Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] met ingang van 11 december 2024 bepaald op € 57,- per kind per maand;
- ten aanzien van de vermogensrechtelijke afwikkeling van huwelijk bepaald dat:
- de inboedel in onderling overleg tussen partijen wordt verdeeld;
- de man aan de vrouw uiterlijk binnen twee weken na betekening van deze beschikking een bedrag van € 544,94 moet betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf twee weken na betekening tot aan de dag van voldoening; en
- de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen een bedrag van € 17,- per kind per maand bij vooruitbetaling dient te voldoen, althans een bedrag en ingangsdatum als het hof in goede justitie vermeent te behoren;
- de regresvordering van de vrouw op de man met betrekking tot de roodstand op de gezamenlijke rekening af te wijzen;
5.De motivering van de beslissing
Volgens de vrouw heeft de rechtbank ten onrechte de WW-uitkering van de man als basis genomen voor de berekening van zijn draagkracht. Dit is volgens de vrouw slechts een tijdelijke situatie geweest en de man werkt nu ook weer. Volgens de vrouw moet er voor de berekening van de draagkracht van de man rekening gehouden worden met een verdiencapaciteit van € 31.378 bruto per jaar. Dit is gelijk aan het inkomen dat de man had voordat hij werkloos raakte.