ECLI:NL:GHARL:2025:8128

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
21-000062-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis politierechter inzake mishandeling met putatief noodweer

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 18 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland. De verdachte, geboren in 1965, had hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van 22 december 2022, waarin hij was veroordeeld voor mishandeling. De zaak draait om een incident dat plaatsvond op 10 december 2021, waarbij de verdachte de aangever, [benadeelde], heeft mishandeld. De verdachte voerde aan dat hij handelde uit putatief noodweer, omdat hij zich bedreigd voelde door de aangever en een medebewoner. Het hof heeft de feiten en omstandigheden van de zaak zorgvuldig gewogen, inclusief de voorgeschiedenis van conflicten tussen de verdachte en de aangever. Het hof oordeelde dat de verdachte niet proportioneel had gehandeld, aangezien hij de aangever niet alleen een kopstoot had gegeven, maar ook had geslagen en geschopt toen de aangever al op de grond lag. Het hof heeft de verweren van de verdachte afgewezen en hem veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding van € 2.000,- toegewezen, met wettelijke rente. Het hof heeft de eerdere veroordeling van de politierechter vernietigd en opnieuw recht gedaan.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000062-23
Uitspraakdatum: 18 december 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 22 december 2022 met parketnummer 16-013424-22 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats] ,
wonende te [postcode] [adres] , [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 4 december 2025 en wat op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd:
  • vernietiging van het vonnis;
  • vrijspraak van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel;
  • bewezenverklaring van het tenlastegelegde en kwalificatie van het bewezenverklaarde als mishandeling;
  • veroordeling tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest;
  • toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. N. Hannaart, hebben aangevoerd.
Het hof heeft ten slotte kennisgenomen van wat de benadeelde partij heeft aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft in het vonnis van 22 december 2022:
  • verdachte vrijgesproken van het onderdeel ‘toebrengen van zwaar lichamelijk letsel’;
  • het overig tenlastegelegde bewezenverklaard en gekwalificeerd als mishandeling;
  • verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis;
  • de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 2.000,- bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • de benadeelde partij voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering verklaard en verwezen naar de burgerlijke rechter;
  • verdachte veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij;
  • de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het hof oordeelt anders over het noodweerverweer van verdachte dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 10 december 2021 te [plaats]
[benadeelde] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde]
- een kopstoot op/tegen het gezicht te geven en/of
- op/tegen het gezicht te stompen/slaan en/of
- een knietje en/of een schop/trap tegen het lichaam te geven,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een neusfractuur ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Onder zwaar lichamelijk letsel wordt op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht onder andere verstaan: letsel dat niet helemaal zal genezen of waardoor iemand blijvend arbeidsongeschikt is geworden. Daarnaast kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat letsel zo ernstig is dat dat naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel wordt gezien.
Of iets zwaar lichamelijk letsel is, hangt af van de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.
Het hof vindt dat in deze zaak geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Uit de geneeskundige verklaring kan niet worden opgemaakt dat de neus van [benadeelde] is gebroken. Daarnaast is de andere (medische) informatie in het dossier onvoldoende om te kunnen spreken van zwaar lichamelijk letsel. Ook niet naar gewoon spraakgebruik. Weliswaar zien de wonden, zwellingen en blauwe plekken in het gezicht van aangever er ernstig uit en heeft hij daar behoorlijk last van gehad, maar voor deze verwondingen was geen langdurige of ingrijpende medische behandeling nodig. Zijn (lichamelijke) verwondingen hebben aangever, voor zover het hof kan vaststellen, niet belemmerd in zijn werkzaamheden.
Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Het hof bewijst wel dat verdachte [benadeelde] lichamelijk letsel heeft toegebracht. Daarvoor biedt het dossier voldoende bewijs.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 10 december 2021 te [plaats]
[benadeelde] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde]
- een kopstoot op/tegen het gezicht te geven en
- tegen het gezicht te slaan en
- een knietje en een schop/trap tegen het lichaam te geven,
terwijl het feit lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
De raadsman heeft een beroep gedaan op (putatief) noodweer(exces). Hij heeft aangevoerd dat verdachte op meerdere momenten en gedurende een langere periode is bedreigd door [benadeelde] . Verdachte vreesde voor zijn eigen veiligheid toen aangever op 10 december 2021 de confrontatie met hem zocht. Verdachte kon op het moment dat hij werd ingesloten niets anders dan zich verdedigen tegen aangever. De raadsman heeft gesteld dat verdachte binnen de grenzen van de proportionaliteit en subsidiariteit heeft gehandeld. Als het hof van oordeel is dat de reactie van verdachte niet proportioneel was, dan is dat het gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging.
