ECLI:NL:GHARL:2025:8412

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
21-001099-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht met alternatieve scenario's en betrouwbaarheid van getuigenverklaringen

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 18 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. De verdachte, geboren in 1986, heeft hoger beroep ingesteld tegen een eerdere veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. De bedreiging vond plaats tussen 9 en 12 november 2024, waarbij de verdachte dreigende woorden heeft geuit tegen de moeder van zijn kinderen, wat leidde tot een aangifte van bedreiging door de moeder. Het hof heeft de verklaringen van de verdachte en zijn zoon beoordeeld, evenals de context van de bedreigingen. De verdachte heeft verklaard dat zijn uitlatingen voortkwamen uit frustratie en dat hij nooit de intentie had om zijn ex-partner iets aan te doen. Het hof heeft echter geoordeeld dat de bedreigingen voldoende reden gaven voor de moeder om redelijke vrees te hebben voor haar leven. De verdachte is eerder veroordeeld voor huiselijk geweld, wat de ernst van de situatie vergrootte. Het hof heeft de eerdere veroordeling vernietigd en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 dagen, waarvan 10 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf is afgewezen, maar de proeftijd is met een jaar verlengd. Het hof heeft de omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn PTSS en de voortgang in zijn behandeling, in overweging genomen bij het bepalen van de straf.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001099-25
Uitspraakdatum: 18 december 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 10 maart 2025 met parketnummer 18-365049-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-131926-24, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1986 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 4 december 2025 en wat op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd:
  • vernietiging van het vonnis van de politierechter;
  • bewezenverklaring van het tenlastegelegde;
  • veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;
  • afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van een geldboete van € 500,- subsidiair 10 dagen hechtenis (voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 10 september 2024, parketnummer 18-131926-24).
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A. Allersma, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft bij vonnis van 10 maart 2025:
  • het tenlastegelegde bewezenverklaard;
  • verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden:
o een meldplicht bij de reclassering;
o een contactverbod met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1989, met uitzondering van het contact dat via de Jeugdbescherming of een andere betrokken jeugdinstantie moet plaatsvinden over een eventuele omgangsregeling met zijn kinderen;
o ambulante behandeling door een forensische behandelinstantie, of een behandelingsinstantie aangewezen door het Nederlands Veteraneninstituut;
- de vordering tot tenuitvoerlegging van een geldboete van € 500,- subsidiair 10 dagen hechtenis afgewezen (voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 10 september 2024, parketnummer 18-131926-24).
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks 9 november 2024 tot en met 12 november 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] en/of [gemeente] , althans in Nederland,
[slachtoffer] ,
meermalen, althans eenmaal,
heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door aan de zoon en/of de dochter van die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen:
"Het liefst wil ik je moeder doodmaken, maar dat is niet het slimste. Ik heb toch niks meer te verliezen" en/of
"Waar is je moeder? Ik kom het hele huis slopen, daarna ga ik naar je moeders werk. Zeg wanneer je moeder vrij is, dan moet je zorgen dat jullie weg zijn",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen

Alternatief scenario
Verdachte heeft op de zitting in hoger beroep verklaard dat hij de tenlastegelegde woorden heeft geuit als reactie op wat zijn zoon [naam] hem had verteld. En dat hij nooit de intentie heeft gehad om zijn ex-partner, [slachtoffer] , iets aan te doen.
Verdachte heeft verklaard dat zijn zoon boos was op zijn moeder, [slachtoffer] . Hij zou tegen verdachte hebben gezegd: ‘Ik kan haar wel vermoorden.’ Verdachte zou toen als reactie hebben gezegd dat hij haar ook wel kon vermoorden, maar dat ze dat beter niet konden doen.
Het hof gaat niet mee in die alternatieve lezing en stelt deze als onaannemelijk terzijde.
