ECLI:NL:GHARL:2025:7549

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
21-002651-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel door uitgaansgeweld

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 27 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland. De verdachte is veroordeeld voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, nadat hij op 17 maart 2024 in [plaats] het slachtoffer [benadeelde] een klap op zijn gezicht gaf, wat resulteerde in een dubbele kaakbreuk. Het hof heeft de verdachte een gevangenisstraf van vier maanden opgelegd, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 17.775,42, bestaande uit materiële en immateriële schade. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich tijdens een lopende proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een geweldsdelict, wat heeft geleid tot de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde straffen. De uitspraak is gedaan na onderzoek op de zitting van 13 november 2025, waarbij het hof kennis heeft genomen van de vordering van de advocaat-generaal en de argumenten van de verdachte en zijn raadsman, mr. E.H. Bokhorst. Het hof heeft de vrijspraak van het primair ten laste gelegde (zware mishandeling) uitgesproken, maar het subsidiair ten laste gelegde is bewezen verklaard. De verdachte is eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten, wat heeft meegewogen in de strafoplegging.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002651-25
Uitspraakdatum: 27 november 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 3 juni 2025 met parketnummer 16-112956-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16-207759-23, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 november 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • veroordeling van de verdachte ter zake van het aan hem primair ten laste gelegde (zware mishandeling in het uitgaansleven) tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
  • toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij tot een bedrag van € 17.201,31, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
  • toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de duur van dertien dagen en de taakstraf voor de duur van tachtig uren, te vervangen door veertig dagen hechtenis, die aan de verdachte voorwaardelijk zijn opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 6 december 2023 (parketnummer 16-207759-23).
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.H. Bokhorst, hebben aangevoerd.
Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van wat de benadeelde partij en zijn gemachtigde naar voren hebben gebracht.

Het vonnis

De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 3 juni 2025, waartegen het hoger beroep is gericht:
  • verdachte veroordeeld ter zake van het aan hem primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 15.201,31, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
  • de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding;
  • de vordering tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de duur van dertien dagen en de taakstraf voor de duur van tachtig uren, te vervangen door veertig dagen hechtenis, toegewezen, die aan verdachte voorwaardelijk zijn opgelegd bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 6 december 2023 (parketnummer 16-207759-23).
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing met betrekking tot de bewezenverklaring dan de politierechter. Het hof zal daarom het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 17 maart 2024 te [plaats] aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak, heeft toegebracht door hem in zijn gezicht te stompen/slaan;
subsidiair
hij op of omstreeks 17 maart 2024 te [plaats] [benadeelde] heeft mishandeld door hem in zijn gezicht te stompen/slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Feiten en omstandigheden

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. In de nacht van 17 maart 2024 vond een incident plaats op het terras van [bar] in [plaats] . Daarbij heeft verdachte het slachtoffer [benadeelde] in het gezicht geslagen. Het slachtoffer heeft als gevolg daarvan een dubbele kaakbreuk overgehouden. Uit het dossier blijkt dat dit incident is voorafgegaan door een schermutseling tussen verdachte en het slachtoffer. Op enig moment zijn verdachte en het slachtoffer uit elkaar gehaald en is verdachte in een personenauto gestapt waarin zijn vrienden zaten. Meerdere getuigen hebben verklaard dat zij verdachte uit het voertuig hebben zien komen, waarna verdachte op het slachtoffer afliep en hem heeft geslagen. Het hof stelt vast dat sprake is geweest van twee afzonderlijke incidenten: een eerste incident waarbij een schermutseling plaatsvond en een tweede incident waarbij verdachte nadat hij in een auto was gaan zitten om weg te gaan, is terug gegaan naar het terras en het slachtoffer heeft geslagen.
Zwaar lichamelijk letsel
Het hof is, gelet op de zich in het dossier bevindende stukken waaronder een medische verklaring, van oordeel dat het slachtoffer door verdaches handelen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Uit deze verklaring van een kaakchirurg blijkt dat sprake was van een dubbele kaakfractuur en dat er een noodzaak bestond tot een spoedoperatie.
Uit de stukken volgt verder dat daarbij schroeven en platen in zijn kaak zijn geplaatst en dat anderhalf jaar na het voorval nog geen sprake is van volledig herstel. Zo is het gebied tussen de breuken bij de ondertanden onder andere gevoelloos geworden.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde: zware mishandeling

