ECLI:NL:GHARL:2025:7334

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
200.354.617/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake ouderlijk gezag en omgangsregeling tussen vader en kinderen

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 14 februari 2025. De vader, die in hoger beroep is gekomen, verzocht om het gezamenlijk gezag over zijn kinderen te herstellen en om een omgangsregeling vast te stellen. De rechtbank had eerder bepaald dat het ouderlijk gezag alleen aan de moeder toekomt en dat er geen omgangsregeling tussen de vader en de kinderen geldt. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd, waarbij het heeft overwogen dat de vader sinds de scheiding grotendeels afwezig is in het leven van de kinderen en dat er onvoldoende communicatie is tussen de ouders om gezamenlijk gezag uit te oefenen. De vader heeft verzocht om de benoeming van een bijzondere curator en een raadsonderzoek, maar het hof heeft deze verzoeken afgewezen, omdat het zich voldoende voorgelicht achtte om een beslissing te nemen. Het hof heeft vastgesteld dat de omgang met de vader op dit moment niet in het belang van de kinderen is, gezien hun trauma en de eerdere negatieve ervaringen met omgang. Het hof heeft wel geadviseerd dat de kinderen therapie krijgen om hun beeld van de vader te kunnen bijstellen. De moeder is verplicht om de vader op de hoogte te houden van belangrijke zaken omtrent de kinderen, zoals hun gezondheid en school.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.354.617 (gezag en omgang)
200.354.690 (bijzondere curator)
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 584042)
beschikking van 20 november 2025
inzake
[appellant],
verblijvende in [woonplaats 1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. H.I. Park,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats 1] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. B. Mor-Yazir.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
verder te noemen: de GI.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 14 februari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlagen, ingekomen op 14 mei 2025;
- het verweerschrift met bijlagen,
- de brief van de GI van 11 juni 2025.
2.2
De hierna te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben schriftelijk hun mening kenbaar gemaakt over het hoger beroep. De minderjarige [minderjarige 3] is, blijkens de verklaring van de GZ-psycholoog van 26 augustus 2025, als gevolg van een meervoudige beperking niet in staat om zijn mening te geven over het hoger beroep.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 2 oktober 2025 plaatsgevonden. daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door mr. R. Croes-Bleijendaal, kantoorgenote van mr. Park;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
Namens de GI is, met bericht vooraf, niemand verschenen.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd geweest. Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2011 in [woonplaats 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2013 in [woonplaats 1] en
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2014 in [woonplaats 1] .
Tot aan de bestreden beschikking hadden de ouders het gezamenlijk gezag over de kinderen, die bij de moeder wonen.
3.2
In de echtscheidingsbeschikking van 25 januari 2022 heeft de rechtbank een
voorlopige zorgregeling vastgesteld, die inhoudt dat de vader elke week op zaterdag van
14
uur tot 17.00 uur omgang met de kinderen heeft. Daarbij heeft de rechtbank bepaald
dat die regeling geldt totdat de ouders een andere regeling overeenkomen, of de rechtbank
een andere regeling bepaalt.
3.3
De kinderen zijn bij beschikking van 2 mei 2022 onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 1 mei 2024 is de ondertoezichtstelling ten aanzien van [minderjarige 3] verlengd tot 2 mei 2025 en ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beëindigd. Bij beschikking van 30 april 2025 is ook de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] beëindigd.
3.4
Bij beschikking van 30 november 2022 heeft de kinderrechter de zorgregeling voor
de vader en [minderjarige 3] als volgt gewijzigd:
elke woensdagmiddag zal er vanuit school (12:30 uur) twee uur omgang zijn inclusief
reistijd, waarbij:
• de vader samen met de begeleiding [minderjarige 3] van school ophaalt en zij naar opa en oma
vaderszijde gaan waar de omgang zal plaatsvinden;
• de vader samen met de begeleiding [minderjarige 3] naar huis brengt.
- in eerste instantie zal de omgang begeleid plaatsvinden.