Het hof gaat daarbij uit van de verklaringen die verdachte zelf heeft afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris:
- verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij PTSS heeft en daardoor wel eens, als hij zich hopeloos voelt, domme dingen zegt. Hij heeft verder verklaard dat hij [naam] wilde leren lassen en dat hij stress had, waardoor niets lukte. Ze zijn toen op de fiets gestapt en onderweg heeft verdachte tegen [naam] gezegd dat hij zijn moeder het liefst wilde vermoorden;
- bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat hij uit frustratie tegen zijn zoon heeft gezegd dat hij zijn moeder dood zou willen maken.
Dit komt overeen met wat zijn zoon [naam] daarover bij de politie heeft verklaard, te weten dat verdachte geïrriteerd raakte omdat iets niet lukte met een slijptol, dat hij vervolgens op de fiets richting aangeefster stapte en verdachte vervolgens de ten laste gelegde woorden zei. [naam] geeft aan dat hij verdachte dit hoorde zeggen uit pure woede, omdat niks hem ook meezat.
Dat het [naam] was die aanvankelijk zei dat hij zijn moeder, [slachtoffer] , wilde vermoorden en dat verdachte daar enkel als reactie op gereageerd heeft, is dan ook onaannemelijk.
Daarnaast ziet het hof in het dossier geen andere aanknopingspunten die de lezing van verdachte ondersteunen.
Betrouwbaarheid van de verklaring van verdachtes zoon
Voor zover verdachte heeft willen aanvoeren dat de verklaring van zijn zoon als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt omdat hij tijdens het verhoor onder druk zou zijn gezet en daarom heeft verklaard zoals hij heeft verklaard, verwerpt het hof dat verweer. Het hof ziet, ook gezien de verklaringen van anderen in het dossier die passen bij de verklaring van verdachtes zoon, maar ook gelet op zijn eigen verklaring, geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van zijn zoon te twijfelen.
Redelijke vrees
De raadsman heeft aangevoerd dat de woorden van verdachte onvoldoende zijn om te kunnen spreken van een strafbare bedreiging. Voor een veroordeling is nodig dat sprake is van een bedreiging die van zodanige aard is en onder zodanige omstandigheden heeft plaatsgevonden, dat bij [slachtoffer] de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte dat wat hij zei, zou gaan uitvoeren. Volgens de raadsman is daarvan geen sprake.
Juridisch geformuleerd is voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht nodig dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging. Daarnaast moet door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kunnen ontstaan dat hij of zij het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van verdachte daarop was gericht.
Het hof stelt vast dat verdachte op 9 november 2024 tegen zijn zoon [naam] heeft gezegd:
‘Het liefst wil ik je moeder doodmaken, maar dat is niet het slimste. Ik heb toch niks meer te verliezen.’
Op 12 november 2024 heeft verdachte telefonisch tegen zijn zoon gezegd: ‘Waar is je moeder? Ik kom het hele huis slopen, daarna ga ik naar je moeders werk. Zeg wanneer je moeder vrij is, dan moet je zorgen dat jullie weg zijn.’
De zoon van verdachte heeft verklaard dat verdachte erg boos was. Hij had hem nog nooit zo boos aan de telefoon gehoord.
Op 13 november 2024 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven. Nadat ze van haar kinderen had gehoord wat verdachte had gezegd, raakte ze in paniek en heeft ze gelijk 112 gebeld. Ze is meteen naar haar kinderen gegaan en heeft contact opgenomen met een vriendin om te vertellen wat er aan de hand was. Haar dochter had intussen de moeder van verdachte gebeld, omdat zij misschien de enige was die verdachte kon tegenhouden. Aangeefster heeft verklaard dat ze bang was voor verdachte. Ze heeft tegen haar kinderen verteld wat ze moesten doen als er wat met haar zou gebeuren. Ze heeft verklaard dat ze doodsbang voor verdachte was en dat hij haar al vaker bij de keel had gegrepen en door de woning heen had gegooid.
Op 13 november 2024 heeft verbalisant [verbalisant] telefonisch contact opgenomen met verdachte. Verbalisant vertelde verdachte dat hij een melding van bedreiging had gekregen en vroeg wat er aan de hand was.
