ECLI:NL:GHARL:2025:7962

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
21-003718-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor doxing en smaadschrift met vernietiging van het vonnis van de politierechter

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 11 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. De verdachte is veroordeeld voor doxing en smaadschrift. Het hof vernietigt het eerdere vonnis en oordeelt dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging, ondanks het ontbreken van een formele klacht. De verdachte heeft via sociale media kwalijke uitlatingen gedaan over de benadeelde partij, wat heeft geleid tot ernstige gevolgen voor haar persoonlijke en professionele leven. Het hof legt een taakstraf op van 120 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, en een proeftijd van drie jaren. Tevens wordt de verdachte verplicht om zich te onthouden van uitlatingen over de benadeelde partij op sociale media. De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend, die door het hof volledig is toegewezen, ter hoogte van € 2.500,00 voor immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003718-24
Uitspraakdatum: 11 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 2 september 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-108601-24 en 18-190103-24, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1969 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 november 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vernietiging van het vonnis van de politierechter;
  • veroordeling van verdachte ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten in de zaak met parketnummer 18-108601-24 en de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten in de zaak met parketnummer 18-190103-24 tot een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, een gevangenisstraf van twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en oplegging van een bijzondere voorwaarde;
- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] , voor het bedrag van € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en bepaling dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is.
Deze vordering is na voorlezen aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. M.R.M. Schaap, en de vertegenwoordiger van de benadeelde partij [benadeelde] , de heer [naam 1] van Slachtofferhulp Nederland, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft bij vonnis van 2 september 2024 verdachte veroordeeld voor het onder 1 ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18-108601-24 en het onder 1 ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18-190103-24 tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, een gevangenisstraf van 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18-108601-24 en het onder 2 ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18-190103-24 heeft de politierechter het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over de strafoplegging en ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 18-108601-24:
1.
zij op of omstreeks 1 februari 2024 te [plaats 1] een of meer persoonsgegevens van een ander/of een derde, te weten naam en/of initialen en woonplaats van [benadeelde] zich heeft verschaft, heeft verspreid en/of anderszins ter beschikking heeft gesteld, met het oogmerk om [benadeelde]
- vrees aan te (laten)jagen
- ernstige overlast aan te (laten) doen en/of
- in de uitoefening van haar ambt of beroep ernstig te (laten) hinderen;
2.
zij op of omstreeks 1 februari 2024 te [plaats 1] opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [benadeelde] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door een reactie onder openbaar bericht van RTV Noord op Facebook te plaatsen, inhoudende: “ [benadeelde] uit [plaats 2] heeft mijn kleinzoon toegetakeld”;
Zaak met parketnummer 18-190103-24 (gevoegd):
1.
zij in de periode van 17 april 2024 tot en met 19 april 2024 te [plaats 1] een of meer persoonsgegevens van een ander/of een derde, te weten te weten de initialen en woonplaats van [benadeelde] zich heeft verschaft, heeft verspreid en/of anderszins ter beschikking heeft gesteld, met het oogmerk om [benadeelde]
- vrees aan te (laten)jagen
- ernstige overlast aan te (laten) doen en/of
- in de uitoefening van haar ambt of beroep ernstig te (laten) hinderen;
2.
zij in de periode van 17 april 2024 tot en met 19 april 2024 te [plaats 1] opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [benadeelde] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door een reactie onder een openbaar bericht van [website 2] op Facebook te plaatsen, inhoudende: “Zwart op wit dat deze dame 2x ad haren van mijn kleinzoon heeft getrokken. Ik schreef: [benadeelde] . uit een dorp in [plaats 1] heeft mijn kleinzoon mishandeld”;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 2

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging, nu voldoende uit het dossier is gebleken dat aangeefster vervolging wenste. Hiertoe heeft het Openbaar Ministerie een aanvullend proces-verbaal aan het dossier toegevoegd waaruit de klacht blijkt.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde in beide zaken niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Daartoe heeft de raadsvrouw – kort samengevat en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat een formele klacht ontbreekt en het dossier geen enkele aanleiding geeft om aan te nemen dat aangeefster de wens had een openbare behandeling af te dwingen. Dat het Openbaar Ministerie op een later moment een aanvullend proces-verbaal aan het dossier heeft toegevoegd, maakt dit niet anders, nu van deze wens tot vervolging buiten de drie-maandentermijn is gebleken.
Oordeel van het hof
Vervolging van smaad of laster kan alleen plaatsvinden als een klacht is gedaan door degene tegen wie het misdrijf is begaan.
