ECLI:NL:GHARL:2025:7137

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
200.355.197/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vervangende toestemming inschrijving basisschool en buitenschoolse opvang in belang van kinderen

De ouders van twee minderjarige kinderen zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag. Na verhuizingen van de moeder en wijzigingen in de zorgregeling is er een geschil over de school- en buitenschoolse opvangkeuze voor de kinderen.

De rechtbank verleende de vader vervangende toestemming om de kinderen in te schrijven op een basisschool en buitenschoolse opvang in Eerbeek, wat de moeder in hoger beroep aanvecht. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde het hof de beschikking te bekrachtigen vanwege het belang van stabiliteit en continuïteit voor de kinderen.

Het hof volgt dit advies en oordeelt dat de kinderen het beste af zijn met inschrijving in Eerbeek, waar de vader woont en de kinderen een stabiele en constante factor in hun leven ervaren. De bezwaren van de moeder over de schoolomgeving en het aanpassingsvermogen van de kinderen worden niet gevolgd, mede omdat de kinderen goed functioneren op de huidige school.

De bestreden beschikking wordt bekrachtigd en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vervangende toestemming voor inschrijving van de kinderen op de basisschool en buitenschoolse opvang in Eerbeek.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.197/01
(zaaknummer rechtbank Gelderland 447310)
beschikking van 13 november 2025
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats1],
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.T. Kumar,
en
[geïntimeerde],
wonende te [geïntimeerde],
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. C.E. Mulder.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 18 april 2025, uitgesproken onder het hiervoor genoemde zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op 28 mei 2025;
- het verweerschrift in het schorsingsverzoek;
- het verweerschrift in de hoofdzaak met producties;
- een journaalbericht namens de moeder van 30 september 2025 met een begeleidende brief met producties;
- twee journaalberichten namens de vader van 1 oktober 2025 met producties;
- een journaalbericht namens de moeder van 1 oktober 2025 met een begeleidende brief met een productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 10 oktober 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad).

3.De feiten

3.1
Het huwelijk van de moeder en de vader is op 31 januari 2023 ontbonden door echtscheiding.
3.2
De moeder en de vader zijn de ouders van:
- [minderjarige1], geboren op [geboortedatum];
- [minderjarige2], geboren op [geboortedatum].
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige1] en [minderjarige2].
3.3
De ouders hebben met elkaar afspraken gemaakt over de verzorging en opvoeding van [minderjarige1] en [minderjarige2] en dit vastgelegd in een op 20 december 2022 getekend ouderschapsplan. Dit ouderschapsplan maakt deel uit van de echtscheidingsbeschikking van 17 januari 2023.
3.4
Hierna hebben de ouders in augustus 2024 een addendum op het ouderschapsplan opgesteld. Zij hebben een aantal afspraken uit het ouderschapsplan gewijzigd omdat de moeder naar Amsterdam is verhuisd. De gewijzigde afspraken zijn vastgelegd in de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 18 december 2024.
3.5
De ouders zijn onder andere overeengekomen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben en als zorgregeling afgesproken dat de kinderen drie weekenden per maand bij de moeder verblijven.

4.De omvang van het geschil

4.1
De moeder woont inmiddels weer in [woonplaats1]. De hoofdverblijfplaats is nog steeds bij de vader. Wel is de zorgregeling iets aangepast. Tussen de ouders is in geschil op welke basisschool en buitenschoolse opvang [minderjarige1] en [minderjarige2] moeten worden ingeschreven.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank aan de vader vervangende toestemming verleend om [minderjarige1] en [minderjarige2] met ingang van schooljaar 2025/2026 in te schrijven als leerlingen van de [schoolnaam] in Eerbeek en bij de [buitenschoolse opvang] in Eerbeek, en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2
De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt:) wat betreft de aan de vader verleende vervangende toestemming om de kinderen in te schrijven op een basisschool en buitenschoolse opvang in Eerbeek en de verzoeken van de vader in eerste aanleg af te wijzen, althans te bepalen dat [minderjarige1] op haar huidige basisschool blijft ingeschreven en dat [minderjarige2] op dezelfde bassischool te Apeldoorn als [minderjarige1] wordt ingeschreven alsook dat [minderjarige2] op zijn huidige buitenschoolse opvang te Apeldoorn blijft ingeschreven.
4.3
De vader voert verweer en vraagt het hof de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking ten aanzien van de schoolwijziging en de wijziging van BSO te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

