ECLI:NL:GHARL:2025:7845

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
200.360.125/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging veroordeling vader tot nakoming zorgregeling en dwangsom

Partijen zijn gescheiden ouders van vier kinderen, waarvan het jongste kind, geboren in 2013, haar hoofdverblijf bij de vader heeft. De rechtbank Overijssel stelde in december 2024 een zorg- en contactregeling vast waarbij de minderjarige wekelijks op donderdagmiddag omgang heeft met de moeder.

Vanaf juni 2025 kwam de vader de zorgregeling niet meer na, behalve één contactmoment in juli. De voorzieningenrechter veroordeelde de vader tot nakoming van de zorgregeling met een dwangsom van €500 per overtreding tot maximaal €25.000. De vader stelde hoger beroep in en verzocht onder meer om schorsing van de tenuitvoerlegging en benoeming van een bijzondere curator, welke verzoeken hij later introk.

Het hof oordeelt dat de vader terecht is veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling. Er zijn geen zwaarwegende omstandigheden die nakoming in het belang van de minderjarige verhinderen. De vader moet een klimaat scheppen waarin de minderjarige onbelast contact met de moeder kan hebben, ook al uit de minderjarige weerstand. De dwangsom is een passende prikkel om naleving af te dwingen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de vader veroordeelt tot nakoming van de zorgregeling en oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.360.125/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 336704
arrest van 2 december 2025
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als gedaagde,
advocaat: mr. H.A. From te Zwolle,
tegen
[verweerster](de moeder),
die woont in [woonplaats2] ,
die verweer heeft gevoerd,
en bij de rechtbank optrad als eiseres,
advocaat: mr. T.R. Oude Veldhuis te Hengelo.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
De vader heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, op 1 september 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het hof heeft de volgende processtukken ontvangen:
  • de spoeddagvaarding in hoger beroep, tevens memorie van grieven, tevens schorsingsverzoek, tevens verzoek tot benoeming van een bijzondere curator van 29 september 2025;
  • de conclusie van eis in hoger beroep van 14 oktober 2025;
  • een brief namens de vader van 30 oktober 2025 met bijlagen;
  • de memorie van antwoord, tevens verweer op het incident en reactie op het verzoek tot benoeming van de bijzondere curator;
  • een e-mailbericht van het Centrum voor Jeugd en Gezin van 4 november 2025 aan de ouders.
1.2
De hierna nader te noemen minderjarige [minderjarige1] heeft bij (ongedateerde) brief aan het hof haar mening kenbaar gemaakt over het verzoek.
1.3
Op 5 november 2025 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. De vader en de moeder zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger van de raad aanwezig. De advocaat van de vader heeft op de zitting het woord mede aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen gevoerd.

2.De feiten

2.1
Partijen zijn gehuwd geweest en hebben vier kinderen. [minderjarige1] [minderjarige2] [minderjarige3] [minderjarige4] ( [minderjarige1] ) is het jongste kind, zij is geboren op 15 maart 2013.
2.2
Op 25 mei 2023 is het huwelijk ontbonden door inschrijving van de echtsscheidingsbeschikking van 18 april 2023 in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.3
[minderjarige1] heeft haar hoofdverblijf bij de vader. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over haar uit.
2.4
Bij beschikking van 3 december 2024 heeft de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, een definitieve zorgregeling tussen [minderjarige1] en de moeder vastgesteld. De wekelijkse omgangsregeling houdt in dat [minderjarige1] en de moeder op donderdagmiddag uit school van 14:45 uur (einde schooldag) tot 19:00 uur omgang hebben met elkaar bij de moeder. De moeder haalt [minderjarige1] op bij school en brengt [minderjarige1] terug naar haar school. [minderjarige1] fietst zelf terug naar het huis van haar vader. De vader draagt zorg voor een goede fiets en goede fietsverlichting voor [minderjarige1] , wanneer zij in het donker terug naar huis fietst na de omgang met de moeder. In de schoolvakanties is de omgang op donderdag van 09:00 uur tot 19:00 uur.
2.5
Van 17 januari 2023 tot 17 juli 2025 heeft [minderjarige1] onder toezicht gestaan van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Overijssel
.
2.6
Vanaf halverwege juni 2025 komt de vader de zorgregeling niet meer na, op één contact op 10 juli 2025 na.
2.7
Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter -uitvoerbaar bij voorraad- de vader veroordeeld tot nakoming van de zorg- en contactregeling zoals is vastgesteld bij beschikking van 3 december 2024, waarbij de vader aan de moeder een dwangsom verbeurt van € 500,- per keer dat hij niet aan deze verplichting voldoet, tot een maximum van
€ 25.000,- is bereikt. De voorzieningenrechter heeft de kosten van de procedure gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders gevorderde afgewezen.
2.8
De vader komt met twee grieven in hoger beroep van het bestreden vonnis. De vader vordert:
- in het incident: de tenuitvoerlegging van het vonnis te schorsen, althans een beslissing te nemen die het hof juist acht;
- in de hoofdzaak: het bestreden vonnis te vernietigen, de vorderingen van de moeder in eerste aanleg alsnog af te wijzen, een bijzondere curator voor [minderjarige1] te benoemen en de moeder te veroordelen in de kosten van beide instanties.
2.9
De moeder voert verweer en vordert:
- in het incident: de vader niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn vordering af te wijzen, met veroordeling van de vader in de kosten van het incident;
- in de hoofdzaak:
  • primair de vader in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit beroep ongegrond te verklaren, en het bestreden vonnis, al dan niet onder aanvulling en/of verbetering van gronden, te bekrachtigen;
  • subsidiair het bestreden vonnis te vernietigen en een beslissing te nemen die het hof juist acht met ingang van de datum van het in deze te wijzen arrest;
  • zowel primair als subsidiair de vader te veroordelen in de kosten van dit beroep, met inbegrip van de nakosten.

