ECLI:NL:GHARL:2025:7844

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
200.340.989
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake gezamenlijk gezag over minderjarige kinderen na beëindiging van het gezamenlijk gezag door de rechtbank

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 9 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over het gezag van de ouders over hun kinderen. De vader, verzoeker in hoger beroep, was het niet eens met de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 8 februari 2024, waarin het gezamenlijk gezag van de ouders was beëindigd en de moeder alleen met het gezag was belast. De vader heeft hoger beroep ingesteld en het hof heeft de behandeling van het verzoek in hoger beroep aangehouden in afwachting van de uitkomst van ouderschapsbemiddeling. Tijdens de mondelinge behandeling op 28 oktober 2025 werd duidelijk dat de ouderschapsbemiddeling was opgestart, maar nog niet had geleid tot concrete afspraken. De vader en moeder hebben beiden hun standpunten toegelicht, waarbij de moeder aangaf dat de vader zich niet aan afspraken houdt en onvoldoende betrokken is bij het leven van de kinderen. De raad voor de kinderbescherming heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat het moeilijk is om een advies te geven over het gezag, gezien de moeizame communicatie tussen de ouders. Het hof heeft overwogen dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk belast zijn met het gezag over hun kinderen en dat de bezwaren van de moeder tegen gezamenlijk gezag onvoldoende concreet zijn. Het hof heeft daarom de beschikking van de rechtbank vernietigd en de vader weer met het ouderlijk gezag belast, waarbij het hof benadrukt dat beide ouders samen verantwoordelijk zijn voor het gezag over de kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.340.989
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 564838)
beschikking van 9 december 2025
inzake
[appellant],
verblijvende in [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. B.E.C. de Jong,
en
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.C. van Rijn.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding tot 14 januari 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
  • een bericht namens de vader van 14 mei 2025;
  • een journaalbericht namens de moeder van 15 mei 2025.
1.3
Op 28 oktober 2025 de mondelinge behandeling voortgezet. Aanwezig waren:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
1.4
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 28 oktober 2025 heeft het hof de hierna te noemen [minderjarige1] en [minderjarige2] opgeroepen om te vertellen wat zij van het verzoek in hoger beroep vinden. Deze uitnodiging heeft [minderjarige1] en [minderjarige2] niet bereikt.
Na afloop van de mondelinge behandeling zijn [minderjarige1] en [minderjarige2] opnieuw in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Van deze gelegenheid hebben de kinderen geen gebruikgemaakt.

