In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over het verzoek van de moeder om het gezag over haar kinderen, [minderjarige1] en [minderjarige2], te herstellen. De moeder had in eerste aanleg een verzoek ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland, dat op 6 juni 2025 werd afgewezen. De moeder was eerder alleen belast met het gezag, maar dit was in 2020 beëindigd ten gunste van de vader. De kinderen verblijven sinds 2022 in een pleeggezin, waar zij onder toezicht staan van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland. Het hof heeft de procedure in hoger beroep behandeld op 11 november 2025, waarbij de moeder, haar advocaat, de advocaat van de vader, en vertegenwoordigers van de raad voor de kinderbescherming aanwezig waren. Het hof oordeelde dat de moeder niet voldeed aan de voorwaarden voor herstel van het gezag zoals gesteld in artikel 1:277 BW. Het hof benadrukte dat de continuïteit van de opvoedsituatie in het pleeggezin van groot belang is voor de ontwikkeling van de kinderen. De beslissing van de kinderrechter om het gezag niet te herstellen, werd bekrachtigd.