Uit de jurisprudentie volgt dat het ontbreken van een (formele) klacht bij klachtdelicten niet zonder meer tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie hoeft te leiden, indien de klachtgerechtigde te kennen heeft gegeven vervolging te wensen (vergelijk HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2242, r.o. 4.2.2). Naar huidig recht geldt dat het bij klachtdelicten erom gaat dat vervolging van de verdachte de instemming geniet van degene die aangifte doet. Doorslaggevend is of op grond van het strafdossier en/of het onderzoek ter terechtzitting komt vast te staan dat het ook de uitdrukkelijke wens is van degene die aangifte heeft gedaan dat het openbaar ministerie vervolging instelt tegen de verdachte ten aanzien van het feit.
In het eerste lid van artikel 66 Sr is bepaald dat de klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit.
De Hoge Raad heeft bij voornoemd arrest van 4 december 2018 geoordeeld dat de klachtgerechtigde zijn bevoegdheid slechts gedurende de in de wet genoemde klachttermijn kan uitoefenen. Ingeval de klacht niet voldoet aan alle formele wettelijke eisen of niet is ingediend bij de bevoegde ambtenaar, maar vaststaat dat de klachtgerechtigde de vervolging heeft gewenst, zal van die wens binnen de termijn van drie maanden moeten zijn gebleken.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het gerechtshof (enige) ruimte heeft om concreet te beoordelen wanneer de klachttermijn is aangevangen, maar dat een binnen de wettelijke termijn ingediende klacht bij klachtdelicten onverkort als voorwaarde geldt voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Als een dossier wel een aangifte maar geen verzoek tot vervolging inhoudt kan toch het bestaan van een klacht als bedoeld in artikel 164 Sv worden aangenomen, als komt vast te staan dat de aangever toen de aangifte werd opgemaakt de bedoeling had dat de verdachte zou worden vervolgd.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-108601-24 stelt het hof vast dat aangeefster op 9 februari 2024 aangifte heeft gedaan, waarin is opgenomen dat aangeefster op de Facebookpagina van verdachte een bericht zag over haar (aangeefster), waarin haar voornaam en woonplaats werden benoemd. In de aangifte staat vermeld “Ik doe hierbij aangifte van smaad laster dan wel doxing door middel van Facebook.”
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-190103-24 stelt het hof vast dat aangeefster op 1 mei 2024 aangifte heeft gedaan, waarin is opgenomen dat aangeefster door de politie op de hoogte is gebracht dat haar naam en initialen opnieuw op Facebook zijn gedeeld, naar aanleiding van de eerdere zaak. Aangeefster heeft laten weten dat zij opnieuw aangifte wilde doen. In de aangifte staat vermeld: “Ik doe aangifte van doxing. Mijn gegevens zijn zonder mijn toestemming online gedeeld op een online platform, dit om mij in een kwaad daglicht te zetten en reacties te provoceren. Door het delen van mijn gegevens vrees ik voor de veiligheid van mij en mijn gezin, gezinsleden van mij zijn namelijk al aangesproken over dit geheel. Eerder heb ik ook aangifte gedaan van doxing, deze aangifte is opgenomen onder [registratienummer]
Daarnaast staat in beide aangiftes dat [benadeelde] geïnformeerd wil worden over de voortgang van het opsporingsonderzoek en dat zij de door haar geleden schade op verdachte wil verhalen door zich te voegen in het strafproces. Aangeefster heeft haar verzoek tot schadevergoeding onderbouwd. Tevens was aangeefster zowel bij behandeling in eerste aanleg door de politierechter, als bij de terechtzitting van het hof fysiek aanwezig en heeft zij zich laten bijstaan door de heer [naam 1] van Slachtofferhulp Nederland.
