ECLI:NL:GHARL:2025:8047

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
200.360.708-02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoeken tot schorsing en voorlopige voorzieningen in een zaak over ouderlijke verantwoordelijkheid en verblijfplaats van een minderjarige

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over verzoeken tot schorsing en voorlopige voorzieningen met betrekking tot de verblijfplaats van een minderjarige. De moeder, die in België woont, verzocht om schorsing van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, waarin was bepaald dat de minderjarige bij de vader zou verblijven. De rechtbank had eerder een zorgregeling vastgesteld, maar de moeder was van mening dat de vader niet meewerkte aan de terugkeer van de minderjarige naar België. Het hof heeft de verzoeken van de moeder afgewezen, omdat er geen wettelijke grondslag was om de vader te veroordelen tot medewerking aan de terugkeer van de minderjarige. Het hof oordeelde dat de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad was verklaard en dat partijen moesten blijven voldoen aan de zorgregeling zoals vastgesteld door de rechtbank. De moeder had ook aangevoerd dat er nieuwe feiten waren die de schorsing rechtvaardigden, maar het hof oordeelde dat deze feiten niet nieuw waren en dat de moeder voldoende gelegenheid had gehad om haar standpunten naar voren te brengen. De beslissing van het hof bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en benadrukt het belang van de bestaande zorgregeling voor de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.360.708/02 en 200.360.708/03
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 568014)
beschikking van 16 december 2025 op de verzoeken tot schorsing en tot het treffen van voorlopige voorzieningen
inzake
[appellante],
die woont in [woonplaats1] , België,
verzoekster, verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.T.N. Whiterod-Tee,
en
[geïntimeerde],
die woont in [woonplaats2] ,
verweerder, verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. T. de Jong.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 10 mei 2024, 28 juni 2024 en 9 juli 2025, uitgesproken onder zaaknummer 568014. De beschikking van 9 juli 2025 wordt hierna ook genoemd: de bestreden beschikking.
2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot de verzoeken tot schorsing en tot het treffen van een voorlopige voorziening
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing en tot het treffen van voorlopige voorzieningen en met producties, ingekomen op 9 oktober 2025;
- een journaalbericht namens de moeder van 21 november 2025, met producties;
- het verweerschrift met producties;
- een journaalbericht namens de moeder van 27 november 2025, met een productie.
2.2
De zitting was op 1 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
3. De feiten
3.1
Partijen zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in]
2020, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
3.2
In de bestreden beschikking van 9 juli 2025 heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige] voortaan zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft en als zorgregeling vastgesteld:
- [minderjarige] verblijft om het weekend van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur bij de
moeder, waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag naar de moeder brengt en de moeder
[minderjarige] op zondag weer naar de vader brengt;
- [minderjarige] verblijft bij de moeder op een aan het weekend van de moeder grenzende
vrije dag (bijvoorbeeld een studiedag of feestdag);
Als vakantieregeling heeft de rechtbank vastgesteld dat [minderjarige] bij de moeder verblijft tijdens:
  • de voorjaarsvakantie;
  • de eerste week van de meivakantie, in de even jaren en tijdens de tweede week van de
meivakantie, in de oneven jaren;
  • de eerste vier weken van de zomervakantie;
  • de herfstvakantie;
  • de eerste week van de Kerstvakantie (en dus ook de Kerstdagen), in de even jaren en
  • tijdens de tweede week van de Kerstvakantie (en dus ook Oud & Nieuw), in de
oneven jaren;
De rechtbank heeft deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de verzoeken van de ouders voor het overige afgewezen.
3.3
Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 15 augustus 2025 (aangevuld bij vonnis van 20 augustus 2025) heeft de voorzieningenrechter de vader vervangende toestemming verleend om [minderjarige] in te schrijven op de school [basisschool] in [woonplaats2] . Daarnaast heeft de voorzieningenrechter de moeder veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling zoals die bij beschikking van 9 juli 2025 is bepaald. Verder heeft de voorzieningenrechter de moeder veroordeeld om ervoor te zorgen dat [minderjarige] uiterlijk 18 augustus 2025 om 13:00 uur weer bij de vader is. Aan beide veroordelingen heeft de voorzieningenrechter een dwangsom verbonden van € 250,- voor iedere dag dat de moeder niet aan de veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt.
