In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, hier aangeduid als [de minderjarige]. De kinderrechter in de rechtbank Gelderland had eerder een machtiging tot uithuisplaatsing verleend, maar het hof oordeelt dat de omstandigheden niet zodanig zijn gewijzigd dat een nieuw verzoek tot uithuisplaatsing kon worden toegewezen. De kinderrechter had op 19 maart 2025 een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om een machtiging tot uithuisplaatsing afgewogen en afgewezen. De GI had opnieuw verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing op 4 april 2025, maar het hof concludeert dat de kinderrechter deze machtiging niet had mogen verlenen. De eerdere beslissing van de kinderrechter wordt vernietigd, en de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader vervalt, waardoor [de minderjarige] terug moet naar de moeder, die het ouderlijk gezag heeft. Het hof wijst ook het zelfstandig verzoek van de moeder af, omdat er geen belang bij is. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige rechtmatigheidstoets bij uithuisplaatsingen, met inachtneming van het recht op eerbiediging van het gezinsleven.