Het hof is van oordeel dat uit voornoemde omstandigheden voldoende blijkt dat aangeefster [benadeelde] de wens had dat vervolging van de verdachte zou worden ingesteld en dat van deze wens binnen de drie-maandentermijn is gebleken. Het Openbaar Ministerie is daarom ontvankelijk in de vervolging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 ten laste gelegde doxing en het onder 2 ten laste gelegde smaadschrift zowel in de zaak met parketnummer 18-108601-24, als in de zaak met parketnummer 18-190103-24 wettig en overtuigend bewezen kan worden. De advocaat-generaal sluit zich aan bij de bewezenverklaring van de politierechter van de in beide zaken onder 1 ten laste gelegde doxing. Ten aanzien van het in beide zaken onder 2 ten laste gelegde smaadschrift voert de advocaat-generaal aan dat er in beide zaken sprake is van telastlegging van een concrete gedraging, waaraan verdachte heeft getracht ruchtbaarheid te geven, en waardoor sprake is van schending van aangeefster haar eer en goede naam.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Het bericht dat verdachte zou hebben geplaatst is evident niet van haar afkomstig. Het bericht dat verdachte wel heeft geplaatst, kan geen smaad, laster of doxing opleveren, nu daar alleen in zéér algemene zin gerefereerd wordt aan een “ [benadeelde] . uit een dorp in [plaats 1] ”.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door de raadsvrouw gevoerde verweer strekkende tot algehele vrijspraak wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals hieronder opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
De doxing feiten
Doxing is sinds 1 januari 2024 strafbaar gesteld in artikel 285d Sr. Met de strafbaarstelling van doxing wordt de norm gesteld dat het zich verschaffen, verspreiden of anderszins ter beschikking stellen van persoonsgegevens van een ander voor intimiderende doeleinden, zoals vrees aan (laten) jagen en/of ernstige overlast aan (laten) doen, onacceptabel is. Het doel van de strafbaarstelling is de persoonlijke vrijheid van (potentiële) slachtoffers beschermen.
Ten aanzien van het oogmerk overweegt het hof het volgende. Voor de strafbaarheid van doxing is vereist dat degene zich de persoonlijke gegevens verschaft, verspreidt of anderszins ter beschikking stelt. Dat zijn gedragingen die opzet impliceren. Het verspreiden moet zijn gedaan met het oogmerk om een ander vrees aan te jagen, ernstige overlast aan te (laten) doen of ernstig te hinderen in zijn beroepsuitoefening. Aan het oogmerkvereiste, de zwaarste opzetvorm, is voldaan als de verdachte op het moment van die gedraging die bedoeling heeft dan wel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte heeft beseft dat het noodzakelijke gevolg van zijn handeling is, dat het slachtoffer vrees zal worden aangejaagd, ernstige overlast zal worden aangedaan of in de uitoefening van zijn ambt of beroep zal worden gehinderd.
Op basis van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat verdachte op of omstreeks 1 februari 2024 persoonlijke gegevens van aangeefster heeft verspreid, te weten voornaam, initialen en woonplaats, in een reactie onder een openbaar bericht van RTV Noord via het profiel [naam 2] .
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij actief is op Facebook onder de naam ‘ [naam 2] ’. Weliswaar is aangevoerd dat er meerdere profielen onder die naam op Facebook actief zijn met andere profielfoto’s, maar verdachte heeft verklaard dat haar gebruik van profielfoto’s wisselt en dat zij ook meerdere profielen heeft. Het bericht van RTV Noord gaat over het incident met de kleinzoon van verdachte. Het hof is van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bij het plaatsen van het bericht met de bewoordingen “ [benadeelde] uit [plaats 2] heeft mijn kleinzoon toegetakeld” heeft beseft dat haar handelen het noodzakelijke gevolg zou hebben dat aangeefster ernstige overlast zou worden aangedaan en haar in de uitoefening van haar beroep ernstig zou hinderen.
Ook stelt het hof vast dat verdachte van 17 april 2024 tot en met 19 april 2024 persoonlijke gegevens van aangeefster heeft verspreid. Verdachte heeft een reactie geplaatst onder een openbaar bericht van [website 2] getiteld "Moeder uit Stad die medewerkster kinderdagverblijf beschuldigde van mishandeling zoontje nu zelf aangeklaagd voor ’doxing’" met in die reactie de initialen van aangeefster en haar woonplaats. In dit bericht heeft zij een link geplaatst naar de reactie die zij op of omstreeks op 1 februari 2024 heeft geplaatst onder het openbare bericht van RTV Noord over het incident met de kleinzoon van verdachte, waarin aangeefster haar voornaam en initialen wordt genoemd. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij dit bericht op Facebook heeft geplaatst. De verwijzing naar het eerdere bericht onder het bericht van RTV Noord door een link te plaatsen, waarbij zij schrijft “Ik schreef [benadeelde] . uit een dorp in [plaats 1] heeft mijn kleinzoon mishandeld”, weerlegt het argument van verdachte dat de berichten door iemand anders die actief zou zijn onder dezelfde naam op Facebook is geplaatst.
