ECLI:NL:GHARL:2025:7829

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
200.353.719
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 827 RvArt. 362 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep echtscheiding met co-ouderschap, alimentatie en vermogensverdeling

Partijen zijn in 2013 gehuwd in gemeenschap van goederen en hebben twee minderjarige kinderen. Na het verzoek tot echtscheiding in 2024 heeft de rechtbank in januari 2025 de echtscheiding uitgesproken en voorzieningen getroffen over hoofdverblijfplaats, alimentatie en verdeling van de huwelijksgemeenschap, waaronder een deskundigenonderzoek naar de waarde van de eenmanszaak van de man en een taxatie van de woning.

In hoger beroep is onder meer de hoofdverblijfplaats van de kinderen, kinderalimentatie, partneralimentatie, peildatum waardering van de eenmanszaak, termijn voor woningverdeling en uitbetaling van kinderbijslag in geschil. Het hof bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij beide ouders ligt vanwege de co-ouderschapsregeling, maar dat de inschrijving van de kinderen op het adres van de vrouw blijft. De kinderalimentatie wordt gehandhaafd op € 422 per kind per maand.

De partneralimentatie wordt verlaagd van € 2.865 naar € 2.416 bruto per maand, met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De peildatum voor waardering van de eenmanszaak wordt vastgesteld op 31 december 2023. De man krijgt een termijn van zes maanden vanaf de beschikking om de financiering en uitkoop van de woning te regelen. Tevens wordt bepaald dat de man € 695,66 aan de vrouw moet betalen betreffende kinderbijslag die hij heeft ontvangen. De overige grieven worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Hoofdverblijfplaats kinderen bij beide ouders, partneralimentatie verlaagd, peildatum waardering onderneming vastgesteld op 31 december 2023, termijn woningverdeling zes maanden, betaling kinderbijslag aan vrouw.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.353.719 en 200.353.720
(zaaknummers rechtbank Overijssel 308112 en 317417)
beschikking van 9 december 2025
inzake
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. A.J.A. Assink te Enschede,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] , gemeente [gemeente1] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.D. Withaar te Zwolle.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 22 januari 2025, uitgesproken onder de hiervoor vermelde zaaknummers. Deze beschikking wordt hierna ook aangeduid als: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties 1 tot en met 10, ingekomen op 17 april 2025;
- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties 1 tot en met 6;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties 11 tot en met 14;
- een journaalbericht van mr. Assink van 20 augustus 2025 met productie 15;
- een journaalbericht van mr. Withaar van 1 oktober 2025 met producties 7 tot en met 9;
- een journaalbericht van mr. Assink van 6 oktober 2025 met producties 16 en 17;
- de spreekaantekeningen van mr. Assink;
- de spreekaantekeningen van mr. Withaar.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 17 oktober 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn [in] 2013 gehuwd in gemeenschap van goederen.
3.2
Zij zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2014, en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2017.
3.3
De man heeft [in] 2024 een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend. De vrouw heeft verweer gevoerd en zelfstandige verzoeken gedaan.
3.4
Bij de beschikking [in] 2025 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze echtscheidingsbeschikking is [in] 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk is geëindigd.
3.5
Naast het uitspreken van de echtscheiding heeft de rechtbank in de beschikking:
  • bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn, waarbij de kinderen worden ingeschreven op het adres van de vrouw en worden bijgeschreven op de zorgverzekering van de vrouw;
  • een verdeling van de zorg- en opvoedtaken vastgesteld (de zorgregeling);
  • bepaald dat de man met ingang van de datum van de beschikking aan de vrouw € 422 per kind per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (kinderalimentatie);
  • bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw € 2.865 per maand moet betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (partneralimentatie);
  • de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met uitzondering van de echtscheiding;
  • de kosten van de procedure gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
  • het meer of anders verzochte afgewezen.
3.6
Verder heeft de rechtbank in de beschikking ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap een deskundigenonderzoek gelast naar de waarde van de eenmanszaak van de man, ‘ [naam1] ’, en naar het antwoord op de vraag welk bedrag de man in dat verband moet betalen aan de vrouw. Ook is aan partijen opgedragen om een taxatierapport in het geding te brengen ten aanzien van de echtelijke woning. Iedere verdere beslissing (ten aanzien van de verdeling) is aangehouden.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen is in hoger beroep in geschil:
de hoofdverblijfplaats en het inschrijvingsadres van de kinderen;
de kinderalimentatie;
de partneralimentatie;
e termijn voor de verdeling van de echtelijke woning;
de peildatum waartegen de eenmanszaak van de man gewaardeerd dient te worden;
de uitbetaling van de kinderbijslag aan de man.
