ECLI:NL:GHARL:2025:7636

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
21-001120-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van de verdachte wegens onrechtmatige aanhouding door politieambtenaren met stroomstootwapen

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 1 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. De verdachte was eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken en een schadevergoeding aan de benadeelde partij. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen deze veroordeling. Tijdens de zitting op 17 november 2025 is het hof tot de conclusie gekomen dat de aanhouding van de verdachte door de politie niet rechtmatig was. De politieambtenaren hadden een stroomstootwapen gebruikt zonder dat de verdachte zich fysiek verzette. Het hof oordeelde dat het gebruik van het stroomstootwapen niet in verhouding stond tot het beoogde doel van de aanhouding, en dat er minder ingrijpende middelen beschikbaar waren. Hierdoor waren de ambtenaren niet werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Het hof heeft het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde. De vordering van de benadeelde partij werd afgewezen, omdat de verdachte niet schuldig werd bevonden aan de feiten die de schade zouden hebben veroorzaakt. De vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere vonnissen werden eveneens afgewezen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001120-24
Uitspraakdatum: 1 december 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 27 februari 2024 met parketnummer 18175173-22 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging met parketnummers 18-191557-21, 18287995-20 en 1810175521, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1979 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 november 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 412,05, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 18-101755-21. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat door de raadsman van de verdachte, mr. P.Th. van Jaarsveld, naar voren is gebracht.

Het vonnis

De politierechter heeft de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 412,05, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Tot slot heeft de politierechter de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 18-101755-21 toegewezen en de twee andere vorderingen tot tenuitvoerlegging afgewezen.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 24 mei 2022 te [plaats] , binnen de [gemeente] , althans in Nederland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen de ambtenaren [benadeelde] en/of [verbalisant] , (beide) werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten hoofdagenten van politie eenheid Noord-Nederland, ter aanhouding van [verdachte] in verband met een openstaande onvoorwaardelijke gevangenisstraf, door:
  • te proberen weg te fietsen als de ambtenaren hem proberen aan te houden en/of
  • zijn spieren te spannen en/of zich los te trekken uit de greep van die ambtena(a)r(en), en/of
  • zijn spierkracht te gebruiken in tegengestelde richting aan de inspanningen van de ambtenaren, waardoor hij niet geboeid kon worden, en/of
  • [benadeelde] te bijten in zijn vinger,
terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten pijn en/of een bloedende wond in de vinger bij [benadeelde] te gevolge heeft gehad;
subsidiair
hij op of omstreeks 24 mei 2022 te [plaats] , binnen de [gemeente] , althans in Nederland, een ambtenaar, te weten [benadeelde] , dienstdoende als hoofdagent bij de politie eenheid Noord-Nederland, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde] (met kracht) te bijten in zijn vinger.

