ECLI:NL:GHARL:2025:7493

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
21-000954-20
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 38 WEDArt. 52 Wet ROArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit illegale loterij over 2009-2016

Betrokkene werd in hoger beroep veroordeeld voor het in de periode van 25 november 2013 tot en met 10 april 2016 opzettelijk gelegenheid geven aan het publiek om door middel van een lottospel mee te dingen naar prijzen. Daarnaast werd vastgesteld dat hij financieel voordeel behaalde uit soortgelijke feiten vanaf 1 januari 2009 tot en met 24 november 2013.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht. Het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op € 404.938, gebaseerd op een extrapolatie van een representatieve lottotrekking van 2 april 2016 over 87 maanden, verminderd met kosten voor drukwerk en vervoerskosten.

Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in de procedure werd de betalingsverplichting met 10% verminderd tot € 364.444,20. De toedeling van het voordeel aan betrokkene en medeverdachten geschiedde pondspondsgewijs, aangezien geen onderscheid in rol of winstverdeling kon worden vastgesteld.

De zaak werd behandeld door de economische kamer van het hof, die bevoegd was op grond van de Wet op de economische delicten. De verdediging voerde onder meer aan dat de ontnemingsvordering moest worden afgewezen bij vrijspraak en dat de berekening van het voordeel onjuist was, maar het hof sloot zich aan bij de berekening van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mr. M.L. Plas, mr. S. Bek en mr. O.F. Essens op 25 november 2025, waarbij het hof het vonnis van de rechtbank vernietigde en de ontnemingsvordering bevestigde met een aangepaste betalingsverplichting.

Uitkomst: Betrokkene is veroordeeld tot ontneming van € 404.938 met een betalingsverplichting van € 364.444,20 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000954-20
Uitspraakdatum: 25 november 2025
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Arrestvan de economische kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 13 februari 2020 met parketnummer 05-880539-16 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1938 in [geboorteplaats] ,
wonende te [postcode] [adres] , [woonplaats] .
Het hoger beroep
De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 oktober 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de betrokkene door zijn raadsman, mr. H.J.M. Nijenhuis, is aangevoerd.
De uitspraak waarvan beroep
Het hof verenigt zich niet met de beslissing van de rechtbank. Daarom vernietigt het hof de beslissing. Het hof doet opnieuw recht.
De bevoegdheid van de economische kamer
Het in de hoofdzaak aan betrokkene tenlastegelegde betreft een economisch delict. Op grond van artikel 38 Wet Pro op de economische delicten (hierna: WED) worden economische delicten behandeld en beslist door de economische kamers van de rechtbank als bedoeld in artikel 52 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO). Ingevolge artikel 52 van Pro de WED is de economische kamer van het hof in hoger beroep bevoegd om van de feiten kennis te nemen.
Op de dagvaarding voor de zitting van 28 oktober 2025 staat niet expliciet vermeld dat verdachte is gedagvaard voor de meervoudige economische strafkamer. Desondanks is de zaak wel - zoals wettelijk verplicht - aangebracht bij en behandeld door de meervoudige economische kamer. De zaak is dan ook behandeld door een bevoegde kamer. Dat op de dagvaarding niet expliciet vermeld staat dat verdachte is gedagvaard voor de economische kamer, doet aan die bevoegdheid niet af.
De vordering
Vordering
Het openbaar ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 1.369.194,-. Daarnaast heeft het openbaar ministerie gevorderd dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
In hoger beroep heeft het openbaar ministerie gevorderd dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 404.938,- en dat betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag, subsidiair € 399.938,-.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming in verband met de door hem bepleite vrijspraak in de hoofdzaak moet worden afgewezen. Subsidiair is aangevoerd dat de berekening van de rechtbank met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel niet juist is, omdat die berekening op één lottotrekking is gebaseerd. Het dossier bevat volgens de raadsman onvoldoende bewijs om te kunnen stellen dat betrokkene in de periode januari 2009 tot en met 27 augustus 2014 in een meer dan faciliterende rol betrokken was bij de loterij van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , dan wel een andere illegale loterij organiseerde. Het bestellen van boekjes is daartoe onvoldoende. Het te ontnemen bedrag moet daarom lager worden vastgesteld. Ook is verzocht om bij de betalingsverplichting rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Als de vordering tot ontneming wordt toegewezen, verzoekt de verdediging het bedrag te beperken tot het bedrag dat bij betrokkene in beslag is genomen.
Oordeel van het hof

