ECLI:NL:GHARL:2025:7445

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
200.356.066
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Regeling van contact tussen moeder en kinderen in hoger beroep na gewijzigde omstandigheden

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 25 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep inzake de zorgregeling tussen een moeder en haar twee minderjarige kinderen, [minderjarige1] en [minderjarige2]. De moeder was in hoger beroep gegaan tegen een eerdere beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, die op 20 maart 2025 een zorgregeling had vastgesteld. De kinderrechter had bepaald dat de moeder en de kinderen één keer in de vier weken op neutraal terrein onder begeleiding van een medewerker van Het Opstapje contact mochten hebben. De moeder was het niet eens met deze regeling en verzocht het hof om een ruimere omgangsregeling.

Tijdens de mondelinge behandeling op 28 oktober 2025 bleek dat de omstandigheden rondom de moeder aanzienlijk waren gewijzigd. De moeder was enige tijd vermist geweest en had problemen met de politie, waaronder het aantreffen van drugs in haar woning. Het hof oordeelde dat de moeder op dat moment niet in staat was om een betrouwbare ouder te zijn voor de kinderen, die al eerder onder toezicht waren gesteld. Het hof besloot daarom om de bestreden beschikking te vernietigen en het contact tussen de moeder en de kinderen stop te zetten tot de moeder voldoet aan de voorwaarden die de gecertificeerde instelling (GI) zal opstellen voor contactherstel. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof benadrukte dat het beperken van contact tussen ouder en kind een inbreuk op het 'family life' vormt en dat dit alleen mag gebeuren als het in het belang van de minderjarige is. De beslissing van het hof is genomen met het oog op de veiligheid en het welzijn van de kinderen, die behoefte hebben aan een stabiele en betrouwbare ouder.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.066
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 587737 en 587732)
beschikking van 25 november 2025
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] , gemeente [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F.R.G. Drenth,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd te Utrecht,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende1],
wonende te [woonplaats1] , gemeente [woonplaats1] ,
verder te noemen: de vader,
en
[belanghebbende2],
wonende te [woonplaats1] , gemeente [woonplaats1] ,
verder te noemen: de oma (van vaderszijde).

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 20 maart 2025, uitgesproken onder de zaaknummers 587737 en 587732. Deze beschikking wordt verder ook genoemd: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 20 juni 2025;
- het verweerschrift van de GI met producties.
2.2
De minderjarige [minderjarige1] is in de gelegenheid gesteld haar mening over het verzoek kenbaar te maken, maar zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 28 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
Namens de raad voor de kinderbescherming was, met bericht vooraf, niemand aanwezig.