Het hof is van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bij het plaatsen van het bericht met de bewoordingen “Zwart op wit dat deze dame 2x ad haren van mijn kleinzoon heeft getrokken. Ik schreef: [benadeelde] . uit een dorp in [plaats 1] heeft mijn kleinzoon mishandeld” heeft beseft dat haar handelen het noodzakelijke gevolg zou hebben dat aangeefster ernstige overlast zou worden aangedaan en haar in de uitoefening van haar beroep ernstig zou hinderen.
Op grond van voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich tweemaal schuldig heeft gemaakt aan doxing.
De smaadschrift feiten
Voor een bewezenverklaring van smaadschrift als bedoeld in artikel 261 lid 2 Sr is vereist dat iemands eer of goede naam wordt aangetast door middel van telastlegging van een bepaald feit met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven. Daarvan is sprake, indien het feit op een zodanige wijze door de verdachte is geuit dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging van een ander aanwijst.
Het hof stelt op grond van vorenstaande, het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep vast dat verdachte op of omstreeks 1 februari 2024 onder een openbaar bericht van RTV Noord over een incident met haar kleinzoon een reactie heeft geplaatst inhoudende “ [benadeelde] uit [plaats 2] heeft mijn kleinzoon toegetakeld”.
In de periode van 17 april 2024 tot en met 19 april 2024 heeft verdachte een reactie geplaatst op een openbaar bericht van [website 2] getiteld: "Moeder uit Stad die medewerkster kinderdagverblijf beschuldigde van mishandeling zoontje nu zelf aangeklaagd voor ’doxing’". geplaatst. De reactie van verdachte hield in “Zwart op wit dat deze dame 2x ad haren van mijn kleinzoon heeft getrokken. Ik schreef: [benadeelde] . uit een dorp in [plaats 1] heeft mijn kleinzoon mishandeld”.
In beide gevallen schieten de bewoordingen het enkel uiten van kennelijke onvrede over de situatie voorbij. Verdachte heeft de eer en goede naam van aangeefster aangerand, door haar op de hiervoor vermelde wijze publiekelijk in verband te brengen met kindermishandeling.
Op grond van voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich tweemaal schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift.

De bewijsmiddelen voor beide parketnummers

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 27 november 2025, inhoudend – zakelijk weergegeven;
Ik ben actief op Facebook onder de naam [naam 2] . Ik heb meerdere profielen op Facebook. Dat bericht van RTV Noord is niet door ons gedeeld. Ja, die voornaam is er wel opgekomen, dat is wel van mij.
Ik schreef [benadeelde] . uit een dorp in [plaats 1] heeft mijn kleinzoon mishandeld. Dat bericht heb ik onder [website 2] geplaatst op Facebook.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 februari 2024, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van de Politie Noord-Nederland met nummer 2024028978 d.d. 29 februari 2024, inhoudende een verklaring van aangever [benadeelde] ;
Op 31 januari 2024 kreeg ik bericht dat de oma van het kindje, verdachte, een livestream op Facebook had gehouden waarin onwaarheden over mij zijn verteld. Ik zag later op haar Facebookpagina een bericht over mij waarin mijn voornaam en woonplaats vermeld was.
3. Een afbeelding, opgenomen op pagina 53 van voornoemd dossier, inhoudende een screenshot van een tekstbericht met daarin de tekst:
[naam 3] : Haar naam bekend maken zodat ze nergens aan de slag komt (...) Had mijn kind moeten zijn. De kop viel van haar romp af. Die kreeg wel ff een bezoekje van mij.
[naam 2] : [naam 3] : [benadeelde] uit [plaats 2] heeft mijn kleinzoon toegetakeld.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 28 februari 2024, opgenomen op pagina 47 van voornoemd dossier, inhoudende een verklaring van verdachte:
V: U maakt gebruik van [naam 2] .

A: Ja dat klopt.

5. Een afbeelding, opgenomen op digitale pagina 8 van een aanvullend proces-verbaal van de Politie Noord-Nederland met nummer 2024102792-8 d.d. 29 augustus 2024, inhoudende een afbeelding van een bericht van 31 januari 2024 van RTVNoord inhoudende:
Medewerkster kindcentrum in Stad grijpt dreumes aan de haren, moeder doet aangifte.
