De rechtbank Midden-Nederland heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen verlengd tot 25 april 2026. De vader ging in hoger beroep tegen deze verlenging en stelde dat het perspectiefbesluit prematuur was en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn verbeterde situatie en opvoedvaardigheden.
Het hof heeft de argumenten van de vader onderzocht, waaronder zijn stabiele dagbesteding, het stoppen met verdovende middelen en zijn openheid voor hulpverlening. Desondanks concludeert het hof dat de kinderen vanwege hun kwetsbaarheid en de complexe opvoedbehoeften nog steeds niet bij de ouders kunnen wonen. Het hof onderschrijft het oordeel van de GI dat de ouders onvoldoende in staat zijn om aan deze behoeften te voldoen.
Verder wijst het hof het verzoek van de vader af om het perspectiefbesluit inhoudelijk te toetsen en aanvullend onderzoek naar zijn opvoedvaardigheden te gelasten. Het hof benadrukt dat een inhoudelijke toetsing van het perspectiefbesluit pas aan de orde is in een procedure tot beëindiging van het gezag. Ook acht het hof aanvullend onderzoek niet in het belang van de kinderen, gezien de reeds ingezette hulpverlening en de kwetsbare situatie van de kinderen.
De beschikking van de rechtbank wordt dan ook bekrachtigd en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.