4.2
De man is met zeven grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof, na wijziging van zijn verzoeken ten aanzien van de alimentatie:
  • te bepalen dat de kinderen geen hoofdverblijfplaats hebben, dan wel (subsidiair) hun hoofdverblijfplaats bij de man te bepalen;
  • te bepalen dat de kinderen op het adres van de man worden ingeschreven;
  • te bepalen dat de kinderen op de ziektekostenpolis van de man worden bijgeschreven;
  • de door de man te betalen kinderalimentatie op € 184,35 per kind per maand te bepalen, met ingang van de in deze te wijzen beschikking;
  • te bepalen dat de verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen voor rekening van de man komen;
  • de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw per 2023 op € 3.357 netto per maand te bepalen en per 2025 (na indexering) op € 3.797 netto per maand;
  • de door de man te betalen partneralimentatie op € 1.521 bruto per maand te bepalen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;
  • de vrouw te veroordelen om al hetgeen door de man vanaf de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot aan de datum van deze beschikking meer is betaald aan partneralimentatie terug te betalen;
  • de beslissing over de alimentatie, voor zover die ziet op de draagkracht van de man, aan te houden tot onherroepelijk is beslist over de waardering van de eenmanszaak, of partijen daarover overeenstemming hebben bereikt;
  • de beslissing van de rechtbank onder 8.22 te vernietigen en te bepalen dat de man een termijn krijgt van zes maanden, welke termijn eerst ingaat nadat alle beslissingen over de alimentatie, verdeling van de woning, de eenmanszaak en overige bestanddelen van de huwelijksgemeenschap en eventuele verrekenvorderingen onherroepelijk zijn geworden en gezag van gewijsde hebben gekregen;
  • de beslissing van de rechtbank onder 8.9 te vernietigen en te bepalen dat de eenmanszaak van de man gewaardeerd dient te worden per 31 december 2023, dan wel 3 januari 2024, en tegen die waarde in de verdeling betrokken dient te worden.
4.3
De vrouw voert verweer en vraagt het hof de man in al zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoeken geheel of gedeeltelijk af te wijzen. Zij is op haar beurt met drie grieven in (incidenteel) hoger beroep gekomen. Zij verzoekt het hof, kort weergegeven:
  • te bepalen dat de man aan de vrouw € 462 per kind per maand kinderalimentatie moet betalen met ingang van 22 januari 2025;
  • te bepalen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan de vrouw € 4.141 bruto aan partneralimentatie moet betalen;
  • de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan toedeling (uitbetaling) van de kinderbijslag door de SVB (Sociale Verzekeringsbank) aan de vrouw onder verbeurte van een dwangsom van € 50 per dag dat de man hier niet aan meewerkt met een maximum van € 55.000;
  • de man te veroordelen om aan de vrouw € 3.926,93 te betalen, nog te vermeerderen met de door de vrouw vanaf 1 oktober 2025 niet ontvangen kinderbijslag en kindgebonden budget en wettelijke rente.
Ook verzoekt de vrouw een beslissing te nemen over de proceskosten.
4.4
De man voert verweer op het (incidenteel) hoger beroep van de vrouw en vraagt het hof:
  • de verzoeken van de vrouw af te wijzen, dan wel – ten aanzien van het verzoek over de betalingen in verband met kinderbijslag en kindgebonden budget – de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijslag over de periode 22 januari 2025 tot en met oktober 2025 te bepalen op maximaal € 695,68 en het kindgebonden budget op maximaal € 807,62 dan wel € 1.441,22;
  • de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in het incidenteel hoger beroep.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De vrouw heeft de verzoeken ten aanzien van het meewerken aan uitbetaling door de SVB en de veroordeling tot betaling van € 3.926,93 gedaan als aanvullend verzoek in hoger beroep. Volgens de man dient de vrouw in die verzoeken niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat zij deze voor het eerst in hoger beroep doet. Volgens de man dient de vrouw deze verzoeken als nevenverzoek in de nog lopende procedure bij de rechtbank in te dienen.
5.2
Het hof overweegt dat op grond van artikel 827 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering nevenvoorzieningen ook voor het eerst in hoger beroep kunnen worden verzocht [1] . De verzoeken van de vrouw kwalificeren naar het oordeel van het hof als zodanig en worden dus toegelaten. De man heeft verweer kunnen voeren op die verzoeken en heeft dat ook gedaan. Het hof zal daarom ook op de aanvullende verzoeken van de vrouw beslissen.