Het hof heeft op basis van het onderzoek ter terechtzitting en het voorliggende procesdossier niet de overtuiging gekregen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan wordt vrijgesproken. Daarbij is het volgende belang.
Verdachte heeft [benadeelde] in het gezicht geslagen, als gevolg waarvan hij een dubbele kaakbreuk heeft opgelopen. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte door het geven van die klap in het gezicht van het slachtoffer bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel zou intreden. Daarbij stelt het hof voorop dat het onder omstandigheden zo kan zijn dat het geven van één enkele klap in het gezicht daarvoor voldoende is.
[benadeelde] heeft verklaard uit het niets een klap onder zijn kin te hebben gekregen. [getuige] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte het slachtoffer sloeg op zijn kaak en dat dit ‘een serieus harde tik’ was. Niet verder is door hem geconcretiseerd wat hiermee bedoeld wordt. Ook uit de overige zich in het dossier bevindende stukken, waaronder diverse andere getuigenverklaringen, blijkt niet dat sprake is van dusdanige gedragingen en omstandigheden dat buiten redelijke twijfel kan worden gezegd dat verdachte door het geven van die enkele klap tegen het gezicht van het slachtoffer de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Bewijsoverweging ten aanzien van subsidiaire: mishandeling met zwaar lichamelijk letsel
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, dan wel uit putatief noodweer. Daartoe heeft hij – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte tijdens een ruzie op het terras bij een bar in [plaats] in een vechtpartij is terecht gekomen waarbij rond de tien personen betrokken waren. Verdachte zou een klap hebben gekregen, daardoor knock-out zijn gegaan en op het moment dat verdachte op de grond weer bij kennis kwam, vond hij de situatie zo bedreigend dat hij een klap zou hebben uitgedeeld om uit deze situatie weg te komen. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat ten tijde van het geven van de klap sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en evenmin dat verdachte zich verontschuldigbaar dreigend gevaar heeft ingebeeld of verkeerd heeft beoordeeld, zodat het beroep op (putatief) noodweer moet worden verworpen.
Oordeel van het hof
Het hof stelt om te beginnen vast dat een slagend beroep op noodweer zou moeten leiden tot vrijspraak en een slagend beroep op putatief noodweer tot afwezigheid van alle schuld. Het hof is van oordeel dat beide beroepen (op noodweer dan wel putatief noodweer) niet slagen omdat het door verdachte geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden. Om die reden bespreekt het hof een en ander onder deze bewijsoverweging, waar ook de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld.
Anders dan verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft het hof vastgesteld dat sprake is geweest van twee afzonderlijke situaties en niet van één situatie waarbij de verdachte tijdens de schermutseling knock-out is geslagen en op het moment dat hij weer bij kennis was gekomen, het slachtoffer heeft geslagen. Nu het hof komt tot een andere feitenvaststelling, wordt het beroep op beide vormen van noodweer vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag verworpen. Het verhaal dat verdachte op zodanige wijze werd belaagd dat hij zich moest verdedigen, is niet aannemelijk geworden nu uit de feitenvaststelling door het hof volgt dat verdachte van het terras is vertrokken en vervolgens weer is teruggekomen. Daarmee zijn de door verdachte verrichte handelingen op grond van diens bedoeling en op grond van de uiterlijke verschijningsvormen aanvallend van aard geweest.
Nu verdachte in een auto is gestapt om bij het terras weg te gaan, en vervolgens weer is terug gekomen, is evenmin sprake van een slagend beroep op putatief noodweer. In de door het hof vastgestelde tweede situatie is niet gebleken van enige handeling door het slachtoffer (of omstanders) verricht richting verdachte. Zo bezien kon hij er dus redelijkerwijs niet van uitgaan dat zich een situatie voordeed waarin hij zich mocht verdedigen.
Het hof is al met al van oordeel dat de aan verdachte subsidiair ten laste gelegde mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg, bewezen kan worden verklaard. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van de bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Wanneer tegen dit arrest cassatie wordt ingesteld, zal het hof de bewijsmiddelen aanvullen. Het hof acht ten aanzien van verdachte bewezen dat:
subsidiair
hij op 17 maart 2024 te [plaats] [benadeelde] heeft mishandeld door hem in zijn gezicht te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak ten gevolge heeft gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Nu het hof het beroep op noodweer verwerpt, is het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar en levert dat op:
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Nu het beroep op putatief noodweer is verworpen en verder ook geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn, is verdachte strafbaar.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof overweegt in het bijzonder het volgende met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezen verklaarde.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling waarbij deze mishandeling zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad. Aldus heeft hij ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van een dergelijk feit nog een lange tijd psychische gevolgen ondervinden. Daarnaast is ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat het slachtoffer tot op heden last heeft van zijn kaak, wat zich uit in dagelijkse pijn.
Bovendien worden door dergelijke feiten de in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid aangewakkerd en in stand gehouden.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke en andersoortige feiten. Dat verdachte in 2021 een strafbeschikking en in 2023 al een (gedeeltelijk voorwaardelijke) gevangenisstraf opgelegd kreeg voor het plegen van geweld in de openbare ruimte, weegt het hof in strafverzwarende zin mee in de strafoplegging.
Verder heeft het hof bij de strafoplegging acht geslagen op hetgeen verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard. Daaruit volgt niet dat verdachte enige verantwoordelijkheid neemt voor (de consequenties van) zijn handelen.
Gelet op al het bovenstaande is het hof om te beginnen van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte is eerder veroordeeld voor uitgaansgeweld en was een gewaarschuwd mens. Desondanks heeft dit hem kennelijk er niet van weerhouden opnieuw dergelijk geweld te plegen. Naast een onvoorwaardelijk strafdeel legt het hof toch ook weer een voorwaardelijk strafdeel op in de hoop dat hem dat in de toekomst
welzal weerhouden van het plegen van nieuwe (soortgelijke) strafbare feiten.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Ondanks dat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter, acht het hof deze straf passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 17.201,31, bestaande uit € 3.201,31 aan materiële schade en € 14.000,00 aan immateriële schade.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding ten aanzien van de materiële schade. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het causaal verband tussen het handelen van verdachte en de schade van de benadeelde partij niet duidelijk is. Met betrekking tot de immateriële schade heeft de raadsman aangevoerd dat het toegewezen bedrag te hoog is.
Oordeel van het hof
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 17.817,55 ingediend, bestaande uit € 3.817,55 aan materiële schade en € 14.000,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 15.201,31, bestaande uit € 3.201,31 aan materiële schade en € 12.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het subsidiair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte tot een bedrag van € 3.775,42 aan materiële schade. Dit bedrag ziet op alle door de benadeelde gevorderde kosten, behalve de posten waaruit volgens de beschrijving blijkt dat sprake is geweest van periodieke controles en daarmee gecombineerde behandelingen bij de tandarts. Het rechtstreeks verband van het strafbaar handelen en die schadeposten is naar het oordeel van het hof, gelet op het verweer van de raadsman ten aanzien van die posten, onvoldoende onderbouwd. Dat geldt niet voor de preventieve afspraken en overige behandelingen bij de tandarts waarvan de benadeelde partij heeft gesteld dat deze als gevolg van het letsel (vaker) hebben moeten plaatsvinden en het hof ook vast stelt dat deze naast de periodieke controles hebben plaats gevonden. De post ‘verlies verdienvermogen’ is naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd. Er ligt een berekeningsmethode aan ten grondslag die navolgbaar is. Het hof is van oordeel dat hiermee voldoende inzichtelijk is geworden welke inkomensschade de benadeelde tenminste heeft geleden. Ook de overige posten met betrekking tot de gevorderde materiële schade zijn voldoende onderbouwd.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding stelt het hof vast dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden en als gevolg van het subsidiair bewezen verklaarde nu hij daardoor lichamelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft ter zitting toegelicht nog steeds pijnklachten en beperkingen te ondervinden.
Gelet op de indicatiebedragen voor immateriële schade, zoals die volgen uit ‘de Rotterdamse schaal’, ingeval van een complexe breuk in de kaak met blijvende gevolgen ter hoogte van € 12.000,00 tot € 21.000,00, komt het hof de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schadevergoeding van € 14.000,00 billijk voor.
Het hof is van oordeel dat de verdachte tot vergoeding van die materiële en immateriële schade is gehouden, zodat de vordering tot een bedrag van € 17.775,42 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2024 tot aan de dag van algehele voldoening. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

