ECLI:NL:GHARL:2025:8059

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
200.361.886
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in het kader van gezagskwesties en jeugdbescherming

In deze zaak heeft de moeder het gezag over de minderjarige, geboren in 2024. De minderjarige is onder toezicht gesteld en op 6 oktober 2025 is de ondertoezichtstelling verlengd. Op 13 november 2025 heeft de gecertificeerde instelling (GI) een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige verzocht, wat door de kinderrechter is verleend voor twee weken. De GI heeft vervolgens een verzoek ingediend voor een langere machtiging. De moeder is het eens met de beslissing van de kinderrechter en verzet zich tegen het verzoek van de GI. Tijdens de zitting op 26 november 2025 heeft het hof de beschikking van de kinderrechter vernietigd en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend van 27 november 2025 tot 23 december 2025. Het hof heeft geconstateerd dat er zorgen zijn over het functioneren van de moeder, die een verstandelijke beperking heeft en afhankelijk is van intensieve hulpverlening. Ondanks de hulpverlening is er geen duurzame gedragsverandering bij de moeder, wat de ontwikkeling van de minderjarige in gevaar brengt. Het hof heeft daarom besloten om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen tot 27 mei 2026, om de verzorging en opvoeding van de minderjarige te waarborgen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.361.886
zaaknummer rechtbank Overijssel 340910
beschikking van 16 december 2025
over de uithuisplaatsing van [minderjarige]
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel(de GI)
die is gevestigd in Hengelo (Overijssel)
en
[moeder](de moeder)
die woont in [woonplaats1] (Overijssel)
advocaat: mr. L.V.S. Cassese
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
die is gevestigd in Almelo
en
als informant:
[biologische vader](de biologische vader)
die woont in [woonplaats2] , gemeente Twenterand

1.Samenvatting

De moeder heeft het gezag over [minderjarige] (geboren [in] 2024 in [geboorteplaats] ). [minderjarige] is op 14 oktober 2024, dus nog voor haar geboorte, onder toezicht gesteld tot 14 oktober 2025. Op 6 oktober 2025 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 14 oktober 2026. Op 13 november 2025 heeft de GI een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een crisispleeggezin verzocht voor de duur van twee weken en daarnaast en aansluitend een machtiging voor de duur van zes maanden. Op 13 november 2025 heeft de kinderrechter de spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van twee weken in een voorziening voor pleegzorg (pleeggezin), van 13 november 2025 tot 27 november 2025, De kinderrechter heeft de beslissing voor het overige (de aansluitende machtiging van zes maanden) aangehouden. [minderjarige] woont sindsdien bij een crisispleeggezin op een geheim adres. Op 21 november 2025 (schriftelijk vastgelegd op 25 november 2025) heeft de kinderrechter het aangehouden verzoek van de GI afgewezen.

2.Het verloop van de procedure bij het hof

2.1.
De GI wil dat het hof haar verzoek alsnog toewijst. De moeder is het eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij wil dat het hof het verzoek van de GI afwijst.
2.2.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift met stukken, ingekomen op 24 november 2025
  • de stukken van mr. Cassese, ingediend op 25 november 2025
  • de stukken van de GI, ingediend op 26 november 2025.
2.3.
De zitting bij het hof was op 26 november 2025. Aanwezig waren:
  • de vertegenwoordigers van de GI
  • de moeder met haar advocaat (laatstgenoemde heeft de mondelinge behandeling telefonisch bijgewoond, maar was niet meer bereikbaar na schorsing en tijdens de uitroeping voor uitspraak)
  • de biologische vader
  • [partner moeder] (partner van de moeder)
  • [tante moederszijde] (tante van moederszijde)
  • de zoon van [partner moeder] .
2.4.
Het hof heeft op 26 november 2025 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan (artikel 29a Rv) en de beschikking van de rechtbank Overijssel van 21 november 2025 vernietigd en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (pleeggezin) verleend van 27 november 2025 tot en met 23 december 2025. De uitspraak kan meteen worden uitgevoerd. De beslissing is voor het overige aangehouden. Een nieuwe zitting is op 10 december 2025 bepaald.
2.5.
Na de mondelinge behandeling heeft het hof op 27 november 2025 nog een bericht van mr. Cassese ontvangen en een reactie van de GI, waarin mr. Cassese namens de moeder aangeeft dat zij een nieuwe zitting niet nodig vindt. Voor de GI geldt hetzelfde.
2.6.
Het hof beslist dat het verzoek van de GI om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen tot 27 mei 2026, moet worden toegewezen en licht dat hierna toe.