Het hof leidt uit het dossier de volgende feiten en omstandigheden af.
Aangever en verdachte woonden in een gebouw van een woningcorporatie waarin meerdere mensen woonruimte huren. Verdachte en aangever woonden allebei in hun eigen unit, met een gezamenlijke keuken. Bij het gebouw hoort ook een buurthuis.
Aangever en verdachte hadden al langere tijd ruzie met elkaar, waarbij door meerdere getuigen wordt beschreven dat aangever en [medebewoner] verdachte treiterden dan wel bedreigden. Ook zou aangever naar verdachte hebben geschreeuwd en gescholden. Aangever vond dat verdachte niet goed opruimde en schoonmaakte en veel lawaai maakte. Aangever en [medebewoner] hadden verdachte daar al een paar keer op aangesproken, ook in aanwezigheid van de jonge zoon van verdachte. Verdachte wilde en zou naar aanleiding van dit geschil intern verhuizen, maar vanwege een COVID-besmetting was het nog niet zo ver gekomen. Op 10 december 2021 is de situatie zo uit de hand gelopen, dat verdachte aangever letsel heeft toegebracht.
Op 10 december 2021 heeft aangever op de toiletdeur gebonkt, met de vraag wanneer verdachte eindelijk de wc’s eens ging schoonmaken. Verdachte zat op dat moment op het toilet. Verdachte heeft even gewacht tot het rustig was, heeft de toiletruimte verlaten, zijn jas gepakt en is naar het buurthuis gelopen. In het buurthuis heeft hij gesproken met [medebewoner] . Verdachte heeft [medebewoner] verteld dat hij het complex uit was gegaan om afstand te nemen van de ruzie die hij had met aangever.
Aangever en [medebewoner] hadden op dat moment zo genoeg van het gedrag van verdachte dat zij besloten hem ‘zijn vet’ te geven. Ze waren ervan uitgegaan dat verdachte naar het buurthuis was gelopen en besloten ook naar het buurthuis te gaan. Ze spraken af om verdachte daar, ten overstaan van alle aanwezigen, aan te spreken op zijn gedrag. Ze wilden ‘een statement maken tegenover de anderen zodat zij ook konden zien wat voor een mannetje verdachte was,’ aldus aangever.
Aangever en [medebewoner] zijn samen het buurthuis ingegaan. Aangever was op dat moment boos. Beiden zijn op een intimiderende, brede en stoere manier naar binnen gegaan en meteen naar verdachte toegelopen. Volgens [getuige] was verdachte angstig toen zij binnenkwamen. Volgens [getuige] hing er duidelijk een spanning dat er iets mis was.
Verdachte zat op dat moment aan de linkerzijde van een lange eettafel. Aangever liep links om de tafel richting verdachte. [medebewoner] stond aan de andere kant van de tafel. Verdachte heeft gezegd dat hij het er niet over wilde hebben en weg zou gaan als ze er wel over gingen praten.
Verdachte heeft een paar keer tegen aangever gezegd dat hij niet dichterbij moest komen, maar aangever bleef achter verdachte aanlopen en de confrontatie opzoeken. Verdachte is tweemaal weggelopen van aangever, eerst naar de kopse (achter)kant van de tafel en vervolgens, nadat aangever opnieuw richting verdachte liep, naar de lange rechterzijde van de tafel. Aangever bleef verdachte daarbij uitdagen. Verdachte liep weg van aangever, maar aangever kwam toch dicht bij verdachte in de buurt staan. Ze stonden neus aan neus. Verdachte bevond zich op dat moment tussen de tafels en stoelen, met een wenteltrap vlak achter zich, en weinig bewegingsruimte, waardoor verdachte werd ingesloten. Verdachte heeft toen een harde kopstoot in het gezicht van aangever gegeven. Aangever viel op de grond en raakte buiten bewustzijn. Daarna heeft verdachte aangever geslagen en hem een knietje gegeven en geschopt. Aangever heeft daarbij letsel opgelopen.
