In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 18 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van de minderjarige [naam1], geboren in 2017, van wie de ouders, de moeder en de vader, een affectieve relatie hebben gehad die op 23 januari 2023 is beëindigd. De moeder, vertegenwoordigd door advocaat mr. R.D.Z. Asmus, verzocht het hof om de hoofdverblijfplaats van [naam1] bij haar te bepalen, terwijl de vader, vertegenwoordigd door advocaat mr. L.M. Bongers, in incidenteel hoger beroep kwam en vroeg om de hoofdverblijfplaats bij hem te handhaven. Het hof heeft de procedure in hoger beroep op 14 november 2025 behandeld, waarbij beide ouders en een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming aanwezig waren.
De rechtbank Gelderland had eerder op 7 februari 2025 bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [naam1] bij de vader zou zijn, en had een zorgregeling vastgesteld. De moeder was het niet eens met deze beslissing en heeft drie grieven ingediend. Het hof heeft de argumenten van de moeder overwogen, maar concludeerde dat de beslissing van de rechtbank in stand moest blijven. Het hof oordeelde dat de vader in staat is om een stabiele en veilige opvoedomgeving te bieden, en dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats niet in het belang van [naam1] zou zijn. De raad had eerder geadviseerd om de hoofdverblijfplaats bij de vader te handhaven, en het hof volgde dit advies.
Daarnaast heeft het hof de zorgregeling voor de zomervakantie vastgesteld, waarbij [naam1] in de even jaren de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder verblijft, en in de oneven jaren andersom. Het hof heeft ook de wisselmomenten in de vakanties langer dan één week vastgesteld. De proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten betaalt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.