Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster, verder te noemen: de vrouw,
1.Het geding in eerste aanleg
- de moeder met haar advocaat;
- de voorjaarsvakantie;
- de eerste week van de meivakantie, in de even jaren en tijdens de tweede week van de
- de eerste vier weken van de zomervakantie;
- de herfstvakantie;
- de eerste week van de Kerstvakantie (en dus ook de Kerstdagen), in de even jaren en
- tijdens de tweede week van de Kerstvakantie (en dus ook Oud & Nieuw), in de
4.De motivering van de beslissing
Het hof komt na onderzoek tot dezelfde conclusie als de rechtbank, zij het op grond van een ander wetsartikel.
Voor de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is en aan hem dus rechtsmacht toekomt, is in zaken over de ouderlijke verantwoordelijkheid als uitgangspunt bepalend wat de gewone verblijfplaats is van het kind op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt (artikel 7 lid 1 Brussel II-ter). Op dat uitgangspunt geldt een aantal uitzonderingen (artikel 7 lid 2 Brussel II-ter), waarvan in deze zaak geen sprake is.
Al het voorgaande maakt dat het hof van oordeel is dat [minderjarige] op 27 december 2023 zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.
De uitvoerbaarheid bij voorraad,waarin de rechtbank uitlegt waarom de beschikking uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.
factsheetintieme terreur volgt dat sprake is van intieme terreur/dwingende controle. Het handelen van de vader moet ook in het licht daarvan moet worden gezien, aldus de moeder. Het hof volgt die redenering echter niet. Daarbij overweegt het hof dat het onderzoek slechts een eenzijdige weergave geeft van wat zou hebben plaatsgevonden tussen de ouders, omdat de vader niet bij dat MASIC-onderzoek is betrokken. De vader ontkent bovendien dat sprake was van intieme terreur/dwingende controle en stelt vragen bij de onafhankelijkheid van de persoon die de MASIC heeft afgenomen. Daarnaast is het geen nieuw feit of omstandigheid dat eventueel sprake zou zijn van intieme terreur/dwingende controle, aangezien dit volgens de moeder al tijdens en na de relatie en voordat de bestreden beschikking bekend werd, heeft plaatsgevonden. Het betreft dus geen nieuw feit of omstandigheid waarmee in de bestreden beschikking geen rekening gehouden kon worden. Dat de moeder zich door professionals niet gehoord heeft gevoeld over haar ervaringen met de vader maakt het voorgaande niet anders. Daarbij overweegt het hof dat de moeder in het kader van een raadsonderzoek en een door haar verzochte aanvulling daarop, voldoende gelegenheid heeft gehad om zich uit te spreken. Daarnaast werd de moeder gedurende de procedure bijgestaan door een advocaat.
Daarover kan of zal echter op een later moment in de bodemzaak worden geoordeeld. Het hof zal het schorsingsverzoek van de moeder op grond van het voorgaande afwijzen.