Vordering tot tenuitvoerlegging

In de zaak met parketnummer 16-207759-23 is verdachte op 6 december 2023 door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van dertien dagen en een taakstraf voor de duur van tachtig uren, te vervangen door veertig dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Verdachte heeft een nieuw strafbaar feit gepleegd voor het einde van de in die zaak lopende proeftijd. Verdachte heeft kort na de voorwaardelijke veroordeling een soortgelijk geweldsdelict gepleegd. Daarom beveelt het hof de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straffen.

Wetsartikelen

De straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaartniet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaartzoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaartniet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaarthet subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeeltde verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden.
Bepaaltdat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 17.775,42 (zeventienduizend zevenhonderdvijfenzeventig euro en tweeënveertig cent) bestaande uit € 3.775,42 (drieduizend zevenhonderdvijfenzeventig euro en tweeënveertig cent) materiële schade en € 14.000,00 (veertienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaartde benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeeltde verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legtaan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.775,42 (zeventienduizend zevenhonderdvijfenzeventig euro en tweeënveertig cent) bestaande uit € 3.775,42 (drieduizend zevenhonderdvijfenzeventig euro en tweeënveertig cent) materiële schade en € 14.000,00 (veertienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaaltde duur van de gijzeling op ten hoogste 123 (honderddrieëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaaltdat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaaltde aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 17 maart 2024.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 6 december 2023, parketnummer 16-207759-23, voorwaardelijk opgelegde straffen, te weten van:
  • een
  • een
Dit arrest is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, mr. G.A. Versteeg en mr. R. Godthelp, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Dijkman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 27 november 2025.