Voorwaarden voor (putatief) noodweer(exces):
Vooropgesteld moet worden dat als een beroep is gedaan op noodweer of noodweerexces, de rechter zal moeten onderzoeken of aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Dat houdt in dat pas sprake is van een terecht beroep op zelfverdediging als het begane feit noodzakelijk was voor de verdediging van zijn eigen of iemand anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
Onder omstandigheden valt onder zo’n ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding ook een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. De enkele vrees voor zo’n aanranding is daarvoor niet voldoende.
In uitzonderlijke gevallen kan sprake zijn van putatief noodweer. Dat is de situatie waarin weliswaar geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en daarvoor ook geen dreigend gevaar bestond, maar bij verdachte een verontschuldigbare dwaling bestond over de dreiging van een aanranding. Dat is alleen het geval als verdachte redelijkerwijs mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan, omdat hij zich verontschuldigbaar het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.
Het is niet mogelijk om in zijn algemeenheid te zeggen welke reactie nodig is voor iemands verdediging. Daarbij moet gekeken worden naar wat in de specifieke situatie nodig en mogelijk was. Dat zijn de eisen van proportionaliteit (kon het met minder geweld) en subsidiariteit (kon het op een andere manier). Daarbij moet gekeken worden naar de feitelijke omstandigheden van het geval.
Er kan sprake zijn van noodweerexces als er op zich wel een situatie was waarin verdachte zichzelf mocht verdedigen, maar dat hij daarbij te ver is gegaan. Anders gezegd: dat wat verdachte in reactie daarop deed, was niet (meer) noodzakelijk om zichzelf te verdedigen. Daardoor was zijn handelen niet proportioneel.
Van noodweerexces is in zo’n situatie alleen sprake als er weliswaar een situatie was waarin verdachte zich mocht verdedigen, maar hij daarbij verder is gegaan dan nodig was, als onmiddellijk gevolg van een hevige door de aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging. Daarvan is ook sprake als hij in zo’n situatie door die hevige gemoedsbeweging te lang door is gegaan, omdat de situatie waarin hij zich mocht verdedigen al beëindigd was.
Was in deze situatie sprake van (putatief) noodweer(exces)?
Duidelijk is dat aangever en [medebewoner] verdachte in de periode voor 10 december 2021 regelmatig treiterden, bedreigden en uitscholden. Op die bewuste dag zijn aangever en [medebewoner] in een opgefokte stemming naar het buurthuis gegaan. Zij wilden verdachte op zijn plek zetten. Duidelijk is ook dat verdachte gelijk na het eerdere conflict, vlak daarvoor, juist naar het buurthuis was gegaan om afstand te nemen van aangever. Verdachte werd vervolgens geconfronteerd met een boze aangever, die hem niet met rust liet. Aangever bleef achter verdachte aanlopen, terwijl verdachte duidelijk en meermaals had aangegeven dat hij weg wilde gaan en dat ze hem weg moesten laten gaan. Vervolgens kwam verdachte in een situatie terecht waarin hij geen kant op kon: aan zijn ene kant stond aangever, aan zijn andere kant (in de looproute naar de uitgang) stonden meerdere stoelen en daar stond ook [medebewoner] . Verdachte stond daarbij half onder een open wenteltrap. Verder werd verdachte geblokkeerd door de lange tafel. In die situatie bleef aangever op verdachte aankomen en verkeerde verdachte in de veronderstelling dat hij zich tegen hem moest verdedigen.
Niet is gebleken dat aangever van plan was om verdachte fysiek aan te vallen of dat hij daadwerkelijk aanstalten maakte om verdachte aan te vallen. Ook is niet gebleken dat aangever verdachte eerder fysiek belaagd heeft. Het hof kan daarom niet vaststellen dat er, objectief gezien, sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
Verdachte bevond zich in een beklemmende situatie, waaruit hij niet weg kon komen en aangever hem op een intimiderende en boze wijze achterna bleef komen. Hierin ziet het hof, in combinatie met de voorgeschiedenis van aangever en verdachte, een situatie waarin verdachte redelijkerwijs mocht menen dat hij zich tegen aangever moest verdedigen, omdat hij zich verontschuldigbaar het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Verdachte mocht zich daarom verdedigen tegen aangever. Er was dus sprake van putatief noodweer.