Verdachte zei toen: “Ik ben er helemaal klaar mee, ik heb niks meer te verliezen, ik heb geen huis meer, ik heb kinderen die ik niet meer mag zien, alles is mij afgepakt door dat gestoorde wijf. Ze heeft mij helemaal gesloopt en alles van mij afgepakt. Ik ben er helemaal klaar mee,” en “Ik ben er helemaal klaar mee, als ik haar dood wil maken dan kan ik dat, ik heb toch niks meer ja, ik kan beter vastzitten dan dat ik op straat moet leven, ik heb helemaal niks meer”.
Verbalisant hoorde dat verdachte erg boos was. Verdachte was niet rustig te krijgen en wilde niet in gesprek gaan met de verbalisant.
Verbalisant vond het gedrag en de uitlatingen van verdachte tijdens het gesprek zo zorgelijk, dat werd besloten actief op zoek te gaan naar verdachte om hem aan te houden en hulp te bieden. Ook de ouders van verdachte vonden de situatie zorgelijk en gaven aan dat verdachte hulp nodig had. Aangeefster kreeg het advies om tijdelijk ergens anders te overnachten.
Daarnaast is uit het strafblad van verdachte gebleken dat hij op 10 september 2024 (onherroepelijk) tot een straf is veroordeeld voor huiselijk geweld tegen zijn (dezelfde)
(ex-)partner.
Op grond van de omstandigheden waaronder verdachte de woorden heeft uitgesproken, zijn boosheid tijdens het uitspreken daarvan en de aard van die woorden, vooral het feit dat de woorden een zekere opbouw kenden in tijd, is het hof van oordeel dat bij [slachtoffer] , ook objectief gezien, de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte de bedreigingen ten uitvoer zou kunnen leggen. Dat die vrees objectief gerechtvaardigd was, blijkt uit het feit dat ook de verbalisant zich zorgen maakte en dat verdachte eerder voor een mishandeling van zijn (ex-) partner veroordeeld is. Uit de aangifte van aangeefster volgt dat zij ook daadwerkelijk doodsbang was voor verdachte. Ze dacht dat hij van plan was om haar om het leven te brengen.
Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij in de periode van 9 november 2024 tot en met 12 november 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] en [gemeente] , gemeente [gemeente] ,
[slachtoffer] meermalen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,
door aan de zoon van die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen:
"Het liefst wil ik je moeder doodmaken, maar dat is niet het slimste. Ik heb toch niks meer te verliezen" en
"Waar is je moeder? Ik kom het hele huis slopen, daarna ga ik naar je moeders werk. Zeg wanneer je moeder vrij is, dan moet je zorgen dat jullie weg zijn".
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf en/of maatregel
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn ex-partner, [slachtoffer] . Verdachte heeft onder andere tegen hun zoon gezegd dat hij zijn moeder het liefst zou doodmaken. Hierdoor zijn bij aangeefster, maar ook bij haar directe omgeving, gevoelens van angst en onveiligheid ontstaan. Aangeefster raakte in paniek en heeft 112 gebeld. Ze maakte zich zorgen om haar eigen leven en dat van de kinderen.
Misschien was verdachte gefrustreerd vanwege de afwikkeling van de echtscheiding, maar dat rechtvaardigt zeker niet deze bedreiging.
Er is sprake van recidive. Uit het strafblad van verdachte van 30 oktober 2025 komt naar voren dat verdachte op 10 september 2024 onherroepelijk voor huiselijk geweld is veroordeeld tot een voorwaardelijke straf, met een proeftijd van 2 jaren. Verdachte was dus een gewaarschuwd man. Ondanks deze straf heeft verdachte binnen 2 maanden (en binnen de proeftijd) een nieuw strafbaar feit gepleegd, opnieuw in de huiselijke kring, met hetzelfde slachtoffer.