2.De motivering van de beslissing

2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de beschikking van 14 januari 2025, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.2
Deze procedure in hoger beroep gaat over de kinderen van partijen:
  • [minderjarige1] , geboren [in] 2014 in [geboorteplaats] ,
  • [minderjarige2] , geboren [in] 2017 in [geboorteplaats] , en
  • [minderjarige3] , geboren [in] 2020 in [geboorteplaats] .
2.3
In de bestreden beschikking van 8 februari 2024 heeft de rechtbank het gezamenlijk gezag van de ouders over de kinderen beëindigd en bepaald dat de moeder alleen is belast met het gezag over de kinderen. De vader is het met deze beslissing niet eens en heeft daartegen hoger beroep ingesteld.
2.4
In de beschikking van 14 januari 2025 heeft het hof de behandeling van het verzoek in hoger beroep aangehouden in afwachting van de uitkomst van het traject ouderschapsbemiddeling.
Informatie van partijen sinds de beschikking van 14 januari 2025
2.5
De vader heeft het hof op 14 mei 2025 en op de mondelinge behandeling bericht dat de ouderschapsbemiddeling is opgestart. Er hebben zes gesprekken plaatsgevonden en die zijn heel gemoedelijk verlopen. De ouders gaan tijdens deze gesprekken volgens de vader op respectvolle manier met elkaar om. De focus lag tijdens de gesprekken vooral op de achtergrond van partijen; er is nog niet gekeken naar de toekomst en de afspraken die partijen moeten maken. Er is volgens de vader verder niet veel veranderd sinds de eerdere mondelinge behandeling.
Omdat de ouderschapsbemiddeling loopt en de verwachting is dat ouders daarin tot afspraken kunnen komen, is de vader concluderend van mening dat het gezamenlijk gezag passend is.
2.6
De moeder heeft het hof op 15 mei 2025 en op de mondelinge behandeling bericht dat er inderdaad zes gesprekken hebben plaatsgevonden binnen de ouderschapsbemiddeling. Deze gesprekken hebben nog niet tot concrete afspraken geleid. De vader is alleen niet nauw betrokken geweest in het leven van de kinderen. De vader had volgens de moeder beloofd te helpen om de kinderen naar school te brengen, omdat zij niet op dezelfde school zitten, maar de vader heeft dat in twee maanden tijd slechts drie keer gedaan. De vader geeft als reden op dat hij geen geld heeft of dat hij in slaap is gevallen. In de meivakantie 2025 heeft de vader ook geen contact gehad met de kinderen. De vader heeft de kinderen alleen de laatste zondag van de vakantie gezien, nadat de moeder hem daarover belde. De moeder vindt dat de vader geen verantwoordelijkheid neemt en zich niet aan afspraken houdt. Daarom is het gezamenlijk gezag volgens de moeder niet in het belang van de kinderen.
Advies van de raad
2.7
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard het in deze zaak erg moeilijk te vinden om een advies te geven over het gezag over de kinderen. Enerzijds is er ruimte voor contact. De vader is dol op de kinderen en hij ziet hen graag. Anderzijds verloopt de communicatie tussen de ouders moeizaam en heeft de vader er moeite mee om continuïteit te bieden. De vader komt daardoor afspraken geregeld niet na. De vader heeft hierin volgens de raad veel kansen laten liggen. De raad heeft vervolgens verklaard dat eenhoofdig gezag in deze situatie rust zal brengen, maar dat twijfelachtig is of wordt voldaan aan het wettelijk criterium voor het eenhoofdig gezag.
Hoe oordeelt het hof?
2.8
Het hof stelt voorop dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over hun kinderen. In deze zaak is niet gebleken dat de kinderen bij gezamenlijk gezag klem of verloren raken tussen hun ouders of dat eenhoofdig gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is. [1] Dat betekent dat het hof de beslissing van de rechtbank zal vernietigen en de vader weer met het ouderlijk gezag zal belasten. Het hof zal deze beslissing hierna uitleggen.
2.9
Het hof is van oordeel dat de door de moeder aangevoerde bezwaren tegen gezamenlijk gezag te weinig concreet zijn om haar op dit moment alleen te belasten met het gezag over de kinderen. De door de moeder aangevoerde argumenten zien met name op de uitvoering van de zorgregeling. Beide partijen willen dat er contact is tussen de vader en de kinderen. De vader heeft zicht op de kinderen en wat belangrijk voor ze is, want de vader en de kinderen zien elkaar ook wekelijks. De ouders kunnen hierover afspraken maken, ook al verloopt dit soms moeizaam. Het lukt de vader vervolgens niet (altijd) deze afspraken na te komen. De moeder heeft hierdoor het gevoel dat zij niet op de vader kan rekenen. Dat valt de moeder zwaar omdat zij naast de zorg voor de kinderen studeert en twee bedrijven heeft. Het hof heeft begrip voor de frustratie en problemen die het niet nakomen van afspraken door de vader voor de moeder opleveren, maar dit is op dit moment onvoldoende reden om af te wijken van het wettelijke uitgangspunt van gezamenlijk gezag. De vrees van de moeder dat de vader zijn toestemming voor gezagsbeslissingen niet zal geven, is bovendien niet voldoende grond om de moeder alleen te belasten met het gezag. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de vader tijdens de mondelinge behandeling op 28 oktober 2025 heeft toegezegd dat hij zijn toestemming zal geven voor vakanties en andere gezagsbeslissingen. De vader wil alleen graag in de besluitvorming worden betrokken. Het hof verwacht van de vader in dit kader dat hij wel bereikbaar en beschikbaar voor de moeder moet zijn en blijven.

3.De slotsom

Op grond van wat hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt. Gelet op het gegeven dat de beschikking van de rechtbank de moeder met het eenhoofdig gezag te belasten uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, brengt de vernietiging van de bestreden beschikking mee dat de vader weer met het ouderlijk gezag zal worden belast.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 8 februari 2024 en, opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van de moeder om alleen te worden belast met het gezag over de kinderen alsnog af;
belast de vader en de moeder samen met het gezag over:
  • [minderjarige1] , geboren [in] 2014 in [geboorteplaats] ,
  • [minderjarige2] , geboren [in] 2017 in [geboorteplaats] , en
  • [minderjarige3] , geboren [in] 2020 in [geboorteplaats] .
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, K.A.M. van Os-ten Have en I.J. Pieters, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 9 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:253n Burgerlijk Wetboek