ECLI:NL:GHARL:2025:8011

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
21-003666-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in ontnemingszaak met betrekking tot wederrechtelijk verkregen voordeel uit de verkoop van toetsen

In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 12 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een beslissing van de rechtbank Overijssel. De rechtbank had op 25 juli 2023 vastgesteld dat de betrokkene, geboren in 1995, wederrechtelijk verkregen voordeel had van € 23.310,00, dat hij moest betalen aan de Staat. Het hof heeft de zaak opnieuw beoordeeld, waarbij het de zittingen van zowel het hof als de rechtbank in overweging heeft genomen. De advocaat-generaal heeft de oorspronkelijke vordering gehandhaafd, terwijl de verdediging betoogde dat het aantal verkochte toetsen en de prijs per toets niet correct waren vastgesteld. Het hof heeft vastgesteld dat de betrokkene 126 toetsen had verkocht en dat de juiste verkoopprijs € 120,00 per toets was. Dit leidde tot een schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 11.340,00. Het hof heeft de verplichting tot betaling aan de Staat vastgesteld op dit bedrag en de duur van de gijzeling op 226 dagen. De beslissing van de rechtbank is vernietigd en het hof heeft opnieuw recht gedaan.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003666-23
Uitspraakdatum: 12 december 2025
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Overijssel van 25 juli 2023 met parketnummer 08-034551-22 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de terechtzitting van het hof van 28 november 2025 en wat op de terechtzitting bij de rechtbank Overijssel van 13 juni 2023 is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van dat wat door de advocaat-generaal en door betrokkene en zijn raadsvrouw, mr. N.L.A.N. Weusthof, is aangevoerd.

De beslissing van de rechtbank

De rechtbank heeft bij bovengenoemde beslissing het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene moet worden geschat, vastgesteld op € 23.310,00. De rechtbank heeft verder aan betrokkene de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op eenzelfde bedrag van € 23.310,00 en bepaald dat de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering kan worden gevorderd ten hoogste 466 dagen is.
Het hof verenigt zich niet met de beslissing van de rechtbank. Dit omdat het hof komt tot een andere schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, en daarmee ook tot een andere betalingsverplichting aan de Staat en duur van de gijzeling. Het hof zal de beslissing van de rechtbank dan ook vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Vordering

