Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De vader verzocht de rechtbank om het gezamenlijk gezag over zijn minderjarige kind te beëindigen en hem het eenhoofdig gezag toe te kennen. De moeder was niet verschenen en het kind staat sinds december 2023 niet meer ingeschreven op een adres in Nederland. De rechtbank wees het verzoek af, waarna de vader hoger beroep instelde.
Het hof onderzocht ambtshalve de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Gezien het ontbreken van contact en de vermoedelijke verblijfplaats van het kind in het buitenland, waaronder mogelijk Australië, oordeelde het hof dat het kind niet in Nederland verblijft. De toepasselijkheid van Brussel II-ter en het Haags Kinderbeschermingsverdrag leidde tot onbevoegdheid van het hof.
De uitzonderingsregel van artikel 5 Rv Pro, die bevoegdheid kan toestaan bij bijzondere verbondenheid met Nederland, werd niet langer toegepast omdat het kind al bijna de helft van zijn leven buiten Nederland verblijft en er geen zicht is op zijn situatie. Hierdoor kon het hof het belang van het kind niet adequaat beoordelen.
Het hof verklaarde zich daarom onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep en deed geen inhoudelijke uitspraak over het gezagsverzoek.
Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep en doet geen inhoudelijke uitspraak over het gezagsverzoek.