- zodra mogelijk zal de omgang onbegeleid plaatsvinden en worden uitgebreid naar één dag
in het weekend van 10:00 uur tot 16:00 uur, waarbij het tempo van [minderjarige 3] bepalend is.
3.5
In onderhavige zaak heeft de vader de rechtbank verzocht een nieuwe omgangsreling vast te stellen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. te bepalen dat tussen hem en de kinderen de volgende zorg- en contactregeling zal gelden:
a. voor de duur van 4 weken, ingaande op de eerste vrijdag na de beschikking, elke vrijdag
vanaf 17.00 uur tot 17.15 uur een belmoment. waarbij de moeder de vader inbelt;
b. nadien voor de duur van 4 weken elke zaterdag vanaf 12.00 uur tot 15.00 uur. waarbij
de vader de kinderen bij de moeder ophaalt en nadien weer bij de moeder afzet:
c. nadien een weekendregeling, waarbij de kinderen om het weekend van vrijdag 17.00
uur tot zaterdag 17.00 uur bij de vader verblijven, waarbij de vader de kinderen ophaalt
en nadien weer bij de moeder afzet,
en daarbij te bepalen dat bij niet-nakoming van deze regeling een dwangsom zal worden opgelegd van € 2.500 per dag(deel) dat de moeder niet aan de regeling voldoet, met een maximum van € 25.000 althans op verbeurte van een zodanige dwangsom met een zodanig maximum zoals de rechtbank dat gepast en geboden acht:
2. een informatieregeling vast te stellen, waarbij de moeder de vader eenmaal per maand per
e-mail informeert over het welzijn van de kinderen, de school, sport en lichamelijke
ontwikkeling, schoolresultaten en medische voortgang.
3.6
De moeder heeft verweer gevoerd. Zij is tegen iedere vorm van omgang. Zij heeft voorts verzocht om haar alleen met het ouderlijk gezag over de kinderen te belasten.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking is bepaald dat
- het gezag over de kinderen vanaf dat moment alleen toekomt aan de moeder;
- de in de beschikkingen van 25 januari 2022 en 30 november 2022 vastgelegde
zorgregelingen worden gewijzigd en dat er geen omgangsregeling geldt tussen de vader en
de kinderen;
- dat de moeder één keer per maand een e-mail of brief zal sturen aan de vader over in ieder
geval:
* de gezondheid van de kinderen;
* hoe het met hen gaat op school;
* hun hobby’s.
4.2
De vader is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:
1. het verzoek van de moeder om het eenhoofdig gezag alsnog af te wijzen;
2. zijn in eerste aanleg gedane verzoeken alsnog toe te wijzen;
3. een raadsonderzoek te gelasten en de zaak aan te houden in afwachting van de resultaten
van dat onderzoek;
4. een bijzondere curator te benoemen en de zaak aan te houden in afwachting van het
verslag van de bijzondere curator.
4.3
De moeder heeft verweer gevoerd en gevraagd om de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep, althans dat verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

De verzoeken van de vader om een raadsonderzoek en de benoeming van een bijzondere curator
5.1
Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om nu een beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek te gelasten. Ook ziet het hof geen aanleiding voor de benoeming van een bijzondere curator. Op grond van artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, als in zaken betreffende onder andere de verzorging en opvoeding van een minderjarige de belangen van de gezaghebbende in strijd zijn met die van die minderjarige, een bijzondere curator benoemen om die minderjarige, zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen. Op grond van genoemd wetsartikel heeft een bijzondere curator niet de mogelijkheid om, zoals de vader verzoekt, te onderzoeken waarom de kinderen geen omgang met hem willen. Het hof zal de desbetreffende verzoeken van de vader dan ook afwijzen.
Wat staat er in de wet over het gezag?
5.2
Ingevolge artikel 1:251a BW kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van een van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Hoe luiden de standpunten over het gezag?
5.3
De vader stelt dat de kinderrechter ten onrechte het gezamenlijk gezag heeft beëindigd.