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Betrokkene is bij arrest van dit hof van 25 november 2025 veroordeeld voor het in de periode van 25 november 2013 tot en met 10 april 2016 opzettelijk gelegenheid geven aan het publiek om door middel een lottospel mede te dingen naar prijzen en/of premies. Hij heeft de feiten tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gepleegd en heeft hiervan een gewoonte gemaakt.
Uit het strafdossier en de behandeling van de vordering op de zitting in hoger beroep blijkt dat betrokkene uit dat feit financieel voordeel heeft behaald. Daarnaast is het hof van oordeel dat betrokkene financieel voordeel heeft behaald uit soortelijke feiten, ten aanzien waarvan voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door betrokkene zijn begaan. Het gaat dan om het samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opzettelijk gelegenheid geven aan het publiek om door middel een lottospel mede te dingen naar prijzen voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit, te weten in de periode van 1 januari 2009 tot en met 24 november 2013. De verjaring staat niet aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in de weg.
Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel sluit het hof zich aan bij de berekening zoals die door de rechtbank is gegeven. Deze beslissing is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de hierna weergegeven bewijsmiddelen zijn vervat. [1] Aangezien de berekening is gebaseerd op objectieve gegevens en betrokkene zelf geen verklaring heeft afgelegd over het voordeel dat hij heeft genoten, ziet het hof geen reden om van de door de rechtbank uitgegane berekening af te wijken. Het hof neemt de bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank hieronder cursief over. Waar in de hierna cursief weergegeven tekst ‘de rechtbank’ staat vermeld moet ‘het hof’ worden gelezen. Aanvullingen van het hof zijn niet-cursief weergegeven.
Omvang loterij
Bij [medeverdachte 1] werd tijdens een doorzoeking op 10 april 2016 in een emmer een
omvangrijke partij (te weten 1632) [2] ingevulde lottobriefjes aangetroffen. Op de aangetroffen ingevulde lottobriefjes staat de datum 2 april 2016 vermeld. [3]
De rechtbank is van oordeel dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen
voordeel kan worden uitgegaan van de bij [medeverdachte 1] aangetroffen hoeveelheid loten. Het
dossier bevat voldoende ondersteuning dat de bij [medeverdachte 1] aangetroffen loterijbriefjes
van één trekking representatief zijn voor de door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en veroordeelde
gedurende de bewezenverklaarde periode (87 maanden) georganiseerde illegale lotto. De
rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
[medeverdacht 3] heeft verklaard dat hij gedurende tien jaar (vanaf het jaar 2006) één a twee keer
per jaar lottoboekjes met 50 loten per boekje aan veroordeelde verkocht. In het begin betrof het 100 boekjes, later 300 boekjes en het laatste jaar 500 boekjes. [4] Aan veroordeelde heeft [medeverdacht 3] ongeveer acht jaar lang (ook vanaf het jaar 2006) boekjes verkocht. [medeverdacht 3] drukte twee keer per jaar boekjes voor veroordeelde. Dit ging om 100, 300 en 500 boekjes per keer. [5]
[medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij al 20 jaar lang boekjes van [medeverdachte 1] kreeg. [6] Op basis van de verklaringen van [medeverdachte 4] en [medeverdacht 3] concludeert de rechtbank dat op 1 januari 2009 (begin datum onderzoeksperiode) de aanloopperiode al ruimschoots voorbij was.
Gelet op de verklaring van [medeverdacht 3] gaat de rechtbank er vervolgens van uit dat [medeverdacht 3] vanaf 1 januari 2009 per jaar twee keer 400 boekjes van 50 loten (zijnde het gemiddelde van 300 en 500 boekjes) aan veroordeelde en twee keer 400 boekjes van 50 loten aan [medeverdachte 2] leverde. Twee leveringen van 800 boekjes à 50 loten per boekje betekent 80.000 loten. Per week zijn dat 1538 loten. Het aantal loten dat bij [medeverdachte 1] is aangetroffen komt nagenoeg overeen met dit aantal. Daarnaast wordt de verklaring van [medeverdacht 3] ondersteunt door diverse bewijsmiddelen in het dossier, zoals aantekeningen die wijzen op het bestellen van loten. [7]