5.3
Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar verzoek ten aanzien van het meewerken door de man aan de uitbetaling door de SVB ingetrokken (het verzoek onder III in het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep) en het verzoek ten aanzien van de betaling van € 3.926,93 verminderd tot € 695,66 (het verzoek onder IV in het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep).
a. de hoofdverblijfplaats en inschrijving van de kinderen
5.4
Ten aanzien van de kinderen bestaat tussen partijen een zorgregeling die een gelijke verdeling van de zorgtaken inhoudt, een zogenoemde co-ouderschapsregeling. De kinderen zijn op grond daarvan evenveel bij de man als bij de vrouw (een week-op-week-af regeling). In die zin hebben de beide kinderen dan ook geen hoofdverblijfplaats in de taalkundige betekenis van het woord en evenmin in juridische zin. In de juridische praktijk komt het daarom regelmatig voor dat er geen hoofdverblijfplaats van de kinderen wordt vastgesteld. In de literatuur wordt echter ook betoogd in dergelijke gevallen de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij beide ouders te bepalen [2] . Indien de kinderen evenveel bij beide ouders verblijven, kan namelijk ook gezegd worden dat hun hoofdverblijfplaats bij beide ouders is.
5.5
Deze laatste mogelijkheid is met partijen op de zitting besproken. De man zag dit als ‘een charmante oplossing’ en voelde daar wel voor. De vrouw zag hierin toch wat bezwaren, omdat daardoor volgens haar de verhoudingen onduidelijk worden wat weer tot problemen zou gaan leiden tussen partijen als ouders.
5.6
Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter bij geschillen tussen ouders over de uitoefening van het gezag een beslissing nemen die hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter heeft op grond van die bepaling een ruime beslisbevoegdheid. Dat houdt in dat de rechter ook iets kan beslissen wat door geen van de ouders aan de rechter is verzocht. In dit geval heeft geen van de ouders verzocht de hoofdverblijfplaats bij hen beide te bepalen. Wel ligt een verzoek voor om over de hoofdverblijfplaats te beslissen. Het hof ziet in deze zaak aanleiding om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij beide ouders te bepalen. Dat doet naar het oordeel van het hof in dit geval meer recht aan de feitelijke situatie dan geen hoofdverblijfplaats te bepalen. Die feitelijke situatie is dat de zorg voor de kinderen tussen de ouders gelijkelijk wordt verdeeld. De bezwaren van de vrouw ziet het hof niet. Volgens de vrouw zullen er problemen ontstaan, omdat de man dan ‘nog meer zal willen bepalen’. Het hof overweegt dat de ouder bij wie de hoofdverblijfplaats van de kinderen is vastgesteld niet meer of andere bevoegdheden of zeggenschap heeft dan de ouder bij wie de hoofdverblijfplaats niet is vastgesteld. Een wijziging van de hoofdverblijfplaats heeft in die zin geen enkel gevolg. Dit bezwaar ziet dus op de samenwerking en communicatie tussen partijen en niet op de hoofdverblijfplaats als zodanig Aan die onderlinge communicatie dienen partijen overigens nog wel te werken en tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen hun bereidheid daartoe ook uitgesproken. Zij hebben toegezegd op zoek te gaan naar een geschikt(e) instantie/traject om aan hun onderlinge communicatie te werken.
5.7
De hoofdverblijfplaats moet los worden gezien van het adres waar de kinderen worden ingeschreven. Ook dat is tussen partijen in geschil. Het is echter niet mogelijk om op meer dan één adres te worden ingeschreven. De kinderen zullen dus bij een van beide ouders moeten worden ingeschreven. De man verzoekt om de kinderen bij hem in te schrijven, de vrouw wil dat de kinderen bij haar ingeschreven blijven staan. In hetgeen de man in dit verband ter onderbouwing van zijn verzoek heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om de inschrijving bij de vrouw te wijzigen naar een inschrijving bij de man. De vrouw ontvangt de diverse officiële stukken over de kinderen nu, zodat zij direct op de hoogte is van de betreffende informatie. Daarmee is haar vrees dat zij niet op de hoogte wordt gehouden als de kinderen bij de man staan ingeschreven ook weggenomen. Het hof voegt daar nog aan toe, dat voor het ontvangen of kunnen gebruikmaken van diverse (fiscale) toeslagen/regelingen, zoals de inkomensafhankelijke combinatiekorting, de kinderopvangtoeslag, de kinderbijslag en het kindgebonden budget, de hoofdverblijfplaats en de inschrijving van de kinderen niet van belang is omdat hierover afspraken gemaakt kunnen worden met de SVB en/of de Belastingdienst. Om in aanmerking te komen voor bepaalde gemeentelijke regelingen kan de inschrijving wel van belang zijn, maar niet is gebleken dat de kinderen om die reden bij de man ingeschreven zouden moeten staan.
5.8
De grief van de man over de hoofdverblijfplaats en de inschrijving (randnr. 5 van het beroepschrift) slaagt in zoverre dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij beide ouders zal worden bepaald. Voor het overige faalt de grief. Voor een overschrijving van de kinderen naar de zorgpolis van de man ziet het hof, mede omdat de inschrijving van de kinderen op het adres bij de vrouw blijft, geen aanleiding. Die grief faalt (randnr. 6 van het beroepschrift).
5.9
In het kader van de hoofdverblijfplaats en de inschrijving heeft de man nog zijn vrees geuit dat indien de hoofdverblijfplaats en inschrijving bij de vrouw worden bepaald dit leidt tot het instemmen met een verhuizing van de kinderen naar [woonplaats2] , terwijl het centrum van het leven van de kinderen zich bevindt in [woonplaats1] waar ze zijn opgegroeid. Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw echter verklaard graag weer naar [woonplaats1] terug te willen verhuizen en daar een huis te kopen, maar dat dit op dit moment nog niet is gelukt. De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is in een impasse geraakt, zodat zij (nog) niet over de financiële middelen beschikt om een andere woning te verkrijgen. Zij verblijft in afwachting van de verdere vermogensrechtelijke afwikkeling bij haar ouders in [woonplaats2] . De vrees van de man is dus niet terecht en kan mede door hemzelf worden weggenomen als hij op korte termijn mee kan werken aan een (financiële) afronding van de verdeling van de huwelijksgemeenschap of het anderszins mogelijk kan maken dat de vrouw weer in [woonplaats1] kan wonen.
b. de kinderalimentatie
5.1
Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is door de rechtbank (geïndexeerd naar 2025) vastgesteld op € 825,50 per kind per maand. Geen van partijen heeft daartegen bezwaren geuit of een grief geformuleerd. Het hof zal daarom van dit bedrag uitgaan. Partijen dienen naar rato van hun draagkracht in die kosten bij te dragen.
5.11
Het hof begrijpt uit het verzoek van de man onder randnummer 9 van het beroepschrift, dat hij voor de vaststelling van zijn draagkracht (voor zowel de kinder- als partneralimentatie) wil wachten tot de beslissingen over de verdeling van het huwelijksvermogen onherroepelijk zijn en de financiële gevolgen daarvan vast staan. Daar gaat het hof niet in mee. Ouders zijn op grond van de wet verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen. Die verplichting begint niet pas nadat de beslissingen over de verdeling van het huwelijksvermogen onherroepelijk zijn. Het hof zal daarom beslissen over de kinderalimentatie voor zover die in hoger beroep voor ligt.
5.12
Beide partijen hebben grieven geformuleerd ten aanzien van de draagkracht van de man. De man stelt dat zijn inkomen (resultaat uit onderneming) iets hoger is dan waar de rechtbank vanuit is gegaan en dat de premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) ook iets hoger is. De vrouw stelt dat de rechtbank bij de man met een onredelijk hoge bijdrage aan een pensioenvoorziening heeft gerekend (€ 2.500 per maand), volgens de vrouw is € 400 per maand een redelijk bedrag.
5.13
Het hof zal de draagkracht van de man berekenen aan de hand van zijn (gemiddeld) resultaat uit onderneming zoals die blijkt uit diens jaarstukken 2022 tot en met 2024 en volgt daarmee de man. Aldus heeft de man een resultaat van € 249.407. Ook zal het hof uitgaan van de AOV-premie die de man daadwerkelijk betaalt van € 11.360 per jaar. Verder zal het hof, net als de rechtbank, rekening houden met de bijdrage/inleg in de pensioenvoorziening van de man van € 2.500 per maand. De man is in 2024 begonnen met deze voorziening, hij is op dit moment [leeftijd1] oud zodat hij nog een relatief korte tijd heeft om pensioen op te bouwen. Juist na een echtscheiding zullen de ex-echtelieden moeten nadenken over hun financiële situatie en indien nodig ‘de tering naar de nering zetten’. Daarbij past ook dat op dat moment wordt nagedacht over een pensioenvoorziening en eventueel andere zich mogelijk in de toekomst voordoende gebeurtenissen met financiële gevolgen. Gelet op de leeftijd van de man en het streefbedrag van zijn pensioen, komen de bedragen die daarmee gemoeid zijn het hof niet onredelijk voor. De grief van de vrouw faalt.
5.14
Tussen partijen is er discussie over wie de zogenoemde verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen voor zijn of haar rekening neemt. De man verzoekt het hof te bepalen dat die kosten voor rekening van de man komen omdat de vrouw hem weigert te vergoeden als hij verblijfsoverstijgende uitgaven voor de kinderen heeft gedaan. Het hof ziet in hetgeen de man op dit punt heeft aangevoerd echter geen aanleiding om daarover anders te beslissen dan reeds nu tussen partijen geldt. Het ligt op de weg van partijen onderling om over die kosten en uitgaven te overleggen.
5.15
Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man is op grond van de hiervoor genoemde gegevens € 10.302 per maand. Zijn draagkracht voor de kinderalimentatie wordt dan berekend op grond van de forfaitaire formule zoals ook de rechtbank die heeft toegepast (70% van [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310)]. Aldus is de draagkracht van de man, afgerond op hele euro’s, € 4.131 per maand.
5.16
De vrouw heeft drie recente salarisspecificaties (juni tot en met augustus 2025) overgelegd. Daaruit blijkt van een bruto maandloon van € 2.447,96, inhouding pensioenpremie van € 82,81 en inhouding WGA van € 12,30. Rekening houdend verder met een vakantie-uitkering van 8% en een op grond van dit inkomen kindgebonden budget van € 8.527 per jaar, berekent het hof het NBI van de vrouw op € 3.237 per maand. Haar draagkracht is dan, op grond voormelde formule, € 669 per maand.
5.17
Ouders dienen naar rato van hun draagkracht bij te dragen in de kosten van de kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in die kosten is hier € 825,50 per kind, ofwel € 1.651 voor de beide kinderen samen. Samen hebben de ouders voldoende draagkracht (€ 4.131 + € 669 = € 4.800) om dit aandeel te kunnen voldoen. Naar rato van draagkracht is het aandeel daarin van:
- de man: 4.131/4.800 x € 1.651 = € 1.421 (€ 710,50 per kind per maand)
- de vrouw: 669/4.800 x € 1.651 = € 230 (€ 115 per kind per maand).
5.18
De man zou in beginsel dus (afgerond) € 711 per kind per maand aan de vrouw moeten betalen. Als de kinderen bij de man zijn voorziet hij al voor een deel in die kosten (in natura). Daarom wordt een zogenoemde zorgkorting toegepast. Dit is een forfaitair bedrag als percentage van het eigen aandeel in de kosten van de kinderen, waarbij het percentage afhankelijk van de zorgregeling. In dit geval is dat 35%. Op het door de man aan de vrouw te betalen bedrag van in totaal € 1.421 per maand wordt in mindering gebracht de zorgkorting van (afgerond) € 578 (35% van € 1.651), zodat de man aan de vrouw per maand (afgerond) € 843 (€ 422 per kind per maand) dient te voldoen.
5.19
Die bijdrage is exact gelijk aan wat de rechtbank heeft vastgesteld. Het verzoek van de man om de bijdrage op € 184,35 per kind te betalen zal het hof afwijzen, evenals het verzoek van de vrouw om de bijdrage op € 462 per kind per maand te bepalen. De grief van de man onder randnummer 7 van het beroepschrift en grief 1 van de vrouw falen. Het hof zal de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de kinderalimentatie in stand laten.
5.2
De berekeningen met betrekking tot de kinderalimentatie (en de hierna nog te bespreken partneralimentatie) zijn aan deze beschikking gehecht.
c. de partneralimentatie
5.21
Partijen zijn het erover eens dat de rechtbank bij de berekening van de behoefte van de vrouw ten aanzien van de partneralimentatie ten onrechte het kindgebonden budget (KGB) tot het gezinsinkomen heeft gerekend. Wel verschillen zij van mening over het bedrag dat uiteindelijk als de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw moet worden gezien. De man stelt dat op de door de rechtbank berekende behoefte (gecorrigeerd met het KGB) nog in mindering dient te komen het bedrag dat de vrouw van het door haar ontvangen KGB niet nodig heeft en niet gebruikt ten behoeve van de kosten van de kinderen. Aldus stelt de man de netto behoefte van de vrouw (geïndexeerd naar 2025) op € 3.797 per maand, terwijl de rechtbank die (geïndexeerd naar 2025) op € 3.977 per maand heeft berekend. Gelet op de recente inkomensgegevens van de vrouw zou dit betekenen dat de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 1.521 (bruto) per maand dient te betalen in plaats van de € 2.865 per maand die de rechtbank heeft bepaald. De vrouw stelt dat haar behoefte moet worden berekend aan de hand van de privé-onttrekkingen die zijn gedaan en dat deze veel hoger zijn dan de rechtbank heeft vastgesteld. Zij stelt dat haar netto behoefte € 10.586 per maand is. Gelet op de draagkracht van de man dient hij dan een partneralimentatie van € 4.141 per maand te betalen.
5.22
Het hof volgt ten aanzien van de behoefte van de vrouw de berekening van de rechtbank, zonder daarbij echter met het KGB rekening te houden. Hetgeen de vrouw verder heeft aangevoerd ten aanzien van de behoefte volgt het hof niet, om dezelfde redenen als ook de rechtbank dat niet heeft gedaan. De door de vrouw genoemde onttrekkingen hebben niet bijgedragen aan de welstand van partijen. Aldus is het netto gezinsinkomen van partijen in 2023 (het echtscheidingsverzoek is in 2024 ingediend) € 7.055 per maand. De kosten van de kinderen in 2023 (€ 1.460) worden hiervan afgetrokken, zodat het beschikbare budget voor partijen € 5.595 was. De behoefte is dan 60% hiervan, ofwel € 3.357. Geïndexeerd naar 2025 is dat (afgerond op hele euro’s) € 3.797 per maand.
5.23
Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw is, zonder rekening te houden met het KGB, € 2.549 per maand. De vrouw komt dus € 1.248 netto per maand tekort om in haar behoefte te kunnen voorzien. Bruto is dat € 2.416 per maand.
5.24
De draagkracht van de man wordt berekend aan de hand van dezelfde forfaitaire formule als waarmee ook de draagkracht voor de kinderalimentatie wordt berekend, met dien verstande dat van de draagkrachtruimte 60% beschikbaar is voor partneralimentatie. De formule is dan als volgt: (60% van [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310)].
De draagkracht van de man is dan, uitgaande van een NBI van € 10.302 (zie hiervoor), € 3.541 per maand. Hiervan gaat af het aandeel van de man in de kosten van de kinderen, zodat van zijn draagkracht € 2.119 netto beschikbaar is voor partneralimentatie. Ten aanzien van betaling van partneralimentatie kan de man in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit fiscale voordeel betekent dat van de draagkracht van de man € 3.389 bruto beschikbaar is voor betaling van partneralimentatie.
5.25
Het bruto beschikbare bedrag bij de man is meer dan de bruto resterende behoefte van de vrouw. Het hof zal daarom in beginsel bepalen dat de man aan de vrouw € 2.416 per maand dient te betalen met ingang van de datum dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven bij de burgerlijke stand.
5.26
Omdat het niet redelijk is als de vrouw door de door man te betalen bijdrage in een betere financiële positie wordt gebracht dan de man, ziet het hof aanleiding een inkomensvergelijking uit te voeren. Daaruit volgt dat de vrouw bij betaling door de man van € 2.416 niet in een betere financiële positie komt dan de man, zodat er geen aanleiding is dit bedrag te matigen.
5.27
Door de vrouw is aangevoerd dat indien het hof een partneralimentatie zou vaststellen die lager is dan hetgeen de rechtbank heeft gedaan, zij niet in staat is om terug te betalen wat zij te veel heeft ontvangen en zij die gelden heeft gebruikt voor haar levensonderhoud. De man heeft dit niet weersproken, zodat het hof ervan uitgaat dat de ontvangen partneralimentatie is verbruikt en dat van de vrouw niet kan worden verlangd dat zij het bedrag dat zij te veel heeft ontvangen moet terugbetalen.
5.28
De man heeft nog verzocht om het deel van het KGB dat de vrouw niet aan de kinderen uitgeeft in mindering te brengen op de partneralimentatie. Daar zal het hof geen gevolg aan geven. Het is niet duidelijk hoeveel de vrouw werkelijk aan de kinderen uitgeeft en of en in hoeverre al die uitgaven geheel gedekt worden door de ontvangen kinderalimentatie en bijdragen van overheidswege.
5.29
In zijn grief onder randnummer 9 stelt de man dat indien de deskundige bij de waardering van de onderneming uitgaat van toekomstige winsten, die winsten twee keer worden meegerekend. Daar zou dan bij de berekening van zijn draagkracht rekening mee moeten worden gehouden. Het hof volgt de man daarin niet. Partijen dienen de huwelijksgemeenschap te verdelen. Daartoe dienen de verschillende vermogensbestanddelen te worden gewaardeerd, ofwel door partijen zelf ofwel door een deskundige. Welke waarderingsmethodiek daarbij wordt gebruikt is voor de berekening van de draagkracht in het kader van alimentatieberekening van geen belang. Alimentatie wordt immers berekend aan de hand van behoefte en draagkracht (inkomen) en de verdeling geschied aan de hand van de waarde. Daarin zit geen dubbeltelling nu het gaat om verschillende maatstaven. Indien de man in het kader van de verdeling aan de vrouw een bedrag moet voldoen en hij dit zou moeten financieren, drukken die eventuele financieringslasten uiteraard wel op zijn draagkracht. Dit zou dan van invloed kunnen zijn op het bedrag dat de man aan alimentatie betaalt. Die situatie doet zich echter vooralsnog niet voor, zodat het hof daar ook geen rekening mee houdt.
5.3
Het hof zal bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (mei 2025) als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 2.416 per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
5.31
De grief van de man onder randnummer 8 van het beroepschrift slaagt, in die zin dat het hof een lagere partneralimentatie vaststelt dan de rechtbank heeft gedaan. Zijn grief onder randnummer 9 van het beroepschrift faalt. Grief 1 van de vrouw faalt, evenals haar grief 2. Grief 3 van de vrouw is een zogenoemde veeggrief, waaraan geen zelfstandige betekenis toekomt.
d. de verdeling van de echtelijke woning
5.32
De man wil de woning toegedeeld krijgen. Sinds de beschikking van de rechtbank is de woning [in] 2025 getaxeerd op een waarde van € 615.000. De hypotheekschuld is nog € 408.000 en er is een opbouwspaarsaldo van € 64.071,25. De rechtbank heeft de man zes maanden de tijd gegeven, gerekend vanaf de datum van de beschikking, om te onderzoeken of hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen.
5.33
In zijn grief onder randnummer 10 van het beroepschrift stelt de man dat de hem gegeven termijn niet werkbaar is. De man moet eerst weten wat hij aan de vrouw moet voldoen in het kader van de verdeling. Een onderdeel daarvan is de waardering van de onderneming door een deskundige. Die waardering heeft nog niet plaatsgevonden. Bovendien duurt een financieringstraject voor ondernemers altijd langer. De man verzoekt het hof daarom om hem een termijn te geven van zes maanden, te rekenen vanaf het moment dat alle beslissingen (alimentatie, verdeling woning, verdeling eenmanszaak en overige vermogensbestanddelen) onherroepelijk zijn geworden. De vrouw vindt die termijn onredelijk lang. Dat wat de man vraagt, het onherroepelijk worden van alle beslissingen, kan nog jaren duren. Niemand is verplicht om in een onverdeeldheid te blijven en de vrouw wil dat nu verdeeld wordt.
5.34
Het hof overweegt dat het voorstelbaar is dat de bank wil weten welke financiële verplichtingen de man heeft, alvorens hem een financieringsvoorstel te doen. Ook de vrouw kan zich daar iets bij voorstellen. Het hof overweegt verder dat het inmiddels, mede ook op grond van deze beslissing van het hof en de reeds uitgevoerde taxatie van de woning, duidelijk wordt welke financiële verplichtingen de man heeft en welke financiering de man nodig zal hebben. De eenmanszaak van de man kan ook op korte termijn getaxeerd zijn, nu het hof ook zal beslissen over de datum waartegen die waardering dient plaats te vinden (zie hierna). Gelet op de jaarstukken van de man en het feit dat het om een eenmanszaak gaat zal de deskundige naar verwachting van het hof niet veel tijd meer nodig hebben om tot een waardering te komen. Het hof zal de man daarom een termijn geven van zes maanden vanaf de datum van deze beschikking om te beoordelen of en hoe hij de financiering en uitkoop van de vrouw ten aanzien van de woning tot stand kan brengen. Zijn grief onder randnummer 10 van het beroepschrift faalt voor zover hij een langere periode verzoekt.
e. de peildatum voor de waardering van de onderneming
5.35
Bij de rechtbank waren partijen verdeeld over de vraag tegen welke peildatum de waardering van de onderneming (eenmanszaak) van de man diende plaats te vinden. De rechtbank heeft beslist dat gewaardeerd dient te worden per ultimo 2024. De man is het daarmee niet eens. Hij stelt dat per ultimo 2023 gewaardeerd dient te worden, subsidiair per datum indiening inleidend verzoek (5 januari 2024). De vrouw houdt vast aan de datum die de rechtbank heeft bepaald.