3.Het toelichting van het hof

3.1.
Het hof vindt dat er gronden zijn voor het verlenen van de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing, omdat er zorgen zijn over het persoonlijke functioneren van de moeder, haar partnerkeuze(s) en haar belaste voorgeschiedenis. De moeder heeft een verstandelijke beperking (LVB) en een WLZ VG3 indicatie. De moeder is dus voortdurend afhankelijk van intensieve hulpverlening. In de beschikking van 14 oktober 2024 (dat is de beschikking waarbij [minderjarige] voor haar geboorte onder toezicht is gesteld) is overwogen dat volledig zicht krijgen op de opvoedkundige mogelijkheden van de moeder noodzakelijk is en dat de insteek is om het kindje bij de moeder te laten opgroeien. Sinds de start van de ondertoezichtstelling is aan gestelde doelen gewerkt. Onder meer is als doel gesteld dat [minderjarige] opgroeit in een veilige, kindvriendelijke omgeving waarbij zij geboden krijgt wat zij nodig heeft aan sensitiviteit, responsiviteit, basale veiligheid en verzorging van de moeder. Ook is als doel gesteld dat er zicht moet zijn op de opvoedvaardigheden, leerbaarheid en het verstandelijk vermogen van de moeder en dat hiervoor noodzakelijk is dat de moeder meewerkt aan de ingezette hulp.
3.2.
De moeder heeft intensieve ambulante begeleiding van 17,5 uur per week. Gebleken is dat de moeder welwillend is en openstaat voor hulp, maar dat het haar onvoldoende lukt om deze hulp om te zetten in structureel, zelfstandig en adequaat handelen. Ondanks de gesprekken tussen de jeugdbeschermer, de moeder en de persoonlijk begeleider en de doelen en de zorgen die herhaaldelijk tijdens de gesprekken worden besproken en de concrete afspraken die dan worden gemaakt, blijft de moeder handelen vanuit haar eigen overtuigingen en volgt zij adviezen niet op. De door Aveleijn gesignaleerde patronen bevestigen dat bij de moeder sprake is van een structureel tekort in opvoedingsvaardigheden en het ontbreken van responsiviteit op de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige] . Het lukt de moeder niet om mee te groeien met [minderjarige] en aan te sluiten bij wat ze nodig heeft. Er is, ondanks de intensieve ambulante begeleiding van 17,5 uur per week, vaste rituelen en picto-schema’s, frequente evaluaties en afspraken, geen duurzame gedragsverandering. De stapeling van problemen vergroot de kans op blijvende ontwikkelingsschade bij [minderjarige] wanneer haar omgeving niet (tijdig) stabiel en voorspelbaar wordt. Dit maakt dat de veiligheid en gezonde ontwikkeling van [minderjarige] structureel afhankelijk zijn van voortdurende en intensieve begeleiding. Deze begeleiding zal op termijn wegvallen.
3.3.
Aveleijn signaleert in haar evaluatie van 26 november 2025 dat de moeder grote moeite heeft om af te stemmen op de behoeften van [minderjarige] . Adviezen worden herhaald, ondersteund, en visueel gemaakt, maar beklijven niet. Ook handelt de moeder vaak uit angst, vermijding of frustratie. De behoeften van [minderjarige] raken dan ondergeschikt. De moeder vraagt hulp, maar kan het advies niet vasthouden zonder directe ondersteuning, met risico op ondervoeding, ontwikkelingsachterstand, onderkoeling, over medicatie en onveilige hechting. Bij praktische zaken (zoals slaapzakken kopen, kleding kiezen, medicatie toedienen) handelt de moeder vaak te laat, onjuist of helemaal niet.
3.4.
Uit het op 26 november 2025 in het geding gebrachte (recente maar ongedateerde) stuk van Jarabee dat gaat over de eerste tien dagen van [minderjarige] bij het pleeggezin, blijkt dat [minderjarige] de eerste dagen niet zelfstandig kon zitten, tijgeren, kruipen en rollen. De spierspanning in haar beentjes is bijzonder. De huisarts vermoedt ernstig vitamine B tekort en adviseert bloedprikken. Na tien dagen bij het pleeggezin is [minderjarige] actiever, sterker en minder snel vermoeid. Ze is vrolijk, geniet van aandacht en is verdrietig als je uit haar blikveld bent. Ze kan in de box zonder te huilen en begint te spelen. Ze kan nu op haar buik rollen en probeert haar benen onder zich te krijgen. Bij het bloedprikken geeft [minderjarige] geen kik, maar als ze in bad gaat is ze volledig in paniek (trillen en heel erg huilen). [minderjarige] is erg gefocust op eten en verslikt zich vaak.
3.5.
Het ging met de moeder en met [minderjarige] tot de spoeduithuisplaatsing op 13 november 2025, ondanks de hulp die is ingezet, niet goed. Een intensivering van de hulpverlening (het door moeder geopperde CSI traject met wonen in een voorziening van Ambiq) is door de GI overwogen en op de mondelinge behandeling uitgebreid besproken. De GI concludeert dat dit traject niet zal helpen. De moeder en [minderjarige] wonen sinds een jaar in een 24-uurs setting van Aveleijn, waar hulp en begeleiding voor de moeder altijd beschikbaar is en zij ontvangt wekelijks zelfs al meer uren hulp dan de bij de WLZ VG3 indicatie toegekende uren (17,5). Van die extra hulp en begeleiding maakt de moeder, zoals zij ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ook heeft verklaard, veelvuldig gebruik. De hulp en begeleiding bij Aveleijn zijn feitelijk onbeperkt. Het CSI traject met wonen bij Ambiq zal niet tot nog meer zorg en begeleiding leiden. Dit traject kan naar het oordeel van het hof dan ook niet als een uiterst middel worden ingezet.
3.6.
Het hof zal daarom de verzochte machtiging uithuisplaatsing voor de resterende duur van 24 december 2025 tot 27 mei 2026 verlenen, omdat dit noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , geboren [in] 2024 in een voorziening voor pleegzorg (pleeggezin) van 24 december 2025 tot 27 mei 2026;
4.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuizen en E. de Boer, bijgestaan door mr. G.J. Heuvelink als griffier, en is op 16 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.