leeftijd van de aangeefster en het onderlinge leeftijdsverschil, als vanwege de docent-leerling-verhouding en de omstandigheid dat de verdachte voor de aangeefster een vertrouwenspersoon was in verband met haar moeilijke privésituatie. Door die omstandigheden was de aangeefster in zekere zin van de verdachte afhankelijk, terwijl de verdachte daaraan een zeker overwicht tegenover haar ontleende. De verdachte heeft misbruik gemaakt van dat overwicht en het vertrouwen dat de aangeefster in hem had. Door in de gegeven omstandigheden seksuele handelingen te verrichten met de aangeefster, heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op haar seksuele integriteit.
De aangeefster heeft veel last gehad van het bewezenverklaarde. Zij wordt nog steeds gehinderd door de psychische schade die het heeft veroorzaakt, bijvoorbeeld bij het zetten van bepaalde stappen in haar professionele carrière.
Het hof heeft kennisgenomen van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 6 november 2022. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Binnen de rechtspraak zijn oriëntatiepunten ontwikkeld voor de straftoemeting, met als doel het bevorderen van een consistent landelijk straftoemetingsbeleid. Die oriëntatiepunten kunnen dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de op te leggen straf. Er is geen oriëntatiepunt voor de specifieke zedenmisdrijven die de verdachte heeft gepleegd, maar bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof wel rekening gehouden met de oriëntatiepunten voor andere zedenmisdrijven.
Het hof houdt er in het voordeel van de verdachte rekening mee dat hij al vanaf november 2021 vrijwillig onder behandeling is bij een forensische polikliniek ( [naam 1] ). Daarbij plaatst het hof wel de kanttekening dat de verdachte de bewezen verklaarde fysieke seksuele contacten met de aangeefster niet heeft toegegeven aan de zorgverlener, waardoor de behandeling niet over die fysieke contacten is gegaan.
Ook houdt het hof rekening met het tijdverloop sinds het bewezenverklaarde, dat meer dan zes jaar geleden heeft plaatsgevonden.
Alles overziende veroordeelt het hof de verdachte tot een gevangenisstraf van 40 maanden. Naar het oordeel van het hof wordt met die straf recht gedaan aan de aard van de seksuele handelingen, de duur van de ontucht en de genoemde omstandigheden waaraan de verdachte een overwicht ontleende, alsook de genoemde strafmatigende omstandigheden.
Het hof legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van een langere duur dan het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf die de advocaat-generaal heeft gevorderd. Naar het oordeel van het hof is er geen reden voor een voorwaardelijk strafdeel, aangezien de verdachte de (eerder) geadviseerde behandeling bij [naam 1] vrijwillig heeft gevolgd en afgerond en de reclassering in het rapport van 17 november 2025 heeft geadviseerd dat er daarom geen reden meer is om nog voorwaarden op te leggen.
De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment waarop de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling (als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering) aan de orde is.
Geen beroepsverbod
Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er onvoldoende reden is voor het opleggen van een beroepsverbod. Het hof gaat ervan uit dat, als de verdachte opnieuw aan het werk wil als docent, zijn geschiktheid voor dat beroep zal worden beoordeeld in het kader van de aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG).

In beslag genomen telefoon

Het hof heeft te beslissen op de telefoon die in beslag is genomen onder goednummer PL0600-2021304714-2593729.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de telefoon verbeurd zal verklaren omdat deze telefoon is gebruikt voor het plegen van strafbare feiten, namelijk het sturen en/of bezit van berichten met kinderpornografische afbeeldingen.
Het hof beslist dat de telefoon wordt teruggegeven aan de verdachte. Dit onderbouwt het hof als volgt.
Naar het oordeel van het hof kan niet worden vastgesteld dat het bewezenverklaarde met behulp van die telefoon is begaan. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de telefoon is onderzocht en dat daarop geen foto’s of video’s zijn aangetroffen waarop aangeefster [aangeefster] te zien is. Ook overigens is het hof niet gebleken dat de telefoon vatbaar is voor verbeurdverklaring.
Daarnaast is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat niet is gebleken dat de telefoon vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de telefoon is onderzocht op de aanwezigheid van kinderpornografische foto’s of video’s, maar daarbij geen kinderpornografisch materiaal op de telefoon is aangetroffen.

Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangeefster]

De benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding tot het bedrag van € 15.871,71. Daarvan strekt € 871,71 tot vergoeding van materiële schade en € 15.000,- tot vergoeding van immateriële schade.
De rechtbank heeft de vordering volledig toegewezen. Hierdoor maakt de vordering van rechtswege deel uit van het hoger beroep.
Standpunt verdediging
Voor als het hof tot een bewezenverklaring – wat het geval is – heeft de raadsvrouw bepleit dat het hof de omvang van de geleden immateriële schade zal begroten op € 10.000,-.
Oordeel hof
Het hof wijst de vordering volledig toe en onderbouwt dit als volgt.
Materiële schade
Wat betreft de materiële schade wijst het hof de vordering toe. De verdediging heeft dit onderdeel van de vordering niet betwist en het komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor.
Immateriële schade
Het hof wijst de vordering ook toe wat betreft de immateriële schade. Dit onderbouwt het hof als volgt.
Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin een benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Voor zover voor deze strafzaak van belang is dat het geval als de benadeelde partij door het onrechtmatige handelen van de verdachte in de persoon is aangetast (1) door het oplopen van lichamelijk letsel, (2) doordat zij is geschaad in haar eer of goede naam of (3) op een andere wijze.
Van de onder 3 bedoelde aantasting in de persoon op een andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106 onder b BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Het hof is van oordeel dat de aard en ernst van het bewezenverklaarde meebrengen dat het voor de hand ligt dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zodanig ernstig zijn dat kan worden aangenomen dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde in de persoon is aangetast. Ter onderbouwing daarvan wijst het hof op de aard en de duur van de ontuchtige handelingen die de verdachte met de aangeefster heeft verricht. Het ging onder meer om vaginale penetratie met de penis, waaronder de ontmaagding van de benadeelde partij. Verder acht het hof van belang dat de verdachte voor de aangeefster een vertrouwenspersoon was bij wie zij hulp had gezocht in verband met een moeilijke privésituatie.
Naar het oordeel van het hof is het gevorderde bedrag (€ 15.000,-) een billijke vergoeding voor de immateriële schade die de benadeelde partij door het bewezenverklaarde heeft geleden.
Wettelijke rente
Het bedrag dat de verdachte de benadeelde partij moet betalen, wordt vermeerderd met de wettelijke rente. Die vermeerdering met de wettelijke rente gaat in op de volgende datums:
‒ materiële schade: op 19 februari 2023, omdat die datum in het midden ligt van de periode waarin de kosten heeft gemaakt die de materiële schade vormen;
‒ immateriële schade: op 1 maart 2019, omdat dit de laatste dag is van de bewezen verklaarde pleegperiode.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op (als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht).
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering wordt toegewezen, veroordeelt het hof de verdachte in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wetsartikelen (art. 358 lid 4 Sv)

De straf en maatregel die het hof oplegt, is gebaseerd op de artikelen 36f, 55, 57, 245 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde, met uitzondering van artikel 36f, dat wordt toepast zoals het geldt op de dag waarop dit arrest wordt gewezen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis van de rechtbank ten aanzien van:
‒ de juridische kwalificatie van het bewezenverklaarde;
‒ de opgelegde gevangenisstraf;
‒ het opgelegde beroepsverbod;
‒ de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen telefoon;
‒ de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel;
en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
40 (veertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven telefoon van het merk Apple (in beslag genomen onder goednummer PL0600-2021304714-2593729).
Vordering van benadeelde partij [aangeefster]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangeefster] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 15.871,71 (vijftienduizend achthonderdeenenzeventig euro en eenenzeventig cent), bestaande uit € 871,71 (achthonderdeenenzeventig euro en eenenzeventig cent) ter vergoeding van materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatums tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangeefster] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 15.871,71 (vijftienduizend achthonderdeenenzeventig euro en eenenzeventig cent), bestaande uit € 871,71 (achthonderdeenenzeventig euro en eenenzeventig cent) ter vergoeding van materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatums tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 114 (honderdveertien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op:
‒ 19 februari 2023 wat betreft de materiële schade en
‒ 1 maart 2019 wat betreft de immateriële schade.
Bevestigt het vonnis van de rechtbank voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. A.J. Smit, mr. O.O. van der Lee en mr. M.E. van der Werf, in aanwezigheid van de griffier mr. D. van der Geld en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 december 2025.

Voetnoten

1.Pagina 3 van het vonnis van de rechtbank.
2.Pagina 4 van het vonnis van de rechtbank.
3.E-mail van aangeefster [aangeefster] aan politieambtenaar [verbalisant] van 22 februari 2024. De e-mail is gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen van 23 februari 2024 met het nummer PL0600-2021304714-28. Dat proces-verbaal van bevindingen maakt deel uit van het mutatierapport met registratienummer PL0600-2021304714-29.