Verzoekster, onder bewind gesteld vanwege haar geestelijke en lichamelijke toestand, verzocht het hof om haar bewindvoerder te ontslaan en een opvolgend bewindvoerder te benoemen. Zij stelde dat de samenwerking moeizaam verliep en dat de bewindvoerder haar belemmerde in het kopen van een auto en het hervatten van werk, wat zij nodig achtte voor haar ziekenhuisbezoeken, familiecontacten en het aflossen van schulden.
De bewindvoerder gaf aan dat zij niet tegen het werken van verzoekster is, maar dat het belangrijk is dat zij een stabiel inkomen behoudt. Tevens verklaarde zij dat de financiële situatie beperkt is, waardoor er geen ruimte is voor extra uitgaven zoals een auto. De bewindvoerder handelde volgens het hof naar behoren en er was geen sprake van belemmering in verzoeksters financiële zelfstandigheid.
Het hof erkende de moeilijke financiële situatie en de frustraties van verzoekster, maar vond geen gewichtige reden om de bewindvoerder te ontslaan. Het benoemen van een nieuwe bewindvoerder zou de financiële situatie niet verbeteren. Daarom werd de bestreden beschikking van de kantonrechter bekrachtigd en het verzoek afgewezen.