Betrokkene is onherroepelijk veroordeeld voor medeplegen van hennepuitvoer, handelen in strijd met de Opiumwet en deelname aan een criminele organisatie over de periode juni 2010 tot april 2011. De ontnemingsvordering betrof het vaststellen en ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit deze strafbare feiten.
In eerste aanleg stelde de rechtbank het voordeel vast op €441.859,27, in hoger beroep stelde het hof dit bij arrest van 15 december 2022 vast op €293.108,20. De Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
Het hof baseert de schatting op verklaringen van verdachte, ontnemingsrapporten, getuigenverklaringen en proces-verbalen. Voor de hennephandel gaat het uit van een gemiddelde verkoop van 17,5 kilogram per maand met een winst van €425 per kilogram. Voor de hennepkwekerij in [plaats] wordt het voordeel berekend op basis van drie oogsten, opbrengsten per plant en kosten, resulterend in een totaal van €386.990,32.
Het hof concludeert dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor wederrechtelijk voordeel in de periode 2008-2010. Het totale voordeel wordt pondspondsgewijs verdeeld over vier betrokkenen, waardoor het aan betrokkene toe te rekenen bedrag €97.863,20 bedraagt. Vanwege ernstige overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep vermindert het hof de betalingsverplichting met 10%, tot €88.076,88.
De duur van de gijzeling wordt vastgesteld op het maximum van 1080 dagen, conform wettelijke voorschriften. Het arrest is gewezen door het hof Arnhem-Leeuwarden op 20 november 2025.