ECLI:NL:GHARL:2025:8000

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
24/1454 en 24/1455
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet waardering onroerende zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging waardevaststelling restaurant en dansschool volgens Wet WOZ

Belanghebbende is eigenaar van twee onroerende zaken: een restaurant met zalencentrum en een pand in gebruik als dansschool. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarden van deze panden per peildatum 1 januari 2020 vast op respectievelijk €580.000 en €245.000, met bijbehorende aanslagen onroerendezaakbelasting voor 2021.

Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waardebepalingen, maar de heffingsambtenaar handhaafde de beschikkingen. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij de Rechtbank Gelderland, die het beroep ongegrond verklaarde maar wel proceskosten en immateriële schade aan belanghebbende toekende, evenals vergoeding van het griffierecht.

Belanghebbende ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Na onderzoek ter zitting op 3 september 2025, waarbij gemachtigde en vertegenwoordigers van de heffingsambtenaar verschenen, oordeelde het Hof dat de Rechtbank op goede gronden had beslist. Het Hof volgde de eerdere overwegingen en wees het hoger beroep af. Vergoedingen voor proceskosten en griffierecht werden niet toegekend.

De uitspraak werd op 9 december 2025 in het openbaar uitgesproken door voorzitter R.A.V. Boxem, met griffier dr. J.W.J. de Kort. Beide partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de WOZ-waardevaststelling van het restaurant en de dansschool wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/1454 en 24/1455
uitspraakdatum: 9 december 2025
Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 4 juli 2024, nummers ARN 22/3109 en 22/3310, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van het gemeentelijk belastingkantoor Munitax(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarden van de onroerende zaken [adres1] 8 en [adres2] 27 te [plaats1] , per waardepeildatum 1 januari 2020 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 580.000 respectievelijk € 245.000. Tegelijk met deze beschikkingen zijn aanslagen onroerendezaakbelasting 2021 (OZB) voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte vastgesteld.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikkingen en de aanslagen gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en aan belanghebbende een vergoeding van proceskosten en immateriële schade toegekend. Tevens heeft de Rechtbank vergoeding gelast van het door belanghebbende betaalde griffierecht.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. D.A.N. Bartels als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] en [naam2] namens de heffingsambtenaar

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van beide objecten. [adres1] 8 betreft een restaurant met zalencentrum, [adres2] 27 betreft een pand dat in gebruik is als dansschool.

3.Geschil

3.1.
In geschil is de waarde van de objecten.
3.2.
De door de Rechtbank toegekende vergoedingen voor proceskosten en immateriële schade zijn niet in geschil.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Naar het oordeel van het Hof, heeft de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof maakt deze overwegingen dan ook tot de zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep op dit punt nader heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is op 9 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.W.J. de Kort) (R.A.V. Boxem)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.