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van:
- [minderjarige1] , geboren op [geboortedatum1] 2014 en
- [minderjarige2] , geboren op [geboortedatum2] 2017,
over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen.
3.2
De kinderrechter heeft [minderjarige1] en [minderjarige2] bij beschikking van 17 augustus 2022 onder toezicht gesteld tot 17 augustus 2023. De ondertoezichtstelling is daarna verlengd, voor het laatst tot 17 augustus 2026.
3.3
De kinderrechter heeft bij beschikking van 5 september 2023 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] en [minderjarige2] verleend tot 3 oktober 2023. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna verlengd, voor het laatst tot 17 augustus 2026.
3.4
[minderjarige1] en [minderjarige2] verblijven bij de oma (van vaderszijde). In het weekend verblijven ze bij de vader.
3.5
De GI heeft op 10 januari 2025 in een schriftelijke aanwijzing aan de moeder de contacten tussen de moeder en [minderjarige1] en [minderjarige2] beperkt, in die zin dat de moeder en [minderjarige1] en [minderjarige2] één keer in de vier weken voor de duur van 60 minuten op neutraal terrein omgang hebben onder begeleiding van een medewerker van Het Opstapje.
De kinderrechter heeft deze schriftelijke aanwijzing in de bestreden beschikking vervallen verklaard vanwege de wijze van totstandkoming van de aanwijzing.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter, voor zover hier van belang, op grond van artikel 1:265f lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een zorgregeling tussen de moeder en de kinderen vastgesteld inhoudende dat:
[minderjarige1] en [minderjarige2] één keer in de vier weken voor duur van een uur op neutraal terrein
omgang hebben met de moeder onder begeleiding van een medewerker van Het Opstapje.
Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen. Deze zorgregeling is identiek aan die vervat in de schriftelijke aanwijzing.
4.2
De moeder is het niet eens met die beslissing en is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de daarin vastgestelde omgangsregeling te vernietigen en als omgangsregeling vast te stellen dat moeder, [minderjarige1] en [minderjarige2] elke twee weken van vrijdag uit school tot zaterdag 17:00 uur omgang hebben bij de moeder thuis, dan wel een omgangsregeling vast te stellen die ruimer is dan de in de bestreden beschikking vastgestelde regeling. De moeder verzoekt het hof daarnaast de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.3
De GI voert verweer en vraagt het hof het verzoek van de moeder af te wijzen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI het hof verzocht om, gezien de recente ontwikkelingen rondom de zorgregeling, het contact tussen de moeder en de kinderen stop te zetten.
4.4
De advocaat van de moeder heeft tegen het mondelinge verzoek verweer gevoerd, omdat het voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gedaan, en omdat de moeder niet slechter mag worden van het door haar ingestelde hoger beroep.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge artikel 1:265f lid 2 BW kan de kinderrechter ambtshalve een zodanige regeling van het contact tussen ouder en kind vaststellen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Het hof merkt op dat de rechter daarbij de vrijheid heeft om per geval te bepalen welke regeling het meest in het belang van de minderjarige is en daarbij aan te sluiten bij de (mogelijk inmiddels) gewijzigde omstandigheden van het geval. Het beperken van contact tussen ouder en kind vormt een inbreuk op het ‘family life’ en mag daarom niet verder gaan dan in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
5.2
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de omstandigheden sinds de bestreden beschikking aanzienlijk zijn gewijzigd. Sinds september 2025 is er geen contact geweest tussen de moeder en [minderjarige1] en [minderjarige2] , is de moeder enige tijd vermist geweest, heeft de politie drugs aangetroffen in de woning van de moeder, is de moeder door de politie teruggevonden in een zogenoemd drugspand en zit de moeder naar eigen zeggen op dit moment voor haar eigen bescherming ondergedoken. Het hof vindt dit uiterst zorgelijk.
5.3
Uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat [minderjarige1] en [minderjarige2] vanaf jonge leeftijd niet hebben kunnen profiteren van een (emotioneel) beschikbare en stabiele ouder, als gevolg waarvan zij belast zijn met volwassen zaken en tekort zijn gekomen op verschillende ontwikkelingsgebieden. Voor beide kinderen is inmiddels hulpverlening ingezet om ze te helpen met het verwerken van wat zij in hun leven al hebben meegemaakt. Uit de stukken blijkt dat [minderjarige1] en [minderjarige2] verdrietig en teleurgesteld zijn als de moeder (zonder bericht) niet aanwezig is op de omgangsmomenten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI laten weten dat [minderjarige1] op die momenten ook boos is en zich zorgen maakt over de moeder. Voor het hof is voldoende duidelijk dat [minderjarige1] en [minderjarige2] , nog meer dan andere kinderen, behoefte hebben aan een betrouwbare moeder die haar afspraken nakomt en dat de moeder [minderjarige1] en [minderjarige2] dit, gelet op het voorgaande, op dit moment niet kan bieden.
5.4
Het hof is het met de GI eens dat de in de bestreden beschikking vastgestelde regeling gezien het voorgaande niet (langer) in het belang van [minderjarige1] en [minderjarige2] is. Het hof zal daarom op grond van artikel 1:265f lid 2 BW ambtshalve een regeling van het contact tussen de moeder en [minderjarige1] en [minderjarige2] vaststellen die het hof in hun belang noodzakelijk vindt en waarbij wordt aangesloten bij de gewijzigde omstandigheden.
5.5
Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de daarin vastgestelde zorgregeling vernietigen en ambtshalve bepalen dat het contact tussen de moeder en [minderjarige1] en [minderjarige2] wordt stopgezet tot het moment dat de moeder voldoet aan de door de GI op te stellen voorwaarden voor contactherstel. Het hof verwacht in dat kader van de GI dat zij zal overgaan tot het opstellen van concrete, duidelijke voorwaarden waaronder het contactherstel kan plaatsvinden, deze zo gauw mogelijk met de moeder zal bespreken en, zodra aan de gestelde voorwaarden is voldaan, het contact tussen de moeder en de kinderen op een voor [minderjarige1] en [minderjarige2] veilige en verantwoorde wijze weer zal opstarten.
5.6
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling verzocht om het contact tussen de moeder en [minderjarige1] en [minderjarige2] (voorlopig) stop te zetten, tegen welk verzoek de advocaat van de moeder zich heeft verweerd.
Omdat het hof ambtshalve een beslissing neemt over de zorgregeling – welke beslissing gelijkluidend is aan het mondelinge verzoek van de GI – zal het hof (de toelaatbaarheid van) het verzoek van de GI tijdens de mondelinge behandeling niet bespreken.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 20 maart 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat het contact tussen de moeder en [minderjarige1] en [minderjarige2] wordt stopgezet tot het moment dat de moeder voldoet aan de door de GI op te stellen voorwaarden voor contactherstel;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, E. de Boer en L. Hamer, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier, en is op 25 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.