Bij arrest in het incident van 11 november 2025 heeft dit hof de vordering van de moeder tot schorsing van dat vonnis afgewezen.

4.De motivering van de beslissing

in zaaknummers 200.260.708/02 en 200.360.708/03:
4.1
Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om het verzoek van de moeder de schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking, voor zover daarin is beslist dat [minderjarige] voortaan zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft en een zorgregeling is vastgesteld. De moeder verzoekt het hof de vader te veroordelen mee te werken aan de terugkeer van [minderjarige] naar zijn moeder, waarbij de vader [minderjarige] uitschrijft in Nederland.
4.2
De moeder verzoekt het hof daarnaast voorlopige voorzieningen te treffen die er (primair) uit bestaan dat [minderjarige] – in afwachting van de einduitspraak van het hof in de hoofdzaak – bij de moeder in België verblijft en daar op school kan worden ingeschreven, en dat een voorlopige zorgregeling wordt vastgesteld voor de duur van de procedure in de hoofdzaak. Subsidiair verzoekt de moeder, als [minderjarige] bij de vader verblijft, een voorlopige zorg- en vakantieregeling vast te leggen, en daarnaast een (video)belregeling tussen haar en [minderjarige] .
4.3
De vader voert gemotiveerd verweer. Hij stelt zich op het standpunt dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoeken dan wel dat die verzoeken ongegrond verklaard of afgewezen moeten worden.
Bevoegdheid van de Nederlandse rechter
4.4
Omdat deze zaak internationale aspecten heeft, moet het hof eerst ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is (rechtsmacht heeft) om over de voorgelegde verzoeken te oordelen en, zo ja, welk recht op de verzoeken moet worden toegepast. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is (rechtsoverweging 3.1 van de tussenbeschikking van 10 mei 2024). De moeder heeft (in de hoofdzaak) in haar eerste grief betoogd dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is.
Het hof komt na onderzoek tot dezelfde conclusie als de rechtbank, zij het op grond van een ander wetsartikel.
4.5
De verzoeken in de hoofdzaak zien op de ouderlijke verantwoordelijkheid. Daarmee vallen zij binnen het toepassingsgebied van de Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (hierna: Brussel II-ter) (artikel 1 lid 1, aanhef en onder b, Brussel II-ter). [1] Ook verzoeken tot het treffen van voorlopige voorzieningen en schorsing van de uitvoerbaarheid van de bestreden beschikking vallen binnen het toepassingsgebied.
Voor de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is en aan hem dus rechtsmacht toekomt, is in zaken over de ouderlijke verantwoordelijkheid als uitgangspunt bepalend wat de gewone verblijfplaats is van het kind op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt (artikel 7 lid 1 Brussel II-ter). Op dat uitgangspunt geldt een aantal uitzonderingen (artikel 7 lid 2 Brussel II-ter), waarvan in deze zaak geen sprake is.
