ECLI:NL:GHARL:2025:8173

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
200.360.354/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging en vernietiging van ondertoezichtstelling van een ongeboren kind na hoger beroep door ouders

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 18 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de ondertoezichtstelling van het ongeboren kind [naam1]. De kinderrechter in de rechtbank Gelderland had op 18 augustus 2025 de ondertoezichtstelling uitgesproken voor een jaar, maar het hof heeft deze beschikking gedeeltelijk bekrachtigd en gedeeltelijk vernietigd. De ouders, de vader en de moeder, hebben zich gemotiveerd getoond om hulpverlening te accepteren en zijn van mening dat de ondertoezichtstelling niet meer nodig is. De vader heeft in hoger beroep de beslissing van de kinderrechter aangevochten, terwijl de moeder zijn standpunt ondersteunt. De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling hebben echter gepleit voor het in stand houden van de ondertoezichtstelling, gezien de voorgeschiedenis van de ouders met verslavings- en psychische problematiek. Het hof heeft vastgesteld dat er bij [naam1] sprake is van een ontwikkelingsbedreiging, maar heeft ook erkend dat de ouders inmiddels op vrijwillige basis hulp hebben ingeschakeld en vooruitgang boeken. Uiteindelijk heeft het hof de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd voor de periode tot de uitspraak en vernietigd voor de periode daarna, waarbij het verzoek van de raad voor de kinderbescherming tot ondertoezichtstelling met ingang van de uitspraak is afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.360.354
zaaknummer rechtbank Gelderland 455155
beschikking van 18 december 2025
over de ondertoezichtstelling van [naam1] .
in de zaak van
[appellant](de vader)
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. V. de Roo,
tegen
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
die is gevestigd in Arnhem.
Door het hof zijn als belanghebbenden aangemerkt:
[belanghebbende](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. A.L. Witteveen
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland(de GI),
locatie Arnhem.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft [naam1] (als ongeboren kind) op 18 augustus 2025 onder toezicht gesteld van de GI tot 18 augustus 2026. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit hoe het tot die beslissing is gekomen.

2.De feiten

De vader en de moeder zijn de ouders van [naam1] , geboren [in] 2025 in [woonplaats1] . Zij hebben samen het ouderlijk gezag over [naam1] , die bij de moeder woont.
De vader en de moeder, die niet samenwonen, hebben nog twee kinderen:
- [naam2] , geboren [in] 2020 en
- [naam3] , geboren [in] 2021, die beiden onder toezicht zijn gesteld en uit huis zijn geplaatst.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De raad heeft verzocht om (de op dat moment nog ongeboren) [naam1] onder toezicht te stellen voor een jaar.
3.2.
De kinderrechter heeft dat verzoek toegewezen in de beschikking van 18 augustus 2025 (de bestreden beschikking).

