ECLI:NL:GHARL:2025:7642

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
200.352.193
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorgregeling en haal- en brengregeling na echtscheiding tussen ouders van minderjarige kinderen

In deze zaak gaat het om een zorgregeling na de echtscheiding van de vader en de moeder van twee minderjarige kinderen, geboren in 2022. De ouders zijn in 2022 getrouwd en hebben de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit. De rechtbank Gelderland heeft op 13 december 2024 de echtscheiding uitgesproken en een zorgregeling vastgesteld. De vader is in hoger beroep gegaan tegen deze zorgregeling, omdat hij het niet eens was met de verdeling van de zorg voor de kinderen. Tijdens de mondelinge behandeling op 4 november 2025 hebben de ouders overeenstemming bereikt over de vakantie- en feestdagenregeling, maar niet over de reguliere zorgregeling. Het hof heeft geoordeeld dat de zorgregeling moet worden aangepast, zodat de kinderen bij de vader verblijven op specifieke momenten, en heeft de kosten van het vervoer en de reiskosten in overweging genomen. Het hof heeft de bestreden beschikking vernietigd en een nieuwe zorgregeling vastgesteld, waarbij de vader verantwoordelijk is voor het vervoer van de kinderen. De proceskosten in hoger beroep zijn gecompenseerd, zodat iedere ouder zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.193
(zaaknummer rechtbank Gelderland 435031)
beschikking van 2 december 2025
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1]
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.M.P. Gerrits.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 13 december 2024, uitgesproken onder het hiervoor genoemde zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 11 maart 2025;
- het verweerschrift.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 4 november 2025 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn [in] 2022 in [woonplaats3] , [land1] , met elkaar gehuwd. De vader en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit en de moeder heeft de Marokkaanse nationaliteit.
3.2
In de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen de vader en de moeder uitgesproken. Het huwelijk tussen partijen is [in] 2025 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
3.3
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [naam1] , geboren [in] 2022 in [land1] (hierna: [naam1] );
- [naam2] , ook geboren [in] 2022 in [land1] (hierna: [naam2] ),
over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
[naam1] en [naam2] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.

4.De omvang van het geschil

4.1
De vader en de moeder konden het niet eens worden over hoe zij de zorg voor de tweeling moeten verdelen.
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang en uitvoerbaar bij voorraad, een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen bij de vader verblijven:
- iedere dinsdag van 11.00 uur tot woensdag 19.00 uur;
- om de week van vrijdag 15.00 uur tot zondag 19.00 uur;
- de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg door de ouders te verdelen.
4.2
De vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op de zorgregeling.
De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en een zorgregeling te bepalen waarbij de kinderen bij de vader zullen verblijven:
- eenmaal per veertien dagen van zaterdag 10.30 uur tot zondag 19.00 uur;
- een derde deel van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg tussen de ouders te regelen,
waarbij de moeder het vervoer op zich zal nemen.
4.3
De moeder voert verweer en zij vraagt het hof het verzoek van de vader af te wijzen, met uitzondering van de verzochte vakantie- en feestdagenregeling, en de bestreden beschikking te bekrachtigen ten aanzien van de weekendregeling, met compensatie van proceskosten.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 Brussel IIter bevoegd is kennis te nemen van deze zaak, omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden op het tijdstip van indiening van het verzoek.
5.2
Op grond van artikel 827 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de rechter als de echtscheiding wordt uitgesproken een nevenvoorziening treffen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarig kinderen van de echtgenoten.
5.3
Het hof stelt vast dat de ouders al overeenstemming hebben over de vakantie- en feestdagenregeling in die zin dat [naam1] en [naam2] een derde deel van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen, bij de vader zullen verblijven.
Op de mondelinge behandeling hebben de ouders ook overeenstemming bereikt over de reguliere zorgregeling. Zij hebben hun verzoek in hoger beroep dienovereenkomstig gewijzigd. De ouders zijn overeengekomen dat [naam1] en [naam2] eenmaal in de veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 16.30 uur bij de vader verblijven. Het hof zal dat ook zo bepalen.
5.4
Het hof dient nog een beslissing te nemen over het vervoer en de reiskosten die gepaard gaan met de uitvoering van de zorgregeling, want daarover konden de ouders het niet eens worden.
Het hof is met de raad van oordeel dat het belangrijk is dat de zorgregeling wordt uitgevoerd en dat de kinderen een regelmatig en betrouwbaar contact hebben met de vader.
Om dit zoveel mogelijk te waarborgen acht het hof het redelijk dat de vader het vervoer van de zorgregeling en de daarbij horende kosten voor zijn rekening neemt. Voor de vader is dit een minder grote belasting dan voor de moeder, zoals ook de raad heeft genoemd. De vader beschikt namelijk over een auto en rijdt in ongeveer 50 minuten van [woonplaats1] naar [woonplaats2] . De moeder zal met het openbaar vervoer moeten reizen om de kinderen naar de vader te brengen en daar op te halen. Deze reis is met de bus twee uur en 40 minuten, waarbij de moeder en de kinderen drie keer moeten overstappen. Met de trein en de bus is de reis ongeveer anderhalf uur. De kosten voor een enkele reis bedragen ongeveer € 15,- per persoon vanaf 12 jaar. Onbestreden is gesteld dat de twaalfjarige halfzus van [naam1] en [naam2] meereist, zodat de reiskosten nog hoger zijn. De tweeling reist gratis totdat zij vier jaar zijn. Verder acht het hof van belang dat de moeder – met haar uitkering op basis van de Participatiewet – alle kosten van de kinderen draagt, aangezien de vader geen kinderalimentatie betaalt. Daarbij is de moeder belast met het grootste gedeelte van de verzorging en opvoeding van de kinderen.
Het hof weegt hierbij ook mee dat de vader met de nieuwe zorgregeling al minder kosten aan vervoer heeft ten opzichte van de bij de rechtbank met de moeder overeengekomen zorgregeling omdat de frequentie van het reizen aanzienlijk omlaag is gegaan.

6.De slotsom

6.1
Op grond van wat hiervoor staat zal het hof de bestreden beschikking vernietigen, voor zover het betreft de daarbij vastgestelde zorgregeling, en beslissen zoals hierna wordt gemeld.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere ouder de eigen kosten draagt, omdat de ouders met elkaar gehuwd zijn geweest en deze zaak over hun kinderen gaat.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 13 december 2024, voor zover het betreft de daarbij vastgestelde zorgregeling, en, in zoverre, opnieuw beschikkende:
bepaalt dat [naam1] en [naam2] in het kader van de zorgregeling op de volgende momenten bij de vader verblijven:
- eenmaal per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 16.30 uur;
- een derde deel van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen,
waarbij de vader de kinderen bij de moeder ophaalt en ook weer bij de moeder terugbrengt;
verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, R. Prakke-Nieuwenhuizen en H. Phaff, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 2 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.