De wijze waarop verdachte zich tegen deze door hem veronderstelde dreiging heeft verdedigd, was echter niet proportioneel. Niet alleen heeft verdachte hem op een harde wijze met zijn hoofd van zich afgehouden, maar hij heeft hem ook daarna, toen aangever al uitgeschakeld op de grond lag, nog getrapt en geslagen. Gelet op de verwondingen op verschillende plaatsen op het lichaam en gezicht/hoofd van aangever, moet dit met kracht zijn gebeurd. Daarmee heeft verdachte meer geweld gebruikt dan nodig was om de veronderstelde aanranding af te wenden en is hij daarmee doorgegaan toen er geen sprake meer was van een situatie waarin hij mocht menen dat hij aangevallen zou worden.
Vervolgens is het de vraag of verdachte dit deed vanuit een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is ontstaan. Het hof stelt voorop dat dit in zijn algemeenheid lastig is vast te stellen bij putatief noodweer. Er was feitelijk immers geen aanranding en ook geen (objectieve) dreiging daarvan. Die hevige gemoedsbeweging zou ontstaan kunnen zijn door de situatie die verdachte zelf als dreigend heeft ervaren.
Het hof vindt het aannemelijk dat er sprake was van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte, nu hij zelf spreekt over het weer ‘bij zinnen komen’ dan wel dat hij op een gegeven moment weer de controle over zichzelf had.
In de onderhavige situatie meent het hof echter dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het buitenproportionele handelen van verdachte het gevolg is geweest van een met name door de (vermeende) aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Het hof gaat ervan uit dat die hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op eerdere bestaande emoties, zoals een al bestaande kwaadheid jegens aangever als gevolg van de eerdere pesterijen en bedreigingen en de frustraties die verdachte door de al langslepende ruzie had en die hij niet kon oplossen.
Concluderend was er weliswaar sprake van putatief noodweer, maar heeft verdachte daarbij niet proportioneel gehandeld en was er geen sprake van een hevige gemoedsbeweging die met name door de (veronderstelde) aanranding was veroorzaakt. Verdachte is daarom strafbaar.

Oplegging van straf en/of maatregel

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van aangever [benadeelde] .
Verdachte en aangever stonden niet op goede voet met elkaar. Eerder in dit arrest is hierover uitgebreid uiteengezet wat zich heeft afgespeeld.
Wat er ook zij van het gedrag van aangever, dat rechtvaardigt niet het gedrag dat verdachte daarna heeft vertoond.
Verdachte is niet eerder voor strafbare feiten veroordeeld, zo volgt uit het strafblad van verdachte 30 oktober 2025.
Bij de strafoplegging is gekeken naar wat in vergelijkbare gevallen een passende straf is. In de rechtspraak zijn hiervoor zogenoemde oriëntatiepunten ontwikkeld. Als uitgangspunt is volgens de oriëntatiepunten voor een kopstoot een taakstraf van 120 uren een passende straf.
Ook houdt het hof bij de strafoplegging rekening met de voorgeschiedenis en het aandeel dat aangever bij het feit heeft gehad.
Daarnaast constateert het hof dat de redelijke termijn van berechting in de procedure in hoger beroep met bijna een jaar is overschreden.
Alles overziend vindt het hof een taakstraf van 40 uur, subsidiair 20 dagen hechtenis, in deze zaak een passende en noodzakelijke straf.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.500,00 ingediend, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De politierechter heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de politierechter gevorderde schadevergoeding.
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Nu sprake is van fysiek letsel, is er een rechtsgrond voor de toewijzing van schade. Net als de rechtbank schat het hof de immateriële schade op een bedrag van € 2.000,00.
Op grond van artikel 6:101, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek wordt de schadevergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde partij en verdachte te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Daarbij kan een andere verdeling plaatsvinden indien de billijkheid dit door de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.
Gelet op de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden heeft het gedrag van aangever bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Het hof stelt naar evenredigheid van die mate vast dat de door aangever geleden schade voor 50 % door hemzelf gedragen moet worden. Het hof ziet geen aanleiding om hierop een billijkheidscorrectie toe te passen.
Verdachte moet daarom € 1.000,00 aan immateriële schade aan de benadeelde partij vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering wordt voor het overige afgewezen.
Om te bewerkstelligen dat verdachte deze schade daadwerkelijk vergoedt, wordt daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 10 december 2021.
Dit arrest is gewezen door mr. G.A. Versteeg, mr. J.A.M. Kwakman en
mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, in aanwezigheid van de griffier mr. I.N. Koers en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 18 december 2025.