ECLI:NL:GHARL:2025:8399

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
21-000611-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling wegens mishandeling van toenmalige vriendin met partiële vrijspraak van bestanddeel levensgezel

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 17 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een veroordeling van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland. De verdachte is veroordeeld voor mishandeling van zijn toenmalige vriendin, waarbij hij haar bij de haren heeft vastgepakt en haar de woonkamer in heeft getrokken. De politierechter had de verdachte eerder vrijgesproken van het onderdeel 'levensgezel', maar het hof heeft dit onderdeel ook niet bewezen verklaard. De verdachte heeft een taakstraf van 60 uren opgelegd gekregen, waarvan 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast is er een vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen, maar slechts gedeeltelijk, tot een bedrag van € 350,00. Het hof heeft de bewijsvoering van de politierechter herzien en is tot de conclusie gekomen dat de mishandeling wettig en overtuigend bewezen is, ondanks de argumenten van de verdediging die pleitte voor vrijspraak. De uitspraak is gedaan na een zorgvuldige afweging van de feiten, de omstandigheden van de zaak en de persoonlijke situatie van de verdachte.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000611-25
Uitspraakdatum: 17 december 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 31 januari 2025 met parketnummer 16-335560-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op 3 december 2025 bij het hof en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.K.S. Toelsie, hebben aangevoerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is door politierechter vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde feit. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak.

Het vonnis

De politierechter heeft bij vonnis van 31 januari 2025, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, bij niet voldoen te vervangen door 50 dagen hechtenis, waarvan 50 uren, bij niet voldoen te vervangen door 25 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
2.
hij in of omstreeks 2 augustus 2020 tot en met 11 augustus 2020 te [plaats] , althans in Nederland, zijn levensgezel, [benadeelde] , heeft mishandeld door die [benadeelde] bij haar haren vast te pakken en/of haar aan de haren de woonkamer in te trekken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft bewezenverklaring gevorderd ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat aangeefster [benadeelde] als ‘levensgezel’ in de zin van artikel 304, aanhef en onder 1° van het Wetboek van Strafrecht kan worden aangemerkt, nu uit haar verklaring blijkt dat zij van 2020 tot 2021 met verdachte samen in een chalet heeft gewoond, en verdachte zelf verklaard heeft dat hij op enig moment een relatie kreeg met aangeefster.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de camerabeelden van het bewijs dienen te worden uitgesloten, omdat de beelden onvolledig zijn en een eenzijdig beeld laten zien van wat er op 2 en 11 augustus 2020 is gebeurd, waarbij aangeefsters aandeel in het conflict wordt weggelaten. Dit past in het breder patroon van onbetrouwbaarheid van aangeefster, waarbij zij belastende verklaringen heeft afgelegd die door verdachte zijn weerlegd, zoals bij het onder 1 tenlastegelegde feit. Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat sprake was van een
friends with benefits-relatie tussen verdachte en aangeefster, en dat laatstgenoemde om die reden niet als ‘levensgezel’ kan worden aangemerkt.
Oordeel van het hof
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het dossier stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 9 augustus 2024 heeft aangeefster [benadeelde] bij de politie aangifte gedaan van mishandeling. Zij heeft onder meer verklaard dat verdachte aan haar haren heeft getrokken, toen zij in 2020 een relatie met hem had, en dat zij ten gevolge daarvan pijn heeft ondervonden.
Verder heeft aangeefster camerabeelden ter beschikking gesteld aan de politie. Deze camerabeelden zijn door [verbalisant] bekeken, waarbij hij het volgende heeft waargenomen:
Bestand 1: 2020-08-02 17:27:18
Ik zie een vrouw en een man dicht bij elkaar in de keuken staan. Om 17:27:40 uur zie ik dat de man met zijn rechter hand met kracht de vrouw bij haar haren vastpakt en dat hij haar vervolgens met kracht naar de grond toebrengt, waardoor de vrouw voorover valt en op haar knieën voor de man terechtkomt. Enkele seconden later laat de man de vrouw weer los, waarop de vrouw rechtop gaat staan. Direct hierop, omstreeks 17:27:55 uur, zie ik dat de man met zijn linker hand, met kracht, de vrouw weer bij haar haren vast pakt en weer met kracht haar op de grond drukt, waardoor zij weer op haar knieën valt.
Ik zie dat de vrouw richting de tafel vlakbij de keuken loopt en ik zie om 17:28:54 uur, dat de man met zijn linker hand, met kracht, de haren van de vrouw vast pakt en vervolgens haar met kracht naar de grond toe brengt, waardoor zij op haar knieën voorovergebogen voor de man terecht komt.
Bestand 2: 2020-08-02 17:32:53 uur
Op 17:33:22 uur, zie ik dat de man met versnelde pas vanuit de keuken naar de vrouw toe stapt en dat hij met zijn rechter hand met kracht de haren van de vrouw vast pakt en vervolgens haar met kracht naar de grond toe werkt, waardoor de vrouw op de grond komt te zitten.
Ik zie dat de man om 17:33:54 uur, achter haar aan loopt en dat hij met zijn rechter hand de haren van de vrouw vast pakt en haar vervolgens met kracht naar de grond toe werkt. Ik zie dat de vrouw hierdoor voorovergebogen op haar knieën terecht komt en ik zie dat de man haar meteen los laat en naar de keuken loopt.
Ik zie dat de man met zijn rechter hand de haren van de vrouw vast pakt en ik zie dat hij haar met kracht naar de grond toe brengt, waardoor de vrouw op haar knieën komt te zitten.
Bestand 3: 2020-08-11 18:11:17 uur
Ik, verbalisant, zie dat dit dezelfde camera op dezelfde plek in dezelfde woning betreft als bestanden 1 en 2. Ik zie op de beelden dezelfde man en dezelfde vrouw als in de bestanden 1 en 2.
Ik zie op 18:11:26 uur, dat de man met versnelde pas naar de vrouw in de keuken loopt en dat hij haar vervolgens met twee handen met kracht bij haar haren pakt en vervolgens vanuit de keuken aan haar haren de woonkamer in trekt.
De vraag die het hof in de onderhavige zaak dient te beantwoorden, is of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 tenlastegelegde mishandeling jegens aangeefster. Aangeefster heeft verklaard dat zij door verdachte aan haar haren is getrokken en ten gevolge daarvan pijn heeft ondervonden. Deze verklaring wordt ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen van 17 oktober 2024, inhoudende een beschrijving van de camerabeelden, waaruit blijkt dat verdachte op 2 augustus 2020 aangeefster zes keer bij haar haren heeft vastgepakt, en dat hij haar op 11 augustus 2020 één keer bij haar haren heeft vastgepakt en haar vervolgens de woonkamer heeft ingetrokken. Daarnaast vindt de verklaring van aangeefster steun in de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van verdachte, te weten dat hij in de periode van 2 augustus tot en met 11 augustus 2020 te [plaats] aangeefster bij haar haren heeft vastgepakt en haar aan de haren de woonkamer heeft ingetrokken, en dat deze handelswijze allesbehalve netjes is geweest.
Nu de camerabeelden, voor wat betreft de onder 2 tenlastegelegde mishandeling, bevestiging vinden in de verklaring van aangeefster en de verklaring van verdachte zelf, ziet het hof geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof verwerpt om die reden het verweer van de raadsvrouw en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van aangeefster.
Het hof zal verdachte evenwel vrijspreken van het bestanddeel ‘levensgezel’, nu uit het dossier niet blijkt dat ten tijde van de relatie tussen verdachte en aangeefster sprake was van een nauwe lotsverbondenheid tussen hen dan wel dat sprake was van een gemeenschappelijke huishouding.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten:
2.
hij in de periode van 2 augustus 2020 tot en met 11 augustus 2020 te [plaats] , [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] bij haar haren vast te pakken en haar aan de haren de woonkamer in te trekken.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 100 uren, bij niet voldoen te vervangen door 50 dagen hechtenis, waarvan 50 uren, bij niet voldoen te vervangen door 25 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden, te weten een contact- en locatieverbod ten aan zien van (de woning van) het slachtoffer, wordt opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om een geheel voorwaardelijke taakstraf aan verdachte op te leggen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat sprake was van een toxische relatie tussen verdachte en aangeefster en dat aangeefster haar eigen handelen daarbij grotendeels achterwege heeft gelaten. Verder heeft zij aangevoerd dat er geen noodzaak bestaat voor het opleggen van een contact- en gebiedsverbod, nu aangeefster de afgelopen maanden zelf meermalen contact heeft gezocht met verdachte.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. In de periode van 2 augustus tot en met 11 augustus 2020 heeft hij zijn toenmalige vriendin bij de haren vastgepakt en haar op die manier de woonkamer ingetrokken van het chalet waarin zij verbleven. Door aldus te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Uit het dossier blijkt van een problematische relatie tussen verdachte en het slachtoffer, die werd gekenmerkt door wederzijds aantrekken en afstoten. Hoewel de wijze waarop verdachte binnen de relatie door het slachtoffer werd bejegend bij hem wellicht de nodige frustratie en gevoelens van onmacht heeft veroorzaakt, rechtvaardigt dit echter op geen enkele wijze het gebruik van geweld.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op het strafblad van verdachte van 30 oktober 2025. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.
Verder heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die blijken uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep door verdachte en zijn raadsvrouw naar voren zijn gebracht.
Tot slot heeft het hof bij de strafoplegging acht geslagen op de omstandigheid dat het minder bewezen heeft geacht dan de politierechter.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 60 uren, bij niet voldoen te vervangen door 30 dagen hechtenis, waarvan 30 uren, bij niet voldoen te vervangen door 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Een geheel voorwaardelijke taakstraf, zoals bepleit door de raadsvrouw, doet naar het oordeel van het hof geen recht aan de ernst van het bewezenverklaarde feit.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij geheel wordt toegewezen, te weten € 650,00, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij primair niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft zij verzocht om de vordering tot schadevergoeding af te wijzen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat door de benadeelde partij onvoldoende onderscheid is gemaakt tussen de schade die volgens laatstgenoemde voortvloeit uit het onder 1 tenlastegelegde feit en schade die zou zijn veroorzaak door het onder 2 tenlastegelegde feit. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de vordering tot schadevergoeding te matigen, te weten tot de helft van het gevorderde bedrag.
Oordeel van het hof
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 650,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.
Naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden. Aan de wettelijke vereisten genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek is voldaan, omdat door de gedragingen van verdachte de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is geschonden. Nu de vordering tot schadevergoeding echter deels is gegrond op het onder 1 tenlastegelegde feit, waarvan verdachte is vrijgesproken, zal het hof de immateriële schade naar billijkheid vaststellen op € 350,00. Het hof zal de vordering voor het overige afwijzen. Verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
15 (vijftien) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 11 augustus 2020.
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. L.J. Hofstra en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.J. Flach en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 17 december 2025.