Gelet hierop, en mede in aanmerking genomen dat de verdediging op geen enkele wijze haar stelling heeft onderbouwd dat het aantal verkochte loten en het voordeel minder zou zijn of inzicht heeft gegeven in het naar het oordeel van de verdediging daadwerkelijk aantal verkochte loten en de daarmee gemoeid zijnde verdiensten, is de rechtbank van oordeel dat het transactieresultaat van de trekking van 2 april 2016 kan worden geëxtrapoleerd over een periode van 87 maanden.
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de rechtbank zich
gebaseerd op het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict”
(hierna: ontnemingsrapport) van 30 mei 2017 inclusief de daarbij behorende bijlagen. [8] Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van de
onderzoeksperiode, dit is van 1 januari 2009 tot en met 1 april 2016. [9]
Opbrengst
In totaal is er voor de trekkingen van 2 april 2016 € 9.113,25 ingelegd.
Spel 1, 2 en 3 € 3.862,75
[bedrijf 1] € 648,-
[bedrijf 2] € 4.602,50
Door [medeverdachte 4] [10] en [medeverdacht 3] [11] is verklaard dat een loper 20% mag houden. Dit houdt in dat de
volgende bedragen zijn ingehouden:
Spel 1, 2 en 3 € 772,55
[bedrijf 1] € 129,60
[bedrijf 2] € 920,50
Voor de organisatoren bleef over:
Spel 1, 2 en 3 € 3.090,20 +
[bedrijf 1] € 518,40 +
[bedrijf 2] € 3.682,00 +
------------------------------------------------------
Totaal € 7.290,60
De rechtbank gaat bij het vaststellen van het bedrag dat de organisatie moet uitkeren aan
prijzengeld uit van de door de [toezichthouder] gemaakte kansberekening. [12]
Op basis van die kansberekening dienen de volgende bedragen uitgekeerd te worden:
Spel 1,2 en 3 € 1.675,56
[bedrijf 1] € 326,24 +
[bedrijf 2] € 1.980,41 +
------------------------------------------------------
Totaal € 3.982,21
€ 7.290,60 (opbrengst per week) minus € 3.982,21 (prijzengeld) = € 3.308,39 per week.
Per jaar is dat € 3.308,39 x 52 = € 172.036,28. Voor 87 maanden is dat een voordeel van
€ 1.247.263,- (€ 172.036,28 / 12 x 87)
Drukkosten
Voor de berekening van de kosten gaat de rechtbank uit van een bedrag van
€ 1,75 per boekje gelet op de verklaring van [medeverdacht 3] dat hij tussen de € 1,50 en € 1,75 per boekje ontving. [13]
Uitgaande van 1632 formulieren per trekking zijner in totaal 615.264 lottobriefjes gedrukt
over de periode van 87 maanden (1632 x 52 / 12 x 87).
De totale kosten bedragen € 21.534,- (615.264 / 50 x € 1,75).
Vervoerskosten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]
Uit de waarneming van het observatieteam en de geregistreerde plaatsbepalingsgegevens is
gebleken dat [medeverdachte 1] nagenoeg elke zaterdag en zondag de woning van veroordeelde aan de [adres] in [plaats] bezocht. Tussen 4 februari 2015 en 27 november 2015 liggen 42 weekenden. In 28 weekenden is het baken op zowel zaterdag als zondag gepeild aan de [adres] . En vier weekenden is het baken niet gepeild bij de woning. In zeven
weekenden is er alleen op zaterdag gepeild en in drie weekenden alleen op zondag. [14]
Bij observaties is ook [medeverdachte 2] regelmatig gezien bij de woning van veroordeelde, op momenten dat [medeverdachte 1] daar ook was. Ook bleek dat [medeverdachte 1] in de weekenden diverse
adressen langsreed om enveloppen/papieren weg te brengen/op te halen. [15]
[medeverdachte 1]
De afstand van de woning van [medeverdachte 1] ( [adres] ) naar de [adres] [plaats] is 17 kilometer. Omdat [medeverdachte 1] meerdere adressen in [plaats] bezocht en deze niet elke week hetzelfde waren is voor de berekening van de vervoerskosten ervan uitgegaan dat [medeverdachte 1] nog 16 kilometer extra aflegt.
Per zaterdag en zondag:

2 x 17 km + 16 km = 50 km x 2 = 100 km per week.

Per jaar:

52 x 100 = 5200 kilometer.

Over 87 maanden:
5200 / 12 x 87 = 37.700 km
Voor de berekening van de kilometerprijs is de door de belastingdienst gehanteerde
maximale reiskosten vergoeding werkgever gebruikt, namelijk € 0,19 per kilometer.
Dit betekent een bedrag aan vervoerskosten van € 7.163,-
[medeverdachte 2]
De afstand van de woning van [medeverdachte 2] ( [adres] ) naar de [adres]
[plaats] is 5 kilometer. Omdat het aannemelijk is dat ook [medeverdachte 2] meerdere adressen
in [plaats] bezocht en deze niet elke week hetzelfde waren is voor de berekening van de
vervoerskosten ervan uitgegaan dat [medeverdachte 2] nog 16 kilometer extra aflegt.
Per zaterdag en zondag:

2 x 5 km = l0 km + 16 km = 26 km x 2 =52 km

Per jaar:

52 x 52 = 2704 km

Over 87 maanden:
2704 / 12 x 87 = 19.604 km x € 0,19 = € 3.725,-
Totaal kosten
€ 21.534 drukwerk + € 7.163,- vervoerskosten [medeverdachte 1] + €3.725,- vervoerskosten
[medeverdachte 2] = € 32.422,-
Wederrechtelijk verkregen voordeel: € 1.214.814,-
(Opbrengst van € 1.247.263,- minus kosten van € 32.422,-).
Toerekening
Veroordeelde, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn bij het arrest van 25 november 2025 veroordeeld voor het tezamen en in vereniging organiseren van een illegale lotto. Het hof is gelet hierop van oordeel dat het bedrag aan hen kan worden toegerekend.
Veroordeelden hebben geen inzicht gegeven in de rol- en winstverdeling. Er is niet gebleken van een ondergeschikte rol van één van hen. De rechtbank zal het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom pondspondsgewijs toerekenen, in die zin dat veroordeelde wordt veroordeeld tot betaling van één derde deel van het verkregen voordeel. Dit betekent dat de rechtbank het ontnemingsbedrag ten aanzien van veroordeelde vaststelt op een bedrag van € 404.938,-.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Het hof constateert dat de betrokkene op 21 februari 2020 hoger beroep heeft ingesteld en dat er op 25 november 2025 arrest wordt gewezen. Dit maakt dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van bijna vier jaar. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn acht het hof gronden aanwezig om het door de betrokkene te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte bedrag. Het hof zal 10% van het wederrechtelijk verkregen voordeel op het te betalen bedrag in mindering brengen. Het hof stelt de verplichting tot betaling aan de Staat vast op een bedrag van € 364.444,20.
Wetsartikelen
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
404.938,00 (vierhonderdvierduizend negenhonderdachtendertig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 364.444,20 (driehonderdvierenzestigduizend vierhonderdvierenveertig euro en twintig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 180 dagen.
Aldus gewezen door
mr. M.L. Plas, voorzitter,
mr. S. Bek en mr. O.F. Essens, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. B. van Leeuwen, griffier,
en op 25 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 25 november 2025.
Tegenwoordig:
mr. M.L. Plas, voorzitter,
mr. M. Muurmans, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. J. Zeilstra, advocaat-generaal.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte en zijn raadsman zijn niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter sluit het onderzoek.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant]
2.Excel-bestand behorend bij rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, onderzoek Trombone, proces-verbaalnummer AH479-001.
3.Proces-verbaal van doorzoeking [adres] , proces-verbaal nummer AH530, opgemaakt te [plaats] op 11 april 2016, proces-verbaal van bevindingen in beslag genomen goederen Wet op de kansspelen, p. 5189 en afbeelding lottobriefjes, p. 5331.
4.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdacht 3] , p. 1424 en 1425.
5.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdacht 3] , p. 1425 en 1426.
6.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] , p. 1384.
7.Proces-verbaal bevindingen in beslag genomen goederen Wet op de kansspelen, p. 5191 en
8.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict betreffende [medeverdachte 1] ,
9.Ontnemingsrapport, p. 27.
10.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] , p. 1385 en 1386.
11.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 5222.
12.Proces-verbaal van bevindingen verslagen kansberekening illegale lotto door [toezichthouder] , p.
13.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdacht 3] , p. 1425 en 1426.
14.Rapport met betrekking tot bakengegevens [kenteken] , p. 5104.
15.Proces-verbaal van observatie op zaterdag 14 maart 2015, p. 5019 t/m 5024, proces-verbaal van