Volgens hem is daarbij ten onrechte overwogen dat hij sinds het uiteengaan van de ouders langere periodes afwezig was in het leven van de kinderen en dat hij daardoor weinig zicht heeft op de ontwikkeling van de kinderen en niet goed weet welke beslissingen voor de kinderen moeten worden genomen. Ondanks dat hij ongeveer vier maanden per jaar in Marokko verblijft heeft hij zich altijd ingespannen om goed betrokken te blijven bij het leven van de kinderen. Hij wil graag op de hoogte blijven van de ontwikkeling van de kinderen, zoals ten aanzien van hun schoolse en sociale activiteiten en medische aangelegenheden.
5.4
De moeder voert aan dat het in het belang van de kinderen is dat zij het eenhoofdig gezag over hen uitoefent. De vader is al sinds 2015 grotendeels afwezig. Hij woont officieel in Marokko, waar hij ook voornamelijk verblijft. Hij heeft geen stabiele woon- of verblijfplaats in Nederland. Als gevolg daarvan, maar ook van de slechte communicatie tussen de ouders, heeft de vader nauwelijks zicht op het leven en de ontwikkeling van de kinderen. Hij kan derhalve niet beoordelen wat in het belang van de kinderen is. Er is ook geen overleg tussen de ouders mogelijk en het opstellen van een ouderschapsplan is niet gelukt. De moeder neemt al geruime tijd de gezagsbeslissingen zelfstandig.
De moeder weet ook nog steeds niet wat het volledige adres van de vader in Marokko is. Ze kan hem niet bereiken. Dit belemmert de communicatie en afstemming over de kinderen.
5.5
De raad heeft geadviseerd om het eenhoofdig gezag bij de moeder te laten. De vader verblijft een groot deel van het jaar in het buitenland. De communicatie tussen de ouders verloopt moeizaam. Daardoor lukt het hen niet om op een goede manier samen beslissingen te nemen over hun kinderen.
Het oordeel van het hof over het gezag
5.6
Het hof stelt voorop dat het de bedoeling van de wetgever is dat ouders, ook na hun uiteengaan, samen het gezag over hun kinderen blijven uitoefenen. Daarbij is echter wel een voorwaarde dat de ouders op een zodanige manier met elkaar kunnen communiceren dat zij samen de voor hun kinderen noodzakelijke beslissingen kunnen nemen. Aan die voorwaarde wordt in dit geval niet voldaan. Uit de stukken en wat tijdens de zitting is gezegd is het volgende gebleken. De vader verblijft een groot deel van het jaar in Marokko. Hij heeft geen eigen adres in Nederland. Dat veelvuldige buitenlandverblijf vormt hier een obstakel voor het uitoefenen van het gezag. De GI heeft ten tijde van de ondertoezichtstelling al ervaren dat de moeder open stond en goed bereikbaar was voor de hulpverlening, maar dat met de vader moeilijk contact te krijgen was. Daarnaast is het de ouders niet gelukt om overeenstemming te krijgen over een ouderschapsplan. Ook wilde de vader slechts deels toestemming geven voor een belangrijke medische behandeling van [minderjarige 3] . Bovendien heeft de vader geweigerd toestemming te geven voor een buitenlandvakantie van de moeder met de kinderen. Uit het voorgaande blijkt dat de ouders het moeilijk eens kunnen worden over de voor hun kinderen te nemen beslissingen. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat de moeder, bij wie zij in Nederland wonen en die het eerste aanspreekpunt voor hen is, het ouderlijk gezag over hen zal uitoefenen. Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.
Wat staat er in de wet over de omgang?
5.7
Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Hoe luiden de standpunten over de omgang tussen de vader en de kinderen?