4.6
Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de gewone verblijfplaats van een kind worden bepaald aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval. Naast de fysieke aanwezigheid van het kind op het grondgebied van een lidstaat moeten andere factoren aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat, de nationaliteit van het kind, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind. [2]
4.7
Het hof is van oordeel dat [minderjarige] op het moment dat de moeder haar verzoekschrift bij de rechtbank heeft ingediend, 27 december 2023, zijn gewone verblijfplaats in Nederland had. Het volgende is van belang. [minderjarige] is [in] 2020 in Italië geboren. De ouders woonden met [minderjarige] sinds half 2021 in Nederland. Nadat de ouders uit elkaar zijn gegaan, is de moeder in februari 2023 vanuit Nederland naar België verhuisd. De vader is in Nederland gebleven. [minderjarige] stond op zijn adres ingeschreven, doordeweeks was [minderjarige] bij de moeder in België. De ouders hebben een ‘temporare parenting agreement' (TPA) ondertekend. Daarin hebben zij afgesproken dat de moeder en [minderjarige] tijdelijk in België gaan wonen, en dat een zorgregeling geldt tussen [minderjarige] en de vader (zie ‘vaststaande feiten’ in de bestreden beschikking). De vader heeft, in het verweerschrift in deze schorsings- en voorlopige voorzieningenprocedure, onbetwist, aangevoerd dat hij de moeder geen toestemming heeft gegeven voor een permanent verblijf van [minderjarige] in België. Dat kan ook worden afgeleid uit het gegeven dat de moeder in haar inleidende verzoek van 27 december 2023 heeft verzocht vervangende toestemming te verkrijgen om met [minderjarige] in België te blijven/gaan wonen.
Al het voorgaande maakt dat het hof van oordeel is dat [minderjarige] op 27 december 2023 zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.
4.8
De rechtbank heeft het Nederlandse recht toegepast. De ouders hebben hier beiden mee ingestemd, althans, er geen bezwaar of grief tegen geuit. Het hof zal ook het Nederlandse recht tot uitgangspunt nemen.
Schorsingsverzoek
4.9
Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.
4.1
De moeder stelt dat sprake is van een summiere motivering in de bestreden beschikking. Voor zover de moeder bedoelt te stellen dat de rechtbank de uitvoerbaarheid bij voorraad summier heeft gemotiveerd, overweegt het hof dat daaraan geen vereisten worden gesteld, maar dat voor het hof voldoende vaststaat dat sprake is van een gemotiveerde uitvoerbaarheid bij voorraad. Het hof verwijst daarvoor naar de overwegingen 3.20 en 3.21 van de bestreden beschikking, onder het kopje
De uitvoerbaarheid bij voorraad,waarin de rechtbank uitlegt waarom de beschikking uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.
4.11
Zoals hiervoor overwogen heeft de rechtbank de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard en deze toegelicht. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust. Ook kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Die feiten moeten kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken. [3]
4.12
De moeder stelt dat er relevante nieuwe feiten en omstandigheden zijn waarmee de rechtbank geen rekening heeft gehouden, omdat uit het bij haar afgenomen MASIC-onderzoek en de door haar ingevulde
factsheetintieme terreur volgt dat sprake is van intieme terreur/dwingende controle. Het handelen van de vader moet ook in het licht daarvan moet worden gezien, aldus de moeder. Het hof volgt die redenering echter niet. Daarbij overweegt het hof dat het onderzoek slechts een eenzijdige weergave geeft van wat zou hebben plaatsgevonden tussen de ouders, omdat de vader niet bij dat MASIC-onderzoek is betrokken. De vader ontkent bovendien dat sprake was van intieme terreur/dwingende controle en stelt vragen bij de onafhankelijkheid van de persoon die de MASIC heeft afgenomen. Daarnaast is het geen nieuw feit of omstandigheid dat eventueel sprake zou zijn van intieme terreur/dwingende controle, aangezien dit volgens de moeder al tijdens en na de relatie en voordat de bestreden beschikking bekend werd, heeft plaatsgevonden. Het betreft dus geen nieuw feit of omstandigheid waarmee in de bestreden beschikking geen rekening gehouden kon worden. Dat de moeder zich door professionals niet gehoord heeft gevoeld over haar ervaringen met de vader maakt het voorgaande niet anders. Daarbij overweegt het hof dat de moeder in het kader van een raadsonderzoek en een door haar verzochte aanvulling daarop, voldoende gelegenheid heeft gehad om zich uit te spreken. Daarnaast werd de moeder gedurende de procedure bijgestaan door een advocaat.
Dat sprake is van een nieuw feit omdat de vader het contact van de moeder met [minderjarige] belemmert, volgt het hof ook niet. Dat, zoals de moeder aanvoert, [minderjarige] op 18 augustus 2025 naar de vader is gegaan en de moeder [minderjarige] pas op 12 september 2025 weer heeft gezien en gesproken, volgt immers uit de in de bestreden beschikking bepaalde zorgregeling waarbij [minderjarige] de laatste twee weken van de zomervakantie bij de vader verblijft en om de week een weekend bij de moeder doorbrengt. Daarnaast heeft de vader gemotiveerd betwist dat op 2 oktober 2025 sprake was van een studiedag en dat [minderjarige] op die dag bij de moeder had moeten zijn. Dat de vader, volgens de moeder, het videobellen tussen [minderjarige] en de moeder weigert te faciliteren is ook geen nieuwe omstandigheid. Videobellen lag niet voor bij de rechtbank. Bovendien heeft de vader toegelicht dat hij zich genoodzaakt zag om een korte periode geen videocontact te laten plaatsvinden omdat de moeder tijdens het videobellen belastende uitspraken deed richting [minderjarige] . Inmiddels is er weer op regelmatige basis videobelcontact, aldus de vader.
4.13
Verder overweegt het hof dat de moeder niet heeft gesteld dat sprake is van een kennelijke misslag en dat daarvan ook niet is gebleken, zodat het hof ook op die grond geen reden ziet om tot schorsing over te gaan.
4.14
Het hof begrijpt uit de stellingen van de moeder ten slotte dat zij zich niet kan vinden in de beslissing van de rechtbank en de onderliggende motiveringen.
Daarover kan of zal echter op een later moment in de bodemzaak worden geoordeeld. Het hof zal het schorsingsverzoek van de moeder op grond van het voorgaande afwijzen.
Verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening
4.15
Aangezien de hoofdzaak tussen partijen bij dit hof aanhangig is, is de moeder ontvankelijk in haar verzoek tot het vaststellen van een voorlopige voorziening
gelet op het bepaalde in artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
4.16
De moeder verzoekt het hof de vader te veroordelen om mee te werken aan terugkeer van [minderjarige] naar België en zij verzoekt daarnaast (primair) te bepalen dat [minderjarige] voor de duur van de bodemprocedure bij de moeder in België woont en daar naar school gaat, met een zorgregeling voor de vader. Zij heeft ook nog een subsidiair verzoek gedaan waarbij zij verzoekt een zorgverdeling te bepalen voor het geval [minderjarige] (naar het hof begrijpt) zijn hoofdverblijfplaats bij de vader houdt. De moeder voert daartoe aan dat het belang van [minderjarige] is dat hij, in afwachting van onderzoek en de procedure in de hoofdzaak, terugkeert naar zijn vertrouwde omgeving in België.
4.17
Het hof zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen. Een wettelijke grondslag om de vader te veroordelen om mee te werken aan terugkeer van [minderjarige] naar België ontbreekt. Aan een beslissing waarbij wordt bepaald dat [minderjarige] voor de duur van de procedure bij de moeder in België woont en daarbij een zorgregeling met de vader vaststelt, komt het hof evenmin toe. Dat geldt ook voor het subsidiaire verzoek om een zorgregeling met de moeder vast te stellen. Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad zal namelijk worden afgewezen en dat betekent dat partijen, in ieder geval totdat in de hoofdzaak zal zijn beslist, uitvoering moeten blijven geven aan hetgeen in de bestreden beschikking is beslist. Wat betreft het verzoek van de moeder om te bepalen dat [minderjarige] in België naar school gaat, overweegt het hof dat de schoolkeuze bij de rechtbank niet voorlag, zodat het hof daarop in hoger beroep niet kan beslissen.

4.De beslissing

Het hof:
in zaaknummers 200.260.708/02 en 200.360.708/03:
wijst de verzoeken van de moeder af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, R. Feunekes en S. Kuijpers en is op
16 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking).
2.Zie HvJ EU 28 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:513, HvJ EU 22 december 2010, ECLI:EU:C:2010:829 en HvJ EG 2 april 2009, ECLI:EU:C:2009:225.
3.HR 20 december 2019,