Vrijspraak

Met betrekking tot het primair ten laste gelegde
De raadsman van de verdachte voert aan dat de wijze van aanhouding door de ambtenaren niet correct was, waardoor zij niet werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Uit het dossier blijkt namelijk dat zij direct zijn overgegaan tot het gebruik van het stroomstootwapen, zonder de verdachte in de gelegenheid te stellen zijn verzet te staken. Zijn verzet bestond bovendien slechts uit een poging om weg te fietsen. Er waren andere, minder ingrijpende mogelijkheden aanwezig om de verdachte aan te houden. Het inzetten van een stroomstootwapen was dus niet redelijk en gematigd in verhouding tot het beoogde doel, te weten de aanhouding van de verdachte in verband met een openstaande straf. De raadsman verwijst daarbij naar artikel 7 van de Politiewet 2012, alsmede de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren. Door op deze wijze op te treden kan niet worden bewezen dat de ambtenaren werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.
Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Politiewet 2012 is een politieambtenaar bevoegd om in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf. Op grond van het zevende lid van dat artikel dient de uitoefening van deze bevoegdheid redelijk en gematigd te zijn in verhouding tot het beoogde doel.
Uit het dossier blijkt het volgende. Op 24 mei 2022 zagen de betreffende politieambtenaren de verdachte fietsen. Het was hen ambtshalve bekend dat hij nog 142 dagen gevangenisstraf had openstaan. De ambtenaren gingen naar de verdachte toe en zeiden tegen hem dat hij was aangehouden, omdat hij nog 142 dagen open had staan. De verdachte zei vervolgens: “Dat dacht ik niet” of woorden van gelijke strekking en maakte aanstalten om weg te fietsen. Hierop pakte [verbalisant] de verdachte vast aan zijn jas en probeerde hem van zijn fiets te trekken. Ondertussen pakte [benadeelde] zijn stroomstootwapen en richtte dit op de verdachte. Hij wist uit eerdere ervaring dat de verdachte in verzet kan gaan bij een aanhouding. Daarom heeft hij ervoor gekozen om direct het stroomstootwapen in te zetten. [benadeelde] waarschuwde de verdachte dat wanneer hij niet zou blijven staan, hij het stroomstootwapen zou gebruiken. De verdachte zette zijn beweging om weg te fietsen echter door. Hierop vuurde [benadeelde] pijltjes van een stroomstootwapen af op de verdachte. De verdachte werd hierdoor geraakt en viel met zijn fiets op de grond, waarna [verbalisant] op de verdachte dook om hem onder controle te brengen. Vervolgens ontstond er een worsteling. Tijdens deze worsteling heeft [benadeelde] nogmaals zijn stroomstootwapen ingezet.
Het hof constateert dat [benadeelde] zijn stroomstootwapen pakte op het moment dat de verdachte aanstalten maakte om weg te fietsen. Hij heeft de verdachte weliswaar van te voren gewaarschuwd voor het gebruik van het stroomstootwapen, maar vrijwel direct hierop gehandeld. Op dat moment verzette de verdachte zich nog niet fysiek tegen de aanhouding. Hij zette slechts zijn beweging om weg te fietsen door. Het hof is van oordeel dat de ambtenaar hiermee in strijd heeft gehandeld met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het gebruik van een stroomstootwapen staat niet in een redelijke verhouding tot het beoogde doel, te weten de aanhouding van de verdachte in verband met een openstaande straf en er waren op dat moment minder ingrijpende middelen mogelijk om dat doel te bereiken. De omstandigheid dat [benadeelde] op grond van zijn eerdere ervaring met de verdachte wist dat de verdachte in verzet kan gaan bij een aanhouding, maakt dit niet anders. Dit brengt mee dat de ambtenaren op dat moment niet meer werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.
Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde
De raadsman van de verdachte voert aan dat de verdachte ook van het subsidiair ten laste gelegde moeten worden vrijgesproken. Nu de ambtenaren niet meer werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, was sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De verdachte handelde dus uit noodweer. Subsidiair voert de raadsman aan dat er onvoldoende bewijs is voor het bijten in de vinger. Er is sprake geweest van een worsteling. De ambtenaar heeft dus op allerlei manieren een klemmend gevoel aan zijn vinger kunnen ervaren. Bovendien mist de verdachte een groot aantal (voor)tanden, zodat het hem niet eens zou lukken om te bijten.
Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
[benadeelde] heeft verklaard dat hij tijdens de worsteling met de verdachte opeens een hevige pijnscheut voelde in zijn linker pink en dat het voelde alsof zijn pink vanaf twee kanten werd geklemd alsof hij werd gebeten. Verder bevat het dossier foto’s van de verwonding van de pink, alsmede een medisch document van de spoedeisende hulp. Het hof is van oordeel dat de verklaring van verbalisant dat hij door de verdachte is gebeten een conclusie van de verbalisant betreft. Hij heeft niet zelf waargenomen dat hij werd gebeten. In het medische document staat weliswaar dat de verbalisant in de linker pink is gebeten, maar niet duidelijk is of dit de conclusie van de arts betreft dan wel die van de verbalisant. Alles afwegende heeft het hof niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte de verbalisant in zijn vinger heeft gebeten. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 512,05 ingediend. De politierechter heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 412,05. De benadeelde partij heeft in hoger beroep niet aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof kan daarom alleen een beslissing nemen over de gevorderde schadevergoeding voor het deel dat door de politierechter is toegewezen.
De verdachte wordt vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde handelen waardoor de schade zou zijn ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Vorderingen tot tenuitvoerlegging

Nu de verdachte wordt vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde, zal het hof de in hoger beroep aan de orde zijnde vorderingen tot tenuitvoerlegging afwijzen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Vorderingen tot tenuitvoerlegging

Wijst af de vordering van de officier van justitie van 18 september 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 18-101755-21 bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 26 juli 2021 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk met proeftijd van twee jaren.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van 18 september 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 18-191557-21 bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 11 januari 2022 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één week voorwaardelijk met proeftijd van twee jaren.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van 25 september 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 18-287995-20 bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 9 maart 2021 voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Dit arrest is gewezen door mr. P.W.J. Sekeris, mr. L.G. Wijma en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier mr. H.P.G.A. Arntz en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 1 december 2025.