ECLI:NL:GHARL:2025:8050

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
200.354.601
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake gezag en hoofdverblijfplaats van minderjarige na overlijden van de moeder

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de verzoeken van de vader van de minderjarige [minderjarige1] inzake het ouderlijk gezag en de hoofdverblijfplaats. De vader, die een relatie had met de overleden moeder van [minderjarige1], verzocht het hof om hem met het eenhoofdig ouderlijk gezag te belasten en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige1] bij hem te bepalen. De rechtbank Midden-Nederland had eerder de voogd belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige1] en deze beslissing was uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De vader was het niet eens met deze beslissing en ging in hoger beroep.

Tijdens de mondelinge behandeling op 25 november 2025 werd duidelijk dat de vader onvoldoende zicht had op de behoeften van [minderjarige1] en dat het belang van het kind zich verzet tegen het inwilligen van zijn verzoek. Het hof oordeelde dat [minderjarige1] momenteel het beste kan opgroeien bij haar oma, waar zij al woont, en dat de continuïteit van de hulpverlening in haar vertrouwde omgeving niet onderbroken mag worden. Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank en verklaarde de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek over de hoofdverblijfplaats. Tevens werd het verzoek om een omgangsregeling tussen de oma en [minderjarige1] afgewezen, omdat er op dat moment nauwelijks communicatie tussen de vader en de oma was. Het hof benadrukte het belang van een goede communicatie tussen beide partijen in het belang van [minderjarige1].

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.601
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 579109 en 582285)
beschikking van 16 december 2025
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. S.O. Zengin,
en
de raad voor de kinderbescherming,
gevestigd te Utrecht,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de raad,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] , gemeente [plaats1] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de oma,
advocaat: mr. M.M. Hoogerdijk,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd te Utrecht,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de voogd.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 13 februari 2025, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 12 mei 2025;
- het verweerschrift van de raad;
- het verweerschrift van de oma met productie;
- het verweerschrift van de voogd met producties.
2.2
De minderjarige [minderjarige1] heeft bij brief van 18 september 2025 aan het hof haar mening over het verzoek kenbaar gemaakt. Omdat de GI heeft geschreven dat de informatie van [minderjarige1] niet gedeeld mag worden met de overige belanghebbenden en die zich daarover in deze procedure dus niet hebben kunnen uitlaten, kan het hof – voor de onderbouwing van de beslissing in deze zaak – geen acht slaan op die brief.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 25 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad;
- de oma, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de voogd.

3.De feiten

3.1
De vader heeft een relatie gehad met de moeder van [minderjarige1] , geboren [in] 2017. De moeder van [minderjarige1] is [in1] 2024 overleden. Zij had alleen het gezag over [minderjarige1] .
3.2
De rechtbank heeft de voogd bij beschikking van 10 juli 2024 belast met de voorlopige
voogdij over [minderjarige1] .
3.3
[minderjarige1] woont bij de oma.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, de (tot dat moment voorlopige) voogd belast met de voogdij over [minderjarige1] . Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.
4.2
De vader is het niet eens met die beslissing en is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, de verzoeken van de raad alsnog af te wijzen, de vader te belasten met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige1] , de hoofdverblijfplaats van [minderjarige1] bij de vader te bepalen en een omgangsregeling vast te stellen tussen de oma en [minderjarige1] . Ten slotte verzoekt de vader het hof om de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.3
De raad voert verweer en vraagt het hof het verzoek van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
De oma voert verweer en vraagt het hof de verzoeken van de vader af te wijzen.
4.5
De voogd voert verweer en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

De rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
De vader heeft (volgens de Basisregistratie Personen) de Guinese nationaliteit, zodat deze zaak een internationaal karakter heeft. Het hof zal dan ook eerst beoordelen of de Nederlandse rechter ten aanzien van het verzoek rechtsmacht heeft.
5.2
De voorliggende verzoeken hebben betrekking op de ouderlijke verantwoordelijkheid. Gelet op artikel 7 lid 1 van de Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (Brussel II-ter) zijn ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid de gerechten van de lidstaat bevoegd op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Omdat [minderjarige1] op het moment van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg haar gewone verblijfplaats in Nederland had, komt de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toe.
5.3
De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast en daartegen is geen grief gericht. Daarom zal ook het hof bij de beoordeling van het geschil het Nederlandse recht toepassen.
De inhoudelijke beoordeling
Het gezag
5.4
Op grond van artikel 1:253g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt de rechter, als van de ouders diegene overlijdt die het gezag over hun minderjarige kind alleen uitoefent, dat de overlevende ouder of een derde met het gezag over deze kinderen wordt belast. Op grond van het tweede lid doet de rechter dit op verzoek van de raad voor de kinderbescherming, de overlevende ouder of ambtshalve. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat het verzoek om de overlevende ouder met het gezag te belasten slechts wordt afgewezen, als de rechter oordeelt dat het belang van de minderjarige zich tegen inwilliging verzet.
5.5
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat het belang van [minderjarige1] zich verzet tegen het inwilligen van het verzoek van de vader om hem met het gezag over [minderjarige1] te belasten. De beslissing van de rechtbank zal dan ook in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof vindt ook dat de rechtbank die beslissing goed heeft uitgelegd en het hof neemt die uitleg daarom na eigen onderzoek over. Het hof vult die uitleg hieronder nog aan.
5.6
Net als bij de rechtbank is het uitgangspunt van de vader dat hij bij toewijzing van zijn verzoek om te worden belast met het gezag over [minderjarige1] ook zal bewerkstelligen dat [minderjarige1] bij hem komt wonen. Daarmee laat de vader naar het oordeel van het hof zien dat hij (nog steeds) onvoldoende zicht heeft op wat [minderjarige1] nodig heeft, zodat hij haar belangen niet kan vertegenwoordigen. Zoals de raad tijdens de mondelinge behandeling heeft benadrukt, brengt [minderjarige1] door de vele wisselingen in de weekenden waarin zij contact met de vader heeft als gevolg van de door de vader met derden gemaakte afspraken, feitelijk slechts beperkte tijd met de vader en zijn gezin in de thuissituatie van de vader door.
Gevolg daarvan is dat [minderjarige1] voor het wijzigen van haar hoofdverblijfplaats naar de vader op dit moment dan ook onvoldoende vertrouwd is bij de vader. Tot het overlijden van haar moeder woonde [minderjarige1] met haar halfzusje al bij oma. Na de traumatische ervaring van het overlijden van haar moeder en de verhuizing van haar halfzusjes naar hun biologische vader is het voor [minderjarige1] van groot belang dat zij verblijft in een voor haar vertrouwde omgeving, dus bij oma. Ook is het van belang dat de voor haar ingezette hulpverlening in de woonplaats van oma niet onderbroken wordt. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling laten weten dat hij binnenkort gaat verhuizen naar een huis met voldoende slaapkamers en ruimte voor zijn kinderen en dat hij het belang van de continuïteit van de hulpverlening voor [minderjarige1] inziet, maar dit is onvoldoende om de bestaande zorgen rondom de medewerking van vader aan de benodigde hulpverlening voor [minderjarige1] weg te nemen. Daar komt bij dat de vader bij navraag ter zitting geen concreet idee bleek te hebben hoe de continuïteit in de zorgverlening bij een verhuizing van [minderjarige1] naar de gemeente van de vader geborgd kan worden.
5.7
In aanvulling op het voorgaande merkt het hof het volgende op. Sinds de bestreden beschikking heeft de voogd geprobeerd in kaart te brengen waar [minderjarige1] het beste kan opgroeien. De daarvoor benodigde hulpverlening in de thuissituatie bij de vader is door de weigerachtige houding van de vader tot nu toe echter onvoldoende van de grond gekomen. Als gevolg hiervan is inmiddels een jaar verstreken en is er nog steeds geen zicht op de opvoedsituatie van [minderjarige1] bij de vader thuis. Tijdens de mondelinge behadeling heeft de raad benadrukt dat de periode waarin [minderjarige1] in onzekerheid mag verkeren over waar zij gaat opgroeien (de aanvaardbare termijn) bijna is verstreken. De voogd zal dan ook in gesprek met de vader, de oma en hulpverlening moeten bekijken hoe lang nog zal worden ingezet op hulpverlening gericht op het verkrijgen van zicht op de thuissituatie bij de vader. De raad heeft in dat kader laten weten te verwachten dat de vader nog maximaal een half jaar de kans heeft om door middel van de inzet van hulpverlening te laten zien dat hij voor [minderjarige1] kan zorgen. Als daarna blijkt dat het in het belang van [minderjarige1] is dat de vader wordt belast met het gezag, dan zal dat in overleg met de GI kunnen worden bewerkstelligd.
De hoofdverblijfplaats
5.8
Gezien het voorgaande zal de vader op dit moment niet worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige1] . De wet bevat geen mogelijkheid op grond waarvan een ouder zonder gezag de rechter kan verzoeken om wijziging van de hoofdverblijfplaats van zijn of haar kind, zodat het hof de vader niet-ontvankelijk zal verklaren in dit verzoek.
Omgangsregeling met de oma
5.9
Gelet op bovenstaande beslissing over het gezag, komt het hof niet toe aan het verzoek van de vader om een zorgregeling tussen de oma en [minderjarige1] vast te stellen.
5.1
In aanvulling op het voorgaande merkt het hof het volgende op. Er is op dit moment nauwelijks communicatie tussen de vader en de oma. Dit is voor [minderjarige1] niet fijn en dit doet een groot beroep op haar loyaliteit. Het hof vindt het, net als de rechtbank, van belang dat [minderjarige1] fijn contact kan hebben met de beide families. In dat kader is het belangrijk dat de strijd tussen de vader en de oma stopt. Zowel de vader als de oma hebben tijdens de mondelinge behandeling laten weten dat ze voor het overlijden van de moeder een hechte band hadden en dat ze graag willen dat hun onderlinge communicatie en verhouding verbetert. Het is de vader en de oma de afgelopen periode echter niet gelukt om dit zonder hulpverlening te bewerkstelligen. Het hof vindt het daarom van belang dat gekeken wordt naar een geschikt traject dat de vader en de oma kan helpen om hun onderlinge communicatie te verbeteren en verwacht dat de voogd de vader en de oma in het belang van [minderjarige1] daarin zo nodig zal begeleiden.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 13 februari 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige1] ;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, E. de Boer en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier, en is op 16 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.