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt (vernietigt).
4.2.
De moeder is het ook niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij ondersteunt het hoger beroep van de vader en wil ook dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.
4.3.
De raad en de GI willen dat de beslissing in stand blijft (wordt bekrachtigd).
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift van de vader, ingekomen op 17 oktober 2025;
  • het verweerschrift van de raad;
  • het journaalbericht met bijlagen namens de moeder van 11 november 2025;
  • de brief met bijlagen namens de vader van 11 november 2025.
De zitting bij het hof was op 21 november 2025. Aanwezig waren:
  • de vader met mr. R.W. de Gruijl, die waarneemt voor zijn kantoorgenote mr. De Roo;
  • een vertegenwoordigster van de raad;
  • de moeder met mr. M. Krol, die waarneemt voor haar kantoorgenote mr. Witteveen;
  • twee vertegenwoordigsters van de GI.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening.
Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen [1] . Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
De standpunten
5.2
De vader stelt dat er niet wordt voldaan aan de wettelijke criteria, omdat er bij [naam1] geen sprake is van een ernstige en concrete ontwikkelingsbedreiging. Bovendien wordt er hulp in het vrijwillig kader geaccepteerd door beide ouders. Zo is er al voor de geboorte van [naam1] ambulante spoedhulp en aanvullende begeleiding geregeld, met intensieve regie vanuit de gemeente. Dit alles is zonder inmenging van de GI tot stand gekomen. De ouders hebben zich enorm daarvoor ingespannen en zij werken daaraan mee. De vader voert aan dat hij enorm gemotiveerd is omdat hij wil voorkomen dat [naam1] , net als zijn twee oudste kinderen, uit huis geplaatst wordt. Volgens de vader heeft de ondertoezichtstelling geen meerwaarde, maar brengt deze juist druk en stress voor beide ouders, wat averechts werkt. De vader voelt vanuit de GI steeds de dreiging van een uithuisplaatsing van [naam1] .
Het is voor ouders makkelijker om de door hen zelf ingeschakelde hulpverleningsorganisatie te benaderen dan de jeugdbeschermer van de GI, met wie de samenwerking niet goed verloopt en die bovendien ook betrokken is bij de twee oudste kinderen. Dit terwijl de raad juist had geadviseerd om een andere jeugdbeschermer in te zetten voor [naam1] . Vader wil dat de moeder en hij een kans krijgen om te laten zien dat er een positieve ontwikkeling is, die zij willen voortzetten.
5.3
Door de raad wordt gezien dat de ouders het beste willen voor hun kind en dat zij actief aan de slag zijn gegaan met hulpverlening. Maar de raad voert aan dat bij [naam1] wel degelijk sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Beide ouders hebben als gevolg van verslavings- en psychische problematiek, gecombineerd met stressgevoeligheid, veel hulp nodig om hun emoties te reguleren en hun leven te structureren. De ouders zijn nu nog onvoldoende in staat om de zorgen met vrijwillige hulpverlening weg te nemen. Zonder het gedwongen kader is er volgens de raad een groot risico op een terugval in middelengebruik.
5.4
De moeder ondersteunt de stellingen van de vader in hoger beroep. Volgens haar gaat het goed met [naam1] in de situatie bij haar thuis. Zij heeft, naast de door haar op vrijwillige basis ingeschakelde professionele instanties waarvan zij de hulp accepteert en waarmee de samenwerking goed verloopt, ook goede hulp vanuit een groot sociaal netwerk. Dit is anders dan voorheen toen zij er veel alleen voor de verzorging en opvoeding stond. Zo kan zij bijvoorbeeld een beroep doen op een zusje dat voorheen nog te jong was. De hulp van de GI, die ook betrokken is bij de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de twee oudste kinderen, brengt voor haar veel druk en stress. Zij voelt, anders dan bij de nu op vrijwillige basis betrokken hulpverlening, angst en weerstand om de GI te benaderen.
5.5
De GI voert aan dat de ondertoezichtstelling van [naam1] nodig is omdat het de ouders in het verleden niet is gelukt om hun twee oudste kinderen zelf te verzorgen en op te voeden. Destijds zijn de ouders diverse keren teruggevallen in hun verslavingen, waarna de uithuisplaatsing van die kinderen onvermijdelijk was. Volgens de GI gaat het op dit moment wel goed met [naam1] in de thuissituatie bij de moeder, maar is het nodig om gedurende een langere periode hulp te bieden vanuit een ondertoezichtstelling zodat de huidige stijgende lijn kan worden gevolgd.
Het oordeel van het hof
5.6
Het hof is van oordeel dat er bij [naam1] sprake is van een ontwikkelingsbedreiging. Zowel de vader als de moeder erkennen dat zij beiden een lastige voorgeschiedenis hebben met verslaving en psychische problematiek, waardoor het hen, ondanks intensieve hulpverlening, niet is gelukt om hun oudste kinderen, [naam2] en [naam3] , zelf te verzorgen en op te voeden. In dat opzicht acht het hof het begrijpelijk dat de GI het nodig vond om al vóór de geboorte van [naam1] de nodige maatregelen te treffen. Uit de stukken en wat tijdens de zitting is gezegd is echter gebleken dat ook de ouders al vóór de geboorte van [naam1] ambulante spoedhulp en aanvullende begeleiding met intensieve regie vanuit de gemeente hebben geregeld en dat zij nu op vrijwillige basis goed samenwerken met de door hen ingeschakelde hulporganisaties, waaronder Helderzorg. De vader krijgt van Helderzorg bij hem thuis praktische ondersteuning en van de hulporganisatie Trajectum persoonlijk gerichte therapie. De moeder heeft haar behandeling bij Verslavingszorg Tactus afgerond en ontvangt nu, naast intensieve hulp van Helderzorg, traumatherapie van haar psycholoog. Daarnaast is voor haar vanuit de WMO (Wet Maatschappelijke Ondersteuning) een preventieplan ter voorkoming van terugval opgesteld. Ook is er inmiddels een uitgebreid sociaal netwerk opgezet, van waaruit door familieleden van beide ouders hulp en ondersteuning worden geboden. De ouders durven deze hulp nu ook te vragen wanneer dit nodig is. De moeder heeft in de afgelopen periode op de momenten waarop zij het moeilijk had, direct contact opgenomen met Helderzorg en verzocht om hulp of advies. Het hof begrijpt dat de moeder het moeilijk vindt en te veel stress voelt om met een dergelijke hulpvraag contact op te nemen met de jeugdbeschermer van de GI, met name omdat zij vreest dat deze jeugdbeschermer, die ook betrokken is bij de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [naam2] en [naam3] , snel zal overgaan tot de verderstrekkende maatregel van uithuisplaatsing van [naam1] . Volgens de raad is de moeder afgelopen oktober bij een incident in een winkelcentrum in dronken toestand gezien. De moeder ontkent dat zij dronken was. Volgens het hof is hierover onvoldoende duidelijkheid. Wat daar ook van zij, uit de stukken blijkt dat naar aanleiding van diverse onaangekondigde huisbezoeken en alcohol/drugstesten bij de moeder in de afgelopen maanden niet is gebleken van middelengebruik.
5.7
De gronden voor de ondertoezichtstelling van [naam1] waren er op 18 augustus 2025 wel, gelet op de voorgeschiedenis en het feit dat de moeder tijdens de zwangerschap van [naam1] in een zorgelijke toestand naar het ziekenhuis is gebracht waar bleek dat zij verdovende middelen had gebruikt. Het hof zal daarom de bestreden beschikking van die datum tot vandaag bekrachtigen en met ingang van vandaag vernietigen.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 18 augustus 2025 voor zover deze zich uitstrekt over de periode tot heden;
6.2.
vernietigt de bestreden beschikking met ingang van de datum van deze beschikking en beslist:
6.3.
wijst het verzoek van de raad voor de kinderbescherming tot ondertoezichtstelling van [naam1] met ingang van heden alsnog af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, H. Phaff en S. Kuijpers, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.

Voetnoten

1.artikel 1:255 lid 1 onder a en b BW