ECLI:NL:GHARL:2025:7644

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
200.354.587
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en contact tussen ouders en minderjarige

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 2 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de zorgregeling voor de minderjarige [naam1], geboren in 2013, van wie de ouders, de vader en de moeder, gescheiden zijn sinds 2017. De vader, vertegenwoordigd door advocaat mr. A. Sahin, heeft in hoger beroep verzocht om een wijziging van de zorgregeling, die eerder was vastgesteld door de kinderrechter. De moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. P.G.M. Lodder, heeft verweer gevoerd en verzocht om bekrachtiging van de eerdere beschikking.

De procedure in eerste aanleg vond plaats bij de rechtbank Midden-Nederland, waar de kinderrechter op 14 februari 2025 een beschikking heeft gegeven. De vader heeft in hoger beroep één grief ingediend en verzocht om contact met [naam1] te herstellen, met een voorstel voor een gefaseerde uitbreiding van het contact. De GI, stichting Samen Veilig Midden-Nederland, heeft ook verweer gevoerd en verzocht om bekrachtiging van de eerdere beschikking.

Het hof heeft vastgesteld dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden en dat het in het belang van [naam1] is om de zorgregeling te wijzigen. Het hof heeft geconcludeerd dat [naam1] momenteel geen behoefte heeft aan contact met de vader en dat het belangrijk is dat zij rust en ruimte krijgt om zich te ontwikkelen. Het hof heeft de bestreden beschikking bekrachtigd en het verzoek van de vader afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.587
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 588367)
beschikking van 2 december 2025
inzake
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. A. Sahin,
en
de gecertificeerde instelling
stichting Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd te Utrecht,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats1] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. P.G.M. Lodder.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 14 februari 2025, uitgesproken onder het hiervoor genoemde zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 9 mei 2025;
- het verweerschrift van de moeder;
- een journaalbericht van mr. Sahin van 23 oktober 2025 met een productie.
2.2
Op 3 november 2025 heeft [naam1] met een rechter (raadsheer) en een griffier van dit hof gesproken over het verzoek van de vader.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 4 november 2025 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Turkse taal;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.

3.De feiten

3.1
Het huwelijk van de vader en de moeder is [in] 2017 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
De vader en de moeder zijn de ouders van [naam1] (hierna: [naam1] ), geboren [in] 2013, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. [naam1] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.
3.3
Bij beschikking van de kinderrechter van 17 augustus 2020 is [naam1] onder toezicht gesteld van de GI tot en met 17 augustus 2021. Deze maatregel is de laatste keer verlengd bij beschikking van 12 augustus 2024 tot 17 februari 2025.
3.4
Bij beschikking van de kinderrechter van 10 april 2024 is de zorgregeling tussen [naam1] en de vader gewijzigd in die zin dat de GI bepaalt wanneer het contact tussen [naam1] en de vader wordt opgestart en wat de vorm en de frequentie daarvan zal zijn.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen is in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (ook: zorgregeling) tussen de vader en de moeder voor [naam1] .
Bij de bestreden beschikking is op verzoek van de GI de zorgregeling die is vastgesteld in de beschikking van de kinderrechter van 10 april 2024 gewijzigd in die zin dat het contact wordt gewijzigd naar voorlopig geen contact en dat [naam1] hierin wordt gevolgd, waarbij het contract dat de ouders samen met behulp van Stichting ROOZ hebben opgesteld op 18 november 2024 als uitgangspunt wordt genomen.
4.2
De vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat:
­ er contact zal zijn tussen [naam1] en de vader van drie uur in de week op de woensdagmiddag, waarbij de moeder [naam1] naar de vader zal brengen en ophalen;
­ het contact na twee maanden vanaf datum uitspraak zal worden uitgebreid naar iedere zaterdag van 10.00 tot 17.00 uur, waarbij de moeder [naam1] zal brengen en ophalen;
­ na zes maanden vanaf datum van uitspraak het contact zal worden uitgebreid naar een weekend in de veertien dagen vanaf zaterdagochtend 09.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de moeder [naam1] zal brengen en ophalen.
4.3
De moeder voert verweer en zij vraagt het hof de verzoeken van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
De GI voert verweer op de mondelinge behandeling en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
In artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek staat dat de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Op grond van het tweede lid kan de gecertificeerde instelling de kinderrechter verzoeken om de in het eerste lid genoemde beslissing te wijzigen op grond dat daarna de omstandigheden zijn gewijzigd.
Uit het derde lid volgt dat de op basis van het eerste lid vastgestelde regeling na het einde van de ondertoezichtstelling doorloopt.
5.2
Bij het hof is niet in discussie dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, zodat de eerder vastgestelde zorgregeling kan worden gewijzigd. Net als de kinderrechter is het hof van oordeel dat dit ook in het belang is van [naam1] .
5.3
Ook na de bestreden beschikking heeft [naam1] geen contact meer gehad met de vader. In het leven van [naam1] is momenteel geen ruimte om dat contact te herstellen, zo blijkt ook uit het gesprek met [naam1] . Stichting Rooz is inmiddels niet meer betrokken omdat [naam1] daaraan geen behoefte meer had. Voor het hof is duidelijk dat [naam1] rust wil en geen hulpverlening meer. Zij wil zich richten op school en omgaan met vrienden. Met de raad voor de kinderbescherming is het hof van oordeel dat het voor [naam1] belangrijk is dat zij rust en ruimte krijgt om met haar eigen ontwikkeling bezig te zijn.
5.4
Het hof stelt vast dat het na jaren van hulpverlening en ondanks de eerder door dit hof ingezette koers (in zijn beschikking van 4 oktober 2022) niet is gelukt om het contact tussen [naam1] en de vader te herstellen. Positief is dat de vader altijd heeft opengestaan voor het contact met [naam1] en (ook) op de zitting in hoger beroep heeft gezegd dat hij dat in de toekomst zal blijven doen. Het hof kijkt echter naar wat nu het meest in het belang van [naam1] wenselijk is. Net als de raad voor de kinderbescherming komt het hof tot de conclusie dat het momenteel niet in het belang van [naam1] is om een zorgregeling vast te leggen, dat er geen druk moet worden gelegd op het contactherstel en dat het tempo van [naam1] hierin moet worden gevolgd.
5.5
Met [naam1] is tijdens het gesprek besproken dat zij de uitkomst van deze procedure van de moeder zal horen.

6.De slotsom

Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 14 februari 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, M.H.F. van Vugt en L. Hamer, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 2 december 20225 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.