5.8
Volgens de vader heeft de kinderrechter ten onrechte de door hem verzochte omgangsregeling met de kinderen afgewezen. Er zijn in het verleden diverse pogingen gedaan om de omgang tussen hem en de kinderen weer op te starten. Dat die pogingen niet zijn gelukt valt hem niet te verwijten. Hij stelt dat de moeder de kinderen daarin beïnvloedt, door hen negatieve verhalen over hem te vertellen. Zonder een goede omgangsregeling krijgen de kinderen geen kans om hun mening over de vader bij te stellen.
5.9
De moeder voert aan dat zij ten tijde van de echtscheiding juist heeft aangedrongen op een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen. De vader kwam de regeling echter niet na. Hij heeft zijn leven in Marokko voortgezet en bleef feitelijk afwezig in het leven van de kinderen. In de poging om de omgang daarna weer op te starten heeft de moeder het advies van de GI opgevolgd om de kinderen daarin emotioneel te ondersteunen. De contacten die daarna tussen de kinderen en de vader hebben plaatsgevonden waren echter niet succesvol. De kinderen hebben inmiddels grote weerstand tegen contact met de vader. Volgens de moeder is het in het belang van de kinderen dat zij nu rust krijgen en dat zij nu niet gedwongen worden om contact te hebben met de vader.
5.1
De raad adviseert om op dit moment geen omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen. Volgens de raad heeft de GI ten tijde van de ondertoezichtstelling meer dan voldoende pogingen gedaan om de omgang weer op gang te brengen, maar moest uiteindelijk geconstateerd worden dat de omgang te belastend is geweest voor de kinderen. De raad heeft wel geadviseerd om de kinderen indien mogelijk een therapie te laten volgen om te onderzoeken of het voor hen mogelijk is om het beeld over de vader bij te stellen. Volgens de raad is het wel in het belang van de kinderen dat de moeder de in de bestreden beschikking vastgelegde informatieregeling richting de vader nakomt.
Het oordeel van het hof over de omgang tussen de vader en de kinderen
5.11
Het hof stelt voorop dat het in het belang is van kinderen om, ook na het uiteengaan van de ouders, contact te kunnen blijven hebben met beide ouders. Uit de stukken en wat tijdens de zitting is gezegd is gebleken dat er in het verleden diverse pogingen zijn ondernomen om de omgang tussen de vader en de kinderen op een goede manier vorm te geven, wat kennelijk ook een doel was van de ondertoezichtstelling. Die pogingen zijn niet succesvol gebleken. De GI heeft daarover destijds in het kader van de ondertoezichtstelling verklaard dat de omgang moest stoppen in het belang van de kinderen, omdat voortzetting van de pogingen schadelijk zou zijn voor hun sociaal-emotionele ontwikkeling. De kinderen zijn getuige geweest van het huiselijk geweld tussen de ouders, waardoor zij zijn getraumatiseerd. Zij hebben met grote weerstand gereageerd op de plaatsgevonden omgang. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat omgang met de vader op dit moment niet in het belang van de kinderen is. Integendeel. Naast het gegeven dat het veelvuldige buitenlandverblijf van de vader een belemmering is voor het op structurele wijze nakomen van een omgangsregeling, is het bij de kinderen aanwezige trauma een contra-indicatie voor omgang met de vader. Het hof zal daarom de bestreden beschikking ook ten aanzien van de omgang bekrachtigen. Het hof acht het, zoals ook door de raad is geadviseerd, wel in het belang van de kinderen dat zij een aangewezen vorm van therapie krijgen in verband met het bij hen geconstateerde trauma en om hun beeld van de vader te kunnen bijstellen, zodat er in de toekomst bij hen wellicht weer mogelijkheden zijn voor omgang met de vader. Het is dan natuurlijk wel van belang dat de vader op termijn ook een woon- of verblijfplaats in Nederland heeft om omgang mogelijk te maken. Het hof acht het ook belangrijk dat de moeder zich correct houdt aan de in de bestreden beschikking vastgestelde informatieregeling, zodat de vader zo goed als mogelijk op de hoogte kan blijven over het leven van de kinderen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van
14 februari 2025,
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, R. Feunekes en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 20 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.