3.Het oordeel van het hof

3.1
Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Het hof zal de vader niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering in het incident en in zijn verzoek tot benoeming van een bijzondere curator. De vorderingen van partijen om de ander in de proceskosten te veroordelen, zullen worden afgewezen. Deze beslissing wordt hierna uitgelegd.
Spoedeisendheid
3.2
Uit de aard van de zaak en de gevorderde voorzieningen volgt naar het oordeel van het hof een spoedeisend belang van partijen bij een beslissing van de voorzieningenrechter in hoger beroep.
De vordering in het incident en het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator
3.3
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de vader zijn vordering in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, ingetrokken. Ook zijn verzoek tot benoeming van een bijzondere curator heeft de vader ter zitting ingetrokken. Dit leidt ertoe dat het hof niet aan de beoordeling hiervan toekomt en de vader niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering in het incident en in het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator.
De veroordeling tot nakoming van de zorgregeling
3.4
Het hof is van oordeel dat de voorzieningenrechter de vader terecht heeft veroordeeld tot nakoming van de beschikking van 3 december 2024, voor zover het de zorg- en contactregeling tussen de moeder en [minderjarige1] betreft, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per keer dat hij niet aan deze verplichting voldoet, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt. Het hof neemt de overwegingen van de voorzieningenrechter over en voegt hier het volgende aan toe.
3.5
Het uitgangspunt in dit kort geding is dat de rechterlijke uitspraak van 3 december 2024 moet worden nagekomen, tenzij wordt aangetoond dat zich ná die uitspraak feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die maken dat de uitspraak niet (meer) in het belang van [minderjarige1] moet worden geacht. Volgens de vader zijn er zwaarwegende omstandigheden die maken dat nakoming van de zorgregeling niet van hem kan worden gevergd. [minderjarige1] zou dusdanige angst en weerstand voelen ten aanzien van het contact met de moeder, dat zij weigert om op donderdag na school naar haar toe te gaan. Het hof overweegt dat in het kader van de ondertoezichtstelling nimmer is gebleken dat het bij de moeder niet veilig is. De incidenten die ertoe zouden hebben geleid dat [minderjarige1] niet meer naar haar moeder wil, zouden hebben plaatsgevonden in juni 2025. Op dat moment liep de ondertoezichtstelling nog en heeft [minderjarige1] een gesprek gehad met de Jeugdbescherming over de omgang. Dit heeft er niet toe geleid dat de zorgregeling is aangepast of de ondertoezichtstelling is verlengd. De vermeende incidenten illustreren voor het hof vooral hoe klem [minderjarige1] zit tussen de ouders. Voor zover de vader stelt dat hij [minderjarige1] niet kan dwingen om naar haar moeder te gaan, overweegt het hof dat het aan de vader is om haar een klimaat te bieden waarin zij onbelast contact met haar moeder kan hebben. Dit betekent dat de vader [minderjarige1] de (emotionele) ruimte moet bieden om contact met haar moeder te hebben en dat hij meer moet doen dan uitstralen ‘je moet naar je moeder, het is niet anders’, zoals hij ter zitting desgevraagd heeft verteld te doen. De vader dient er rekening mee te houden dat [minderjarige1] niet anders meer kan dan in zijn richting bevestigen en uitstralen dat zij het bij de moeder niet leuk vindt, ook als daar geen aantoonbare oorzaken voor zijn. Zij zit klem tussen haar ouders en woont bij haar vader en haar broers die met de moeder gebroken hebben. Dat er op dit moment gesprekken gaande zijn met het Centrum voor Jeugd en Gezin, dat de ouders en [minderjarige1] in de ontstane situatie kan begeleiden, is positief, maar vormt geen reden om de zorgregeling niet na te komen. Voor het hof is dan ook niet vast komen te staan dat er zwaarwegende omstandigheden zijn die maken dat nakoming van de zorgregeling uit de beschikking van 3 december 2024 niet langer in het belang van [minderjarige1] moet worden geacht.
De dwangsom
3.6
Gelet op het feit dat de vader over een langere periode heeft geweigerd de vastgestelde zorgregeling na te komen, heeft de voorzieningenrechter terecht een dwangsom verbonden aan de veroordeling tot nakoming daarvan. Een dwangsom is bedoeld als prikkel om de naleving te verzekeren. Voor het hof weegt mee dat de vader geen bodemprocedure is gestart om wijziging van de zorgregeling te verzoeken. Zoals het hof de vader ter zitting heeft voorgehouden, blijft de zorgregeling uit de beschikking van 3 december 2024 van kracht en moet deze worden nagekomen, zelfs als het bestreden vonnis zou worden vernietigd. Het hof heeft de indruk dat de vader er zonder de dwangsommen onvoldoende van doordrongen is dat de geldende zorgregeling moet worden nagekomen.
De proceskosten
3.7
Gelet op de familierechtelijke aard van deze procedure zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De vorderingen van partijen om de ander in de kosten van de procedure in hoger beroep te veroordelen, zullen dan ook worden afgewezen.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn vordering in het incident;
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot benoeming van een bijzondere curator voor [minderjarige1] ;
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 1 september 2025;
compenseert de kosten van de procedure in beide instanties, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. van Dijk, J.G. Knot en E. Leentjes, bijgestaan door
mr. M.J. van Mourik als griffier en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.