6. Een afbeelding, opgenomen op pagina 3 e.v. van een aanvullend proces-verbaal van de Politie Noord-Nederland met nummer 2024102792-8 d.d. 29 augustus 2024, inhoudende een afbeelding van een bericht van [website 2] met daarin de tekst:
17 april 2024
Moeder uit Stad die medewerkster kinderdagverblijf beschuldigde van mishandeling zoontje nu zelf aangeklaagd voor ’doxing’.
[naam 2] : En ik ben de oma vd peuter en mag ook voorkomen in september. Zwart op wit dat deze dame 2x ad haren van mijn kleinzoon heeft getrokken.Ik schreef [benadeelde] . uit een dorp in [plaats 1] heeft mijn kleinzoon mishandeld[website 1]
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 mei 2024, opgenomen op pagina 5 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 20241027922 d.d. 8 mei 2024, inhoudende als verklaring van [benadeelde] :
Op 19 april 2024 werd ik gebeld door een medewerker van de politie. Deze medewerker vertelde mij dat mijn naam en initialen opnieuw op Facebook zijn gedeeld door verdachte.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-108601-24 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 18-190103-24 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten:
Zaak met parketnummer 18-108601-24:
1.
zij op of omstreeks 1 februari 2024 te [plaats 1] persoonsgegevens van een ander, te weten naam en initialen en woonplaats van [benadeelde] heeft verspreid met het oogmerk om [benadeelde]
- ernstige overlast aan te (laten) doen en/of
- in de uitoefening van haar beroep ernstig te (laten) hinderen;
2.
zij op of omstreeks 1 februari 2024 te [plaats 1] opzettelijk, de eer en de goede naam van [benadeelde] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften verspreid, door een reactie onder openbaar bericht van RTV Noord op Facebook te plaatsen, inhoudende: “ [benadeelde] uit [plaats 2] heeft mijn kleinzoon toegetakeld”;
Zaak met parketnummer 18-190103-24:
1.
zij in de periode van 17 april 2024 tot en met 19 april 2024 te [plaats 1] een of meer persoonsgegevens van een ander, te weten de initialen en woonplaats van [benadeelde] heeft verspreid, met het oogmerk om [benadeelde]
- ernstige overlast aan te (laten) doen en/of
- in de uitoefening van haar beroep ernstig te (laten) hinderen;
2.
zij in de periode van 17 april 2024 tot en met 19 april 2024 te [plaats 1] opzettelijk, de eer en de goede naam van [benadeelde] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften verspreid, door een reactie onder een openbaar bericht van [website 2] op Facebook te plaatsen, inhoudende: “Zwart op wit dat deze dame 2x ad haren van mijn kleinzoon heeft getrokken. Ik schreef: [benadeelde] . uit een dorp in [plaats 1] heeft mijn kleinzoon mishandeld”;
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaken met parketnummers 18-108601-24 en 18-190103-24 onder 1 bewezenverklaarde levert telkens op:
het verschaffen en verspreiden van persoonsgegevens van een ander of een derde met het oogmerk om die ander vrees aan te jagen dan wel aan te laten jagen, ernstige overlast aan te doen dan wel aan te laten doen of hem in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig te (laten) hinderen
Het in de zaken met parketnummers 18-108601-24 en 18-190103-24 onder 2 bewezenverklaarde levert telkens op:
smaadschrift.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, een gevangenisstraf van twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en oplegging van een bijzondere voorwaarde, inhoudende een verbod om op sociale media berichten te plaatsen over het slachtoffer, haar gezin, of onderhavige zaak.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, verdachte ter zake van het bewezenverklaarde, geen straf of maatregel op te leggen als bedoeld in artikel 9a Sr.
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van de bewezenverklaarde delicten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in ogenschouw genomen.
Verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan doxing en tweemaal aan smaadschrift, door in reacties op openbare berichten op Facebook, te weten onder een bericht van RTV Noord en een bericht van [website 2] , de voornaam en initialen van aangeefster tezamen met de woonplaats en een begeleidend bericht te plaatsen waarin verdachte zich uitlaat over aangeefster. Verdachte heeft misbruik gemaakt van de laagdrempelige mogelijkheid die het internet en sociale media bieden om tegenover een breed publiek kwalijke uitlatingen te doen, waarmee zij op een provocerende wijze reacties van lezers oproept. Hoewel het invoelbaar is dat verdachte met emoties kampte naar aanleiding van het incident met haar kleinzoon, rechtvaardigt dit niet het plaatsen van dergelijke berichten waarin zij spreekt over het handelen van aangeefster in de bewoordingen “toegetakeld” en “mishandeld”. Deze feiten hebben grote impact gehad op aangeefster haar professionele leven en haar privéleven. Niet alleen heeft verdachte de eer en goede naam van het slachtoffer aangetast, maar ook heeft zij haar met de gebezigde bewoordingen, ernstige overlast aan (laten) doen, nu het slachtoffer meerdere bedreigingen en zelfs doodsbedreigingen naar aanleiding hiervan heeft ontvangen.
