In deze civiele zaak staat centraal of de gemeente eigenaar is van de walbeschoeiing bij de waterpercelen van eisers en daarmee verantwoordelijk is voor het onderhoud. De akte van levering uit 2000 vermeldt expliciet de beschoeiing bij het bouwterrein en waterperceel, maar niet het openbare terrein waar de walbeschoeiing lag. Eisers stellen dat de gemeente eigenaar bleef of via verjaring eigenaar is geworden.
Het hof oordeelt dat de akte van levering de walbeschoeiing aan Jorcom heeft overgedragen, ondanks het ontbreken van een kadastrale aanduiding van het openbare terrein. De term 'beschoeiing' in de akte duidt volgens het hof op de walbeschoeiing en sluit andere interpretaties uit. Het beroep op nietigheid wegens onvoldoende individualisering wordt verworpen.
Het hof wijst ook het beroep op verkrijgende of bevrijdende verjaring af, omdat de gemeente niet voldoende feitelijke macht heeft uitgeoefend die het bezit van de oorspronkelijke eigenaar tenietdoet. De enkele onderhoudshandelingen en vergunningverlening zijn onvoldoende voor bezitsovergang.
De vraag of eisers zelf onderhoudsplichtig zijn, blijft onbeslist omdat het hof alleen oordeelt over eigendom van de gemeente. Het hoger beroep wordt afgewezen en eisers worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten.