ECLI:NL:GHARL:2025:7793

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
21-003065-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak in hoger beroep wegens onvoldoende bewijs bij winkeldiefstal

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 5 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. De verdachte was eerder veroordeeld voor winkeldiefstal en kreeg een gevangenisstraf van één maand opgelegd. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Tijdens de zitting op 21 november 2025 heeft het hof het bewijs tegen de verdachte beoordeeld, waarbij het hof zich baseerde op camerabeelden en getuigenverklaringen van verbalisanten. De tenlastelegging betrof de diefstal van drie doosjes parfum ter waarde van 400,55 euro uit een winkel. Het hof oordeelde dat het enkel benoemen van een signalement zonder verdere specificatie onvoldoende bewijs opleverde om de betrokkenheid van de verdachte vast te stellen. De verbalisanten hadden de verdachte herkend op basis van een signalement, maar het hof vond dat er geen wettig en overtuigend bewijs was dat de verdachte de diefstal had gepleegd. Bij gebrek aan ander bewijs heeft het hof de verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde winkeldiefstal. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en deed opnieuw recht, waarbij het de verdachte niet schuldig bevond aan de beschuldiging.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003065-25
Uitspraakdatum: 5 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Leeuwarden , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 9 juli 2025 met parketnummer 18-197827-25 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ,
wonende te [postcode] [adres] , [woonplaats] .

Het hoger beroep

Verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 november 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van winkeldiefstal tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek van voorarrest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.I. Veenstra, hebben aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter verdachte ter zake van winkeldiefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek van voorarrest.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 30 juni 2025 te [plaats] 3 producten Million (ter waarde van 400,55 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Vrijspraak

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde winkeldiefstal wettig en overtuigend bewezen kan worden. Daartoe heeft zij aangevoerd dat geconcludeerd kan worden dat verdachte de persoon is die op de camerabeelden te zien is en waarop die persoon meerdere doosjes parfum meeneemt zonder te betalen. De herkenning van verdachte door de verbalisanten is terecht, nu zij hem recht voor hen hebben waargenomen. De handhavers herkenden verdachte en de verbalisanten namen waar dat het signalement exact overeenkwam met verdachte.
Oordeel van het hof
Uit het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting volgt dat op 30 juni 2025 in de [bedrijf] in [plaats] drie doosjes parfum zijn weggenomen door een onbekende persoon. Van het wegnemen van de doosjes parfum zijn middels een beveiligingscamera opnames gemaakt.
Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juni 2025 volgt dat de verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] om 14:30 uur van de handhaving hoorden dat zij met een onbekende persoon stonden die een diefstal zou hebben gepleegd bij de [bedrijf] in [plaats] . De medewerkers van handhaving verklaarden dat zij deze persoon herkenden als zijnde verdachte, waarvan op beelden te zien was dat hij de goederen wegnam zonder te betalen. Hierop zagen de verbalisanten, op beveiligingsbeelden die aan hen ter beschikking werden gesteld door een medewerker, dat een persoon drie geurtjes uit een stelling in de winkel pakte, deze onder zijn kleding stopte en vervolgens zonder te betalen de winkel verliet. De verbalisanten zagen dat het signalement van de persoon op de camerabeelden exact overeenkwam met verdachte die voor hen stond en hebben hem vervolgens aangehouden. Tijdens de fouillering werden de gestolen goederen niet bij verdachte aangetroffen.
In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juni 2025 zijn door [verbalisant] de camerabeelden van de winkeldiefstal in de [bedrijf] bekeken. Daarop stond de datum 30 juni 2025, met als tijdstip 14:51:38 uur. Op de beelden was te zien dat een man vrij direct naar het schap toeliep in de winkel en voor het schap bleef staan. De persoon nam vervolgens twee doosjes parfum uit het schap mee. Vervolgens keek de persoon snel achterom, waarna hij nog een doosje parfum uit het schap haalde. De persoon draaide zich om met de drie doosjes, verborg deze onder zijn jas en liep richting de uitgang.
Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep de camerabeelden bestudeerd en ter zitting afgespeeld. Het hof is van oordeel dat de camerabeelden van relatief goede kwaliteit zijn, maar dat het moeilijk is om specifieke, onderscheidende persoonskenmerken van de persoon waar te nemen. De persoon op de camerabeelden was in het donker gekleed, had zwart haar, droeg een pet en had een opvallende trainingsbroek aan. Echter, de medewerkers van handhaving en de verbalisanten die verdachte na de diefstal hebben aangehouden en hem zouden hebben herkend aan het signalement, hebben nagelaten te concretiseren wat het door hen beschreven signalement was. Eveneens ontbreekt in het dossier een foto van verdachte toen hij werd aangehouden. Voorts zijn tijdens de aanhouding de weggenomen goederen niet bij verdachte aangetroffen.
Het hof stelt vast dat de persoon die op de camerabeelden is te zien een opvallende broek droeg, terwijl die omstandigheid niet is gerelateerd in het strafdossier.
Het hof is van oordeel dat het enkel benoemen van een signalement zonder nader te specificeren waaruit dat bestaat, onvoldoende mate van zekerheid geeft om te kunnen vaststellen dat verdachte de tenlastegelegde diefstal heeft gepleegd. Het enkele gegeven dat de aangehouden persoon overeenkomt met het signalement is onvoldoende om vast te stellen dat het om dezelfde persoon gaat. In het licht van het vorenstaande, kan de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde in de onderhavige zaak niet in overwegende mate worden gebaseerd op voornoemde proces-verbaal waarop verdachte zou zijn herkend.
Bij gebrek aan ander bewijsmateriaal is het hof daarom van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. J. Hielkema en mr. A. Meester, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 5 december 2025.