ECLI:NL:GHARL:2025:7154

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
001076-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 EVRMArt. 1:4 Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingenArt. 1:9 Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingenArt. 6:1:3 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing schorsing voorlopige hechtenis voor uitzitten onherroepelijke gevangenisstraf

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 10 november 2025 het hoger beroep behandeld tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, die het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis had afgewezen. De verdachte verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis zodat hij zijn onherroepelijke gevangenisstraf in een andere strafzaak kon uitzitten. De raadsman voerde aan dat volgens artikel 5 EVRM Pro voorlopige hechtenis niet mag worden toegepast indien een minder ingrijpend middel hetzelfde doel bereikt, en dat de belangen van de verdachte zwaarwegend zijn vanwege zijn verslavingsproblematiek en de noodzaak tot klinische opname.

De advocaat-generaal stelde zich op het standpunt dat de rechtbank de juiste beslissing had genomen. Het hof overwoog dat de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen bepaalt dat de tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis voorgaat op die van een gevangenisstraf, en dat slechts in uitzonderlijke gevallen van deze executievolgorde kan worden afgeweken. De belangen van verdachte moeten zwaarwegend zijn om een wijziging te rechtvaardigen.

Het hof nam mee dat het gunstiger regime bij het uitzitten van de gevangenisstraf niet zonder meer een zwaarwegend belang vormt. Ook de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over het subsidiariteitsbeginsel werd in de beoordeling betrokken. Gezien de omstandigheden en belangen van verdachte oordeelde het hof dat deze onvoldoende zwaarwegend zijn om van de executievolgorde af te wijken. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de beschikking van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt de afwijzing van het verzoek tot schorsing van voorlopige hechtenis voor het uitzitten van de onherroepelijke gevangenisstraf.

Uitspraak

Raadkamernummer: 001076-25
Parketnummer eerste aanleg: 18-250904-25
10 november 2025

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

ZITTINGSPLAATS LEEUWARDEN

Voorlopige hechtenis

Blijkens de akte van de griffier van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 30 oktober 2025 is namens:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] ,
thans verblijvende in de P.I. [locatie] ,
hoger beroep ingesteld van de beschikking van voormelde rechtbank d.d. 29 oktober 2025,
waarbij het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis is afgewezen.
Het hof heeft gezien de beschikking, waarvan beroep.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en de raadsman van verdachte, mr. M.W.J. Rosendaal, advocaat te Arnhem (via videoverbinding).
Het hof heeft gezien de schriftelijke verklaring van de verdachte dat hij niet op de vordering wenst te worden gehoord.

Overwegingen

Standpunt verdediging
De raadsman heeft verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen, zodat verdachte zijn straf in een andere strafzaak kan uitzitten. Hiertoe voert de raadsman aan dat niemand op grond van artikel 5 EVRM Pro in voorlopige hechtenis gehouden mag worden wanneer er met een minder vergaand middel hetzelfde doel kan worden bereikt. De door de rechtbank aangehaalde regeling is in strijd met dit uitgangspunt. De raadsman stelt dat in de onderhavige zaak het uitzitten van de onherroepelijke gevangenisstraf prevaleert boven het voortzetten van de voorlopige hechtenis, omdat hiermee hetzelfde doel wordt bereikt. Voorts voert de raadsman aan dat er zwaarwegende belangen zijn om van de regeling af te wijken. Verdachte is bekend met verslavingsproblematiek en hij zou opgenomen moeten worden in een kliniek. Als verdachte naar een kliniek gaat dan hangt hem nog steeds een gevangenisstraf boven het hoofd, die na afloop van de klinische behandeling dan nog moet worden geëxecuteerd.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank een juiste beslissing heeft genomen.
Overwegingen van het hof
Het hof is van oordeel, dat de rechtbank in de beschikking, waarvan beroep, op juiste gronden heeft geoordeeld en beslist, zodat het hoger beroep zal worden afgewezen en de beroepen beschikking zal worden bevestigd. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Artikel 1:4 van Pro de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: de Regeling) bepaalt wat de volgorde van de tenuitvoerlegging van straffen is. Daaruit volgt dat de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis voorgaat op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf. Artikel 1:9 van Pro de Regeling bepaalt dat van de executievolgorde kan worden afgeweken als uit een persoonsgerichte beoordeling volgt dat dit bijdraagt aan een persoonsgerichte invulling van de tenuitvoerlegging. De toelichting op artikel 1:9 van Pro de Regeling houdt in dat slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden besloten om van de volgorde af te wijken. Dat betekent dat een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis voor het uitzitten van een onherroepelijke gevangenisstraf alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden toegewezen. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek worden de persoonlijke belangen van de verdachte afgezet tegen het belang om de bestaande executievolgorde te handhaven. Bij de afweging van die belangen spelen verschillende factoren een rol, waaronder de veiligheid van de samenleving, de belangen van slachtoffers en nabestaanden en de resocialisatie van de verdachte. Dat volgt uit de toelichting op artikel 1:9 van Pro de Regeling waarin verwezen wordt naar artikel 6:1:3 Wetboek Pro van Strafvordering. In dit verband verdient opmerking dat het schorsen van de voorlopige hechtenis voor het uitzitten van een onherroepelijk opgelegde gevangenisstraf in zijn algemeenheid niet zelden gepaard gaat met een aantal zwaarwegende praktische bezwaren, die in voorkomende gevallen ook (maatschappelijk ongewenste) risico’s met zich kunnen brengen. Omdat alleen in uitzonderingsgevallen van de executievolgorde kan worden afgeweken, moeten de belangen van de verdachte zwaarwegend zijn om een wijziging in de volgorde te kunnen rechtvaardigen. Dat een verdachte bij het uitzitten van een onherroepelijke gevangenisstraf in een ander en wellicht voor verdachte gunstiger regime terecht komt dan wanneer hij in voorlopige hechtenis zit, is naar het oordeel van het hof niet zonder meer een dergelijk zwaarwegend persoonlijk belang. Het hof neemt bij de beoordeling van het verzoek tot schorsing ook de jurisprudentie van het EHRM ten aanzien van het zogenoemde subsidiariteitsbeginsel in aanmerking.
Het hof is van oordeel dat de door de raadsman genoemde belangen onvoldoende zwaarwegend zijn om een wijziging in de executievolgorde te rechtvaardigen. Het hof zal de beschikking dan ook bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof,
beschikkende in hoger beroep:
bevestigt de beschikking, waarvan beroep.
Aldus gewezen op 10 november 2025 door mr. A.H. toe Laer als voorzitter, mrs. J. Hielkema en E.C. Kole, in tegenwoordigheid van M. Hettema als griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier voornoemd.