Het hof heeft gelet op het verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie van 24 oktober 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.
Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die naar voren zijn gebracht op zitting van het hof.
Gelet op het vorenstaande acht het hof een taakstraf van 120 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren passend en noodzakelijk. Tevens legt het hof verdachte de bijzondere voorwaarde op, inhoudende een verbod tot het plaatsen van berichten op sociale media waarin uitlatingen worden gedaan over aangeefster en haar gezin. Gebleken is dat verdachte het nog altijd nodig vindt om zich op Facebook te uiten met berichten die in de richting van deze procedure en aangeefster wijzen. Nu verdachte zich zoals bewezen is verklaard herhaaldelijk schuldig heeft gemaakt aan doxing en smaadschrift en ter zitting is gebleken dat de situatie rond haar kleinzoon haar nog sterk bezig houdt, acht het hof oplegging van de bijzondere voorwaarde, zoals geëist door de advocaat-generaal, passend en noodzakelijk.
In het voorgaande ligt besloten dat het hof geen aanleiding ziet om zoals de raadsvrouw heeft verzocht met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht af te zien van het opleggen van een straf of maatregel. Daartoe is met name redengevend de ernst van de feiten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.500,00, geheel bestaande uit immateriële schade. De politierechter heeft dit bedrag toegewezen tot een bedrag van € 800,00. Voor het overige deel is de benadeelde partij door de politierechter niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De oorspronkelijke vordering is in hoger beroep gehandhaafd.
Vaststaat dat de benadeelde partij [benadeelde] door het onder 1 en 2 in de zaak met parketnummer 18-108601-24 en het onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 18-190103-24 bewezenverklaarde rechtstreekse immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor immateriële schade als diegene als gevolg van het strafbare feit in zijn eer of goede naam is geschaad. In het schadevergoedingsformulier en ter zitting heeft de heer [naam 1] namens benadeelde partij [benadeelde] de immateriële schade nader toegelicht.
Benadeelde partij [benadeelde] werkte als [functie] in de kinderopvang. Verdachte heeft de eer en goede naam van benadeelde partij geschaad door op Facebook onder openbare berichten van RTV Noord en [website 2] te reageren dat het slachtoffer de kleinzoon van verdachte heeft “toegetakeld” en “mishandeld”. Benadeelde partij [benadeelde] heeft als gevolg hiervan ontelbare berichten ontvangen, waaronder tevens doodsbedreigingen. Dit heeft bij benadeelde partij [benadeelde] voor spanning en stress gezorgd. Zij ondervindt hier tot op de dag van vandaag nog veel hinder van. Nu de eer en de goede naam van benadeelde door het handelen van verdachte is geschaad, komt haar een vergoeding voor haar immateriële schade toe. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade.
Het hof heeft bij de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd. Hierin is aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Het hof oordeelt dat het bewezen smaadschrift aansluit bij de ernstige categorie zoals die omschreven is in de Rotterdamse schaal (tot € 3.000,-). De berichten jegens benadeelde partij [benadeelde] zijn door verdachte immers verspreid via reacties onder openbaar toegankelijke berichten.
Rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, wijst het hof de gevorderde immateriële schadevergoeding van € 2.500,00 euro volledig toe, te vermeerderen met de wettelijke rente. De wettelijke rente is in beginsel verschuldigd vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde de momenten dat de smadelijke en beledigende uiting is gedaan. Het hof zal de datum van 1 februari 2024 tot uitgangspunt nemen voor de berekening van de wettelijke rente.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 261 en 285d van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-108601-24 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 18-190103-24 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-108601-24 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 18-190103-24 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Verdachte dient zich te onthouden van het doen van uitlatingen over de benadeelde partij op sociale media en via klassieke media.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-108601-24 onder 1 en 2 bewezenverklaarde en in de zaak met parketnummer 18-190103-24 onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-108601-24 onder 1 en 2 bewezenverklaarde en in de zaak met parketnummer 18-190103-24 onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 februari 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. F. van der Maden, mr. M.B. de Wit en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.A. Norden en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 11 december 2025.