Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep (met grieven en een eis in incident)
- het antwoord in het incident.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen, ouders van een minderjarige zoon geboren in 2020, zijn in geschil over de nakoming van een zorgregeling die door de rechtbank Midden-Nederland is vastgesteld. De vader heeft het hoofdverblijf van het kind in Nederland en de moeder woont sinds 2023 tijdelijk in het buitenland. De voorzieningenrechter heeft de moeder veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De moeder stelde in hoger beroep een incidentele vordering in tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring, stellende dat de Nederlandse rechter niet bevoegd zou zijn en dat het vonnis op een kennelijke misslag berust. Het hof oordeelt dat de gewone verblijfplaats van het kind Nederland is, gelet op de feitelijke omstandigheden en de afspraken tussen partijen.
Het hof vindt geen sprake van een kennelijke misslag in het vonnis en overweegt dat de belangen van het kind en de vader zwaar wegen bij de tenuitvoerlegging. Nieuwe feiten of argumenten van de moeder rechtvaardigen geen schorsing. De vordering wordt afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen kosten. De hoofdzaak wordt voortgezet in de bestaande procedurele stand.
Uitkomst: De incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring wordt afgewezen en de Nederlandse rechter is bevoegd.