Uitspraak
1.[appellante1] ( [appellante1] )
2. [appellante2] ( [appellante2] )
3. [appellante3] ( [appellante3] )
4. [appellante4] ( [appellante4] )
5. [appellant] ( [appellant] )
1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
- de proces-verbalen van getuigenverhoor en tegengetuigenverhoor van 23 september 2024 en 18 maart 2025;
- de memorie na enquête van [geïntimeerde] en [geintimeerde1] en de antwoordmemorie van [appellanten]
2.De verdere beoordeling in hoger beroep
.
“Ik weet het niet.”
de onderneming e.d./
de bij haar in eigendom zijnde registergoederen gelegen aan [straatnaam] te [woonplaats1]/
voormelde onroerende zaak/de haar in eigendom toebehorende registergoederen en overige bedrijfsmiddelenook de boerderij omvatten. Dat de boerderij daar niet onder zou vallen is zeer onwaarschijnlijk.
‘overname van bedrijfsgebouwen’op basis taxatie successie van € 460.000. Omdat ook de boerderij tot het ondernemingsvermogen behoort, ligt het voor de hand dat de boerderij ook valt onder de omschrijving
‘bedrijfsgebouwen’. Het bedrag van € 460.000 komt uit de taxatie van [naam1] die in april 2006 in opdracht van moeder is verricht. Die taxatie betreft alleen de manege. Dat is niet verwonderlijk, omdat – zoals ook [appellant] als getuige heeft verklaard – de boerderij toch niet verkocht kon worden vanwege het recht van eerste koop van de gemeente voor 1 gulden en taxeren dus geen zin had. Dat de gemeente een eerste recht van koop had en de boerderij een waarde van 1 gulden had staat niet eraan in de weg dat [geïntimeerde] van moeder alle bedrijfsgebouwen (manege en boerderij) heeft overgenomen en dat moeder in dat verband aan [geïntimeerde] een recht van koop van de manege en de boerderij heeft verleend.
- Moeder woonde vanaf 2006 niet meer op de boerderij;
- [geïntimeerde] heeft eerst in de vof met zijn moeder en later alleen het bedrijf van vader en moeder voortgezet;
- [geïntimeerde] heeft de boerderij op eigen kosten verbouwd en opgeknapt en in elk geval vanaf 2010 de rente betaald voor de lening waarvoor een recht van hypotheek op de boerderij was gevestigd.
- Moeder en [geïntimeerde] hebben bij het verlenen van het recht van koop van de boerderij aan [geïntimeerde] geen beperkingen afgesproken, zoals een meerwaardeverrekening of een recht van terugkoop van moeder of haar erfgenamen bij een voorgenomen doorverkoop door [geïntimeerde] .
- Het zal zeker de bedoeling zijn geweest dat [geïntimeerde] de manege en de boerderij kon kopen om daarmee de onderneming van zijn ouders voort te zetten. Dat heeft hij in 2006 ook gedaan na een beraad waarbij de hele familie betrokken was; geen van de andere kinderen wilde die onderneming voortzetten. De verkoop van de boerderij en manege aan een projectontwikkelaar heeft pas14 jaar later, in augustus 2020, plaatsgehad.
- Het is niet duidelijk op welk bedrag [appellanten] recht zouden hebben gehad als was komen vast te staan dat moeder aan [geïntimeerde] geen recht van koop van de boerderij had verleend. Dat hoeft het hof ook niet vast te stellen. Het ligt wel voor de hand dat de koopsom die [geïntimeerde] van de projectontwikkelaar heeft gehad voor het allergrootste deel is toe te rekenen aan de manege met ondergrond, omdat die grond gebruikt kan worden voor woningbouw. Dat geldt niet voor de monumentale boerderij. De projectontwikkelaar mag die boerderij niet slopen en de grond van de boerderij mag niet gebruikt worden voor woningbouw.
- [appellanten] hebben vanaf het overlijden van vader [in] 2003 tot het overlijden van moeder [in] 2019 de gelegenheid gehad verdeling van de boerderij (die tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoorde) te vragen en zo nodig bij de rechter af te dwingen. Dat hebben zij niet gedaan. Zij hadden het zelf in de hand hun persoonlijke belangen daarbij te dienen.