5.36
Het hof overweegt dat de hoofdregel bij verdelingen is dat gewaardeerd wordt tegen de datum waarop de feitelijke verdeling plaatsvindt. Het hof is in dit geval van oordeel dat die feitelijke verdeling al heeft plaatsgevonden bij de indiening van het inleidend verzoek. De man was tijdens het huwelijk degene die de onderneming dreef. Na ontbinding van de gemeenschap is de man dat ook blijven doen. Het is geen enkel moment de bedoeling geweest dat de vrouw de onderneming zou voortzetten. Feitelijk is op dat moment de onderneming dus al toegedeeld aan de man. Enkel de waardering waartegen die verdeling heeft plaatsgevonden dient nog plaats te vinden. Het is naar het oordeel van het hof, gelet op deze omstandigheden, dan ook logisch de onderneming te waarderen tegen het tijdstip van de feitelijke verdeling. Daarbij is het meest praktisch om uit te gaan van de jaarstukken per ultimo 2023. Het hof zal het primaire verzoek van de man toewijzen. Zijn grief onder randnummer 11 van het beroepschrift slaagt.
f. uitbetaling van de kinderbijslag en daaraan gekoppeld schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad, dan wel een vergoeding op grond van de redelijkheid en billijkheid
5.37
Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar aanvullend verzoek verminderd tot € 695,66 zijnde twee kwartalen kinderbijslag die de man heeft geïncasseerd en de vrouw zouden moeten toekomen. De man betwist niet dat hij die heeft ontvangen. Het hof zal bepalen dat de man deze twee kwartalen kinderbijslag aan de vrouw dient te betalen. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking impliciet bepaald dat de verblijfsoverstijgende kosten door de vrouw worden voldaan. Dat wordt door het hof niet gewijzigd en de vrouw heeft de kinderbijslag nodig om die kosten te kunnen voldoen.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt de zevende grief van de man, zijn eerste, vierde en zesde grief slagen deels en voor het overige falen die net als zijn tweede, derde en vijfde grief. De grieven van de vrouw falen. Haar verminderde aanvullende verzoek wordt toegewezen. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, deels vernietigen en beslissen als hierna vermeld.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure diverse financiële gevolgen van de echtscheiding en de ontbinding van hun huwelijksgemeenschap betreft.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:
7.1
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 22 januari 2025, voor zover het betreft de hoofdverblijfplaats van de kinderen vanaf de datum van deze beschikking, de door de man te betalen partneralimentatie, de aan de man gegunde termijn om te beoordelen of en hoe hij de financiering en uitkoop van de vrouw ten aanzien van de woning tot stand kan brengen, en de peildatum waartegen de onderneming van de man dient te worden gewaardeerd, en in zoverre opnieuw en overigens beschikkende:
7.2
bepaalt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met ingang van de datum van deze beschikking hun hoofdverblijfplaats bij zowel de man als de vrouw hebben;
7.3
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 2.416 per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
7.4
bepaalt dat de man ten aanzien van de overname (verdeling) van de woning zes maanden de tijd krijgt, te rekenen vanaf de datum van deze beschikking, om te beoordelen of en hoe hij de financiering en uitkoop van de vrouw ten aanzien van de woning tot stand kan brengen;
7.5
bepaalt dat de onderneming (eenmanszaak) van de man de man ‘ [naam1] ’ gewaardeerd dient te worden per 31 december 2023;
7.6
bepaalt dat de man aan de vrouw € 695,66 dient te betalen, betreffende twee kwartalen in 2025 door hem ontvangen kinderbijslag;
7.7
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.8
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
7.9
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, M.L. van der Bel en L. Hamer, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 9 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 362 Rv Pro geldt niet voor nevenvoorzieningen bij echtscheiding, zie HR 7 april 2000, NJ 2000/377; HR 23 februari 2001, NJ 2001/237
2.zie bijvoorbeeld de bijdrage van mr. I.J. Pieters in EB 2024/39 ‘Hoofdverblijf en co-ouderschap: samen sterker!’