wat staat er in de wet?
5.1
Op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de vader voor de inschrijving/wijziging van de basisschool en de buitenschoolse opvang van de kinderen, zoals hier aan de orde, toestemming van de moeder nodig heeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden kan de rechter hierover een beslissing nemen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
advies raad
5.2
De raad heeft op de mondelinge behandeling geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Volgens de raad omdat sprake is van een nieuwe realiteit, namelijk dat de kinderen inmiddels naar de basisschool in Eerbeek gaan. De raad is van mening dat weer een wisseling van school veel van het aanpassingsvermogen van de kinderen vraagt. Vooral in de leeftijdsfase van deze kinderen zijn stabiliteit en routines belangrijk. Volgens de raad is het voor de kinderen bijvoorbeeld belangrijker dat ze weten wie ze brengt naar school en ophaalt van school, dan op welke school ze zitten. Dat [minderjarige1] bij toewijzing van het verzoek van de moeder naar haar oude basisschool in Apeldoorn zou (kunnen) gaan, maakt dit volgens de raad niet anders. Bovendien kunnen beide ouders goed contact onderhouden met school, omdat ze in het kader van de zorgregeling allebei de kinderen halen en brengen.
oordeel hof
5.3
Alles afwegende acht het hof, net als de rechtbank en conform het advies van de raad, dat het het (meest) in het belang van [minderjarige1] en [minderjarige2] is dat zij in Eerbeek naar de basisschool en buitenschoolse opvang (blijven) gaan. Anders dan de moeder stelt maakt het niet uit of het nu de moeder of de vader is geweest die is verhuisd zonder de kinderen, maar gaat het om de consequenties van een dergelijke beslissing en de invloed van deze beslissing op de kinderen. Als gevolg van de beslissing van de moeder om te verhuizen naar Amsterdam en vervolgens weer terug te verhuizen naar Apeldoorn is de zorgregeling in relatief korte tijd twee keer gewijzigd en is de hoofdverblijfplaats van de kinderen gewijzigd van de moeder naar de vader. Dit vraagt veel van het aanpassingsvermogen van de kinderen, zeker van [minderjarige1] die speltherapie krijgt om de echtscheiding van de ouders te verwerken en te leren omgaan met haar emoties. Het hof is het met de rechtbank eens dat de vader de afgelopen periode de constante en stabiele factor is geweest in het leven van de kinderen. Het is daarom in het belang van de kinderen dat zij naar een basisschool en buitenschoolse opvang gaan in de woonplaats van de vader, want dit zorgt voor rust en stabiliteit in het leven van de kinderen. De kinderen hebben in de periode dat de moeder in Amsterdam woonde meer dan de helft van de tijd bij de vader in Eerbeek gewoond en op dit moment wonen zij daar nog steeds de helft van de tijd. Dat de moeder in hoger beroep aanvoert dat de basisschool in Eerbeek toch anders is qua opzet, manier van lesgeven en minder kleinschalig dan gedacht en dat vooral [minderjarige1] moeite zou hebben met de nieuwe basisschool, leidt niet tot een ander oordeel van het hof. Uit de verklaringen van de leerkrachten blijkt namelijk niet dat het niet goed zou gaan met de kinderen op school. Integendeel, [minderjarige1] en [minderjarige2] doen goed mee met de lessen, hebben aansluiting gevonden bij andere leerlingen in de klas en lijken het naar hun zin te hebben op school. Verder laat het hof meewegen dat beide ouders in staat zijn goede contacten te onderhouden met de leerkrachten van [minderjarige1] en [minderjarige2], omdat zij allebei op school komen om de kinderen te brengen en te halen.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 18 april 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, S. Kuijpers en D.J.I. Kroezen en is op 13 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.