In deze zaak heeft de vader hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek door de kinderrechter in de rechtbank Gelderland om een schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling (GI) vervallen te verklaren. De kinderrechter had eerder besloten dat de schriftelijke aanwijzing, die de vader verplichtte tot medewerking aan onderzoeken voor een thuisplaatsing, niet vervallen kon worden verklaard. Het hof heeft de zaak op 20 november 2025 behandeld en geconcludeerd dat de vader ontvankelijk is in zijn hoger beroep, maar dat er geen gronden zijn voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod zoals vastgelegd in artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De vader had zich beroepen op artikel 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), maar het hof oordeelde dat de beperking van het hoger beroep geen schending van het recht op een eerlijk proces inhoudt. Het hof heeft het hoger beroep van de vader verworpen, waardoor de beslissing van de kinderrechter in stand blijft.