Verdachte heeft op de zitting in hoger beroep verteld over zijn persoonlijke omstandigheden. Ook heeft het hof de over verdachte opgemaakte reclasseringsrapporten gelezen.
Verdachte is ex-militair en kampt met PTSS-klachten. Daarnaast zit hij in de afrondende fase van een slepende echtscheidingsprocedure.
Verdachte is in het verleden in therapie geweest bij het Nederlands Veteraneninstituut. Omdat één-op-één gesprekken en groepsbehandeling niet werkten, is verdachte 9 maanden opgenomen geweest in een kliniek van het Veteraneninstituut. Hij leerde daar manieren om met zijn PTSS-klachten om te gaan.
De reclassering heeft in februari 2025 contact opgenomen met de zorgcoördinator van het
Nederlands Veteraneninstituut. Daaruit bleek dat verdachte vanaf januari 2025 weer bij hen onder begeleiding is. Verdachte heeft zelf hulp gevraagd bij het Veteraneninstituut. Als zijn leven wat stabieler is, zal hij bij het Veteraneninstituut behandeld worden voor zijn problemen.
Verdachte woont nu tijdelijk bij zijn ouders, tot hij een eigen woning heeft. Verdachte heeft verteld dat hij sinds een tijdje zijn kinderen weer mag zien. Als hij een eigen huis heeft, zal een parallel co-ouderschapsregeling worden gemaakt. Hij heeft geen contact meer met zijn ex-partner.
De raadsman heeft verzocht om verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf.
Het hof gaat hier niet in mee. De aard, de ernst en de gevolgen van het feit laten dat niet toe. Verdachte heeft ook geen dusdanig uitzonderlijke omstandigheden aangevoerd dat een beroep op artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht gerechtvaardigd zou zijn.
Daarnaast vindt het hof oplegging van een geheel voorwaardelijke straf, zoals subsidiair bepleit door de raadsman, onvoldoende recht doen aan de ernst van het feit.
Het hof vindt de door de politierechter opgelegde straf een passende en noodzakelijke straf. Daarom wordt verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Omdat verdachte 4 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, betekent dit dat verdachte niet opnieuw gedetineerd raakt, tenzij hij in de proeftijd opnieuw een strafbaar feit pleegt. De voorwaardelijke gevangenisstraf is daarmee ook een stok achter de deur voor verdachte.
Omdat verdachte wordt begeleid door het Nederlands Veteraneninstituut en het hof hoopt dat hij de hulp van dit instituut blijft accepteren, ziet het hof op dit moment geen meerwaarde in het opleggen van reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde.
Ook zal het hof geen contactverbod opleggen. De echtscheiding tussen verdachte en zijn ex-partner is bijna afgewikkeld en verdachte heeft laten weten dat hij geen behoefte heeft aan contact met zijn ex-partner.

Vordering tot tenuitvoerlegging

In de zaak met parketnummer 18-131926-24 is verdachte op 10 september 2024 door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke geldboete opgelegd van € 500,- subsidiair 10 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.
Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke straf. De politierechter heeft de vordering afgewezen.
Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde. In hoger beroep heeft de de advocaat-generaal gevorderd de vordering af te wijzen.
Omdat verdachte na de voorwaardelijke veroordeling voor de tweede keer in korte tijd een strafbaar feit heeft gepleegd waarbij sprake is van geweld tegen hetzelfde slachtoffer, vindt het hof dat afwijzing van de vordering nu niet aan de orde is. Verdachte moet zich realiseren dat het overtreden van voorwaarden consequenties heeft. Wel zal het hof (slechts) de proeftijd met 1 jaar verlengen. Het is nu aan verdachte om te laten zien dat hij niet opnieuw in de fout zal gaan.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
14 (veertien) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
10 (tien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van parketnummer 18-131926-24, met een termijn van 1 (één) jaar.
Dit arrest is gewezen door mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, mr. G.A. Versteeg en
mr. J.A.M. Kwakman, in aanwezigheid van de griffier mr. I.N. Koers en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 18 december 2025.