Het openbaar ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 23.310,00. Daarnaast heeft het openbaar ministerie gevorderd dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag. In hoger beroep is de advocaat-generaal bij de oorspronkelijke vordering gebleven.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Aantal toetsen
De raadsvrouw heeft zich namens betrokkene op het standpunt gesteld dat het aantal verkochte toetsen waar in het Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel per delict van 25 juli 2022 (hierna: het Rapport WVV) en in het proces-verbaal van bevindingen van 24 april 2023 vanuit wordt gegaan (259 toetsen) niet overeenkomt met het aantal toetsen dat betrokkene daadwerkelijk tegen betaling heeft verkocht. Uit de administratielijsten die betrokkene in zijn notities heeft bijgehouden en die in het dossier zijn opgenomen, blijkt dat hij niet voor elke daarin genoemde toets daadwerkelijk een betaling heeft ontvangen. De toetsen die betrokkene heeft doorgegeven aan anderen zonder er betaling voor te ontvangen zijn echter door de verbalisant onterecht toch meegenomen in de telling van het aantal verkochte toetsen. Bovendien bevatten de verschillende administratielijsten van betrokkene dubbelingen. Ook deze dubbelingen zijn door de verbalisant onterecht meegenomen in de telling van het aantal verkochte toetsen. Zonder de dubbelingen en de toetsen waarvoor betrokkene geen betaling heeft ontvangen, gaat het om een aantal verkochte toetsen van 126. Van dit aantal dient dan ook uitgegaan te worden bij het berekenen van het genoten voordeel.
Prijs per toets
Tevens heeft de raadsvrouw gesteld dat het verkoopbedrag per toets waar in het rapport vanuit wordt gegaan (€ 120,00) te hoog is. Uit het dossier blijkt dat betrokkene in een door hem gestuurd Whatsappbericht heeft gezegd dat hij normaal € 150,00 per toets vraagt, bij een afname van vijf toetsen €120,00 per toets vraagt, maar dat hij voor “ [naam 1] ” een uitzondering maakt en € 100,00 per toets vraagt. Dit is echter enkel op te vatten als een soort verkooptruc om een illusie van korting te geven, terwijl betrokkene standaard een verkoopprijs hanteerde van € 100,00. Daarom dient bij het berekenen van het voordeel van een verkoopbedrag van € 100,00 per toets te worden uitgegaan.
Ten aanzien van de verplichting tot betaling aan de Staat
Ten aanzien van de betalingsverplichting aan de Staat heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat deze op nihil dient te worden vastgesteld. Dit zodat het geldbedrag dat betrokkene wederrechtelijk verdiend zou hebben, kan worden gebruikt om (een deel van) de vordering te voldoen die de benadeelde partij heeft ingediend in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak. Op die manier wordt er niet enkel recht gedaan aan het gegeven dat misdaad niet loont, betrokkene is immers zijn winst ook dan kwijt, maar wordt [benadeelde] als benadeelde partij tegelijkertijd gecompenseerd in (een deel van) diens schade.
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Betrokkene is bij arrest van dit hof van 12 december 2025 veroordeeld voor
  • het verwerven en voorhanden hebben van niet-openbare gegevens, terwijl hij ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen van deze gegevens wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze door misdrijf zijn verkregen, en
  • het ter beschikking stellen van niet-openbare gegevens aan anderen, het bekendmaken van niet-openbare gegevens aan anderen, het uit winstbejag voorhanden hebben en het gebruiken van niet openbare gegevens, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het door misdrijf verkregen gegevens betrof.
Uit het strafdossier [1] , vorenbedoeld arrest van het hof in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak (en de daarin uitgewerkte bewijsmiddelen) en bij de behandeling van de ontnemingsvordering op de zitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen wederrechtelijk financieel voordeel heeft genoten. Om tot een schatting van dit financiële voordeel te komen, heeft het hof (naast voornoemd arrest) als uitgangspunt genomen de berekening die in het Rapport WVV [2] is opgenomen. In het rapport is het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend door het aantal tegen betaling door betrokkene verkochte toetsen te vermenigvuldigen met de verkoopprijs per toets en daar de kosten voor het verkrijgen van de toetsen vanaf te trekken. [3]
In het Rapport WVV is uitgegaan van 240 verkochte toetsen, maar uit het proces-verbaal van bevindingen van 24 april 2024 [4] blijkt dat dit volgens de verbalisant 259 toetsen zouden moeten zijn. De verbalisant heeft deze aantallen gebaseerd op de administratielijsten die op de gegevensdragers van betrokkene zijn aangetroffen. [5] De raadsvrouw merkt naar het oordeel van het hof terecht op dat bij het vaststellen van dit aantal geen rekening is gehouden met de toetsen die weliswaar in de administratielijsten zijn opgenomen, maar waar betrokkene geen betaling voor heeft ontvangen. Ook is geen rekening gehouden met de dubbelingen in de administratielijsten. Een en ander leidt er naar het oordeel van het hof toe dat er in lijn met het standpunt van de raadsvrouw uitgegaan dient te worden van 126 verkochte toetsen.
Ten aanzien van de verkoopprijs per toets geldt dat uit het dossier blijkt dat betrokkene in een Whatsappbericht naar “ [naam 1] ” heeft gezegd dat hij normaal € 150,00 per toets vraagt, bij een afname van vijf toetsen € 120,00 per toets vraagt, maar dat hij voor “ [naam 1] ” een uitzondering maakt en € 100,00 per toets vraagt. [6] Hieruit kan worden opgemaakt dat betrokkene normaal gesproken minimaal € 120,00 per toets vroeg en dat de prijs van € 100,00 per toets een uitzondering was. Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor de stelling dat het hier om een soort verkooptruc zou gaan zoals de raadsvrouw naar voren heeft gebracht. Het hof zal daarom uitgaan van een opbrengst van € 120,00 per toets.
Ten aanzien van de kosten voor de inkoop van de toetsen bij [naam 2] zal het hof aansluiting zoeken bij het bedrag zoals opgenomen in het Rapport WVV, te weten € 30,00 per toets. [7] Dit is in het voordeel van betrokkene nu hierbij geen rekening is gehouden met de toetsen ten aanzien waarvan verdachte slechts éénmaal kosten heeft gemaakt, maar meerdere keren heeft verkocht.
Het hiervoor overwogene levert de volgende berekening op: 126 (toetsen) x (€ 120,00 - € 30,00) = € 11.340,00. Het hof zal het door betrokkene genoten wederrechtelijk verkregen voordeel dan ook schatten op een bedrag van € 11.340,00.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Persoonlijke omstandigheden betrokkene
Betrokkene heeft op de zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat hij vanwege het in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak bewezenverklaarde handelen zijn studie niet meer af heeft kunnen maken bij [benadeelde] . Hij heeft er daarom voor gekozen te gaan werken in de zorg als ambulante begeleider. Dit doet hij momenteel nog steeds. Hij wil graag weer zijn studie gaan afmaken. Hij heeft zich daarvoor ingeschreven bij de hogeschool in [plaats] en hoopt vanaf februari 2026 in te kunnen stromen.
De verplichting tot betaling aan de Staat
Het hof gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat de betrokkene in staat zal zijn om aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen. Het hof ziet geen aanleiding om dit bedrag te matigen, ook niet in hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht. Het in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak toegewezen bedrag ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij leent zich namelijk niet voor verrekening ten aanzien van de betalingsverplichting aan de Staat. Het bedrag dat betrokkene aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten met de doorverkoop van toetsen staat niet in directe relatie tot het bedrag dat de benadeelde partij aan schade heeft geleden ten gevolge van het handelen van betrokkene.
Het hof stelt daarom de verplichting tot betaling aan de Staat vast op hetzelfde bedrag als waarop het wederrechtelijke verkregen voordeel is geschat, te weten € 11.340,00.

Wetsartikelen

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

stelthet bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 11.340,00 (elfduizend driehonderdveertig euro).
Legtde betrokkene de
verplichting op tot betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 11.340,00 (elfduizend driehonderdveertig euro).
Bepaaltde
duur van de gijzelingdie ten hoogste kan worden gevorderd op
226 dagen.
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. M.C. van Linde en mr. I. Augusteijn, in aanwezigheid van de griffier mr. I.C. Bita en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 12 december 2025.

Voetnoten

1.Wanneer hierna naar paginanummers wordt verwezen, worden hiermee bedoeld paginanummers van in wettelijke vorm, door de daartoe bevoegde ambtenaren, opgemaakte processen-verbaal uit het politiedossier Furud22/ON2R022006 van Politie Oost-Nederland, onderzoeksnummer ON2R022006, van 29 juli 2022 op ambtseed gesloten en ondertekend door verbalisant B.A.I. Beuwer.
2.P. 518 tot en met 532.
3.P. 532.
4.P. 1012.
5.P. 978 tot en met 979 en 987 tot en